|
|
Kernhem Waar het woord Kernhem van afstamt is onbekend, maar de uitgang hem of heim wijst op een Frankische oorsprong. Een enkele maal komen we de naam Kerne tegen, bijvoorbeeld in een brief over de begrafenis van hertog Karel van 15 juli 1538. Een eerste vermelding van het huis Kernhem vinden we in de leenaktenboeken van Gelre en Zutphen van 1426. Het werd echter al in 1410 in opdracht van hertog Reinald IV als versterkt huis gebouwd. Vermoedelijk werd dit hertogelijke hofgoed van versterkingen voorzien in verband met de nabij van de grens met het Sticht Utrecht. Dit was geen overbodige luxe want de hertogen van Gelre en de bisschoppen van Utrecht vielen geregeld elkaars gebieden binnen om deze te plunderen en verwoesten. Onder Ede was Kernhem een van de voornaamste leengoederen. Oorspronkelijk was het een vrije bezitting van de hertogelijke familie, maar in 1426 werd het in leen gegeven aan Udo de Boze. Voor die tijd bewoonden Hubert Wolf en Ot van Schonauwen het huis als bewaarders van de Hertog. Het was een belangrijk leen, dat talrijke goederen bezat en zijn bezittingen door voortdurende koop uitbreidde. Zo werden de hofsteden Bouwhuis en Engelenhoven (1447), de Slijpkruik (1607) de Kalverkamp (1621) gekocht. Ook het goed Kreel (thans de Wetering) behoorde er toe en de Sijsselt, een hoeve hout in het Edesche Bosch, veengronden etc. Vooral toen de heer van Wassenaer-Obdam het landgoed erfde (1651) werd het bezit aanmerkelijk vergroot. De Koekelt, de Horst, een deel van de Bettekamp, uitgestrekte veengronden, wei en hooigronden kwamen er nog bij. De graven Wassenaer waren zeer rijk. Behalve Kernhem bezaten ze de heerlijkheden Wassenaar, Obdam, Hensbroek, Spierdijk, Wognum, Zuidwijk, Twickel enz. Ze werden steeds groter en machtiger en hoe groter hun bezit werd, hoe kleiner de gewone boer zich voelde. Het was dan ook zaak zoete broodjes te bakken met de heren. In 1682 werd de heer van Kernhem dan ook gekozen tot buurtrichter van Ede-Veldhuizen. De van Wassenaers woonden niet op de Kernhem. Ze hadden veel fraaiere kastelen en moesten vaak vanwege de functies die ze in de Staat bekleedden, in 's-Gravenhage zijn of in het buitenland. Dan woonde er een rentmeester op het kasteel en waren de vertrekken slechts ingericht voor een tijdelijk verblijf van de Graaf en zijn familie. Ook op kerkelijk gebied namen de Heren een vooraanstaande plaats in. Zij traden op als opperkerkmeester (1636), een functie die bovendien erfelijk was. In 1672, het rampjaar, tijden de oorlog met Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen kwam Kernhem er niet zonder kleerscheuren af. Het huis werd gebrandschat voor fl 3000,- De Graaf die veilig en wel in Holland zat, rekte de onderhandelingen en kwam er tenslotte voor fl1000,- af.
|
|