Beekbergerwoud

Het Beekbergerwoud was het laatste oerbos dat in Nederland heeft bestaan. Omdat Victor Westhoff het bos en de ondergang ervan in het boekwerk "Westhoff, Victor, en A.J. den Held, 1969. Plantengemeenschappen in Nederland. Thieme en cie., Zutphen. 324 p." bijzonder indrukwekkend heeft beschreven, citeer ik hieruit het volgende:

Wat de oostelijke Veluwerand betreft moet hier tenslotte het legendarische Beekbergerwoud worden genoemd. Dit moerassige oerwoud lag zes kilometer ten zuidoosten van Apeldoorn en was twee kilometer lang en ruim een kilometer breed. Het was het gemeenschappelijk eigendom van de geërfden van de Lierdermark. In 1869 werd het 8000 jaar oude oerwoud publiek verkocht en met veel moeite geveld en gerooid. Dit betekende de vernietiging van een onschatbaar document van het verleden van ons land, een verlies dat de wetenschap nooit genoeg kan betreuren.
Het Beekbergerwoud, ter plaatse "Het Woud" of "Het Elsbos" genoemd, genoot een grote roem, en het is opmerkelijk dat in de aan zijn ondergang voorafgaande decennia zo veel natuuronderzoekers en reizigers het bijna ontoegankelijke terrein bezocht en beschreven en de lof er van bezongen hebben, terwijl van waardering voor de natuur in die jaren in ons land nog nauwelijks sprake was. Zelfs de aannemer die het bos heeft gesloopt was blijkens een door hem hierover gepubliceerd verslag getroffen door de schoonheid van dit woud. Hieruit blijkt wel hoe machtig de indruk was die deze grootse rimboe op de bezoekers maakte. De kern van het bos bestond uit zeer hoge Zwarte Elzen, vaak met Klimop begroeid, gemengd met Essen. Daar omheen bevond zich een zone elzenhakhout. Er tussen groeiden tal van struiken als Zwarte Bes, Vogelkers, Gelderse Roos, Rode Kornoelje, Kardinaalsmuts, Wegedoorn en Hazelaar, op de overgang naar hoger gelegen gedeelten ook Hondsroos, Hulst en Jeneverbes. Het Woud stond met de aangrenzende heide 's winters geheel onder water, voor houthakkers slechts toegankelijk in vorstperioden. In de zomer was het althans in de eerste helft van de vorige eeuw (19e eeuw - BB) vrijwel onbegaanbaar, behalve op enkele hogere horsten waar ook Eiken en Beuken groeiden. De elzenstammen werden op ongeveer 80 cm boven de grond gehakt, daar de stobben 's winters van die hoogte af onder water stonden. In de periode kort voor zijn ondergang schijnt het gebied droger te zijn geworden. Het Woud lag in een terreininzinking, waaruit twee beken ontsprongen, en was omgeven door heide en schrale hooilanden. De majestueuze Elzen in het centrum groeiden in een twee meter dikke veenlaag op ondoorlatende leem. Overigens was deze laag zeer ongelijk van dikte daar zich buiten de kern tussen de veen- en leemlaag een in dikte variërende grindrijke zandafzetting bevond, die hier en daar opduikingen vormde met de reeds genoemde Eiken en Beuken. Met onze huidige kennis van divergente grensmilieus kunnen we enigermate doorgronden hoe de weergaloos rijke plantengroei het resultaat was van de hoge ouderdom van het gebied (8.000 jaar), de uiterst gevarieerde bodemgesteldheid, de van de rand naar binnen toe afnemende intensiteit van menselijke beïnvloeding, gecombineerd met de dominantie van hoger gelegen voedselarme zandgronden over een moerassige voedselrijke veenkom waarin twee beken ontsprongen. Op grond van de beschrijvingen en soortenlijsten die zijn overgeleverd kunnen we ons slechts met moeite een voorstelling maken van de vegetatie die hier eens aanwezig was. In ieder geval is duidelijk dat iets vergelijkbaars niet meer in ons land bestaat. Ontzaglijk groot moet de rijkdom zijn geweest aan bijzondere vocht- en schaduwminnende mossen en paddestoelen, vooral op de hakhoutstoven en op de vele rottende boomstammen die her en der door het woud verspreid lagen. De ondergroei bestond ten dele uit soorten die kenmerkend zijn voor het Elzenbroek zoals Elzenzegge en Gele Lis. Voorts uit een groot aantal planten die karakteristiek zijn voor beekbegeleidend loofbos en Eiken-Haagbeukenbos: Gele Dovenetel, Slanke Sleutelbloem, Eenbes, Zwarte en Witte Rapunzel, Groot Springzaad, Bosbies, Bittere Veldkers, Verspreidbladig Goudveil, Grote Keverorchis, Gulden Boterbloem, Varentjesmos (Plagiochila asplenioides) en overvloedig het thans in ons land zeer zeldzame Knikkend Nagelkruid (Geum rivale). Op open moerassige plaatsen groeiden Boswederik en Paarbladig Goudveil 'in grote menigte'. Waterviolier en Bronmos (Fontinalis antipyretica), soorten die een wisselende waterstand prefereren, groeiden alom op de grond. Verder worden een aantal planten vermeld die we in ons land in geen enkel hedendaags bos meer zullen tegenkomen, o.a. de Ronde Zegge (Carex diandra). Wonderlijk doet de vermelding aan van drie zomertherofyten van pioniergemeenschappen op naakte vochtige verdichte bodem: Bruin Cypergras, Borstelbies (Huidige naam - BB) en Naalwaterbies. Wellicht vonden deze soorten een hen passend milieu langs de paden die waren gemaakt door een aantal koeien die 's zomers in het Woud weidden en die niet zelden door de koewachter met veel moeite uit de drassige grond getrokken moesten worden. Een laatste herinnering aan het Beekbergerwoud leeft voort in de graslanden, die men 'Het Woud' noemt. Langs een sloot kan men daar nog steeds Bittere Veldkers en het uiterst zeldzame Knikkend Nagelkruid aantreffen, alsmede enige bijzondere bramensoorten die karakteristiek zijn voor oude vochtige bossen: taaie getuigen van een groot verleden. Van de aan het Beekbergerwoud grenzende vochtige heide op lemige grond is thans geen spoor meer te vinden. Het moet een botanische schatkamer zijn geweest met Wolverlei, Gevlekte Orchis, Eenarig Wollegras, Heidekartelblad, Draadgentiaan, Parnassia, Vetblad en de thans nog slechts van twee groeiplaatsen in ons land bekende Herfstschroeforchis (Spiranthes spiralis).
Wanneer men de historie van de ondergang van het Beekbergerwoud nagaat, treft het dat er zich onder alle stemmen van zijn bewonderaars nauwelijks één verhief die voor het behoud ervan pleitte of zelfs maar zijn ondergang betreurde. Men leefde toen blijkbaar nog in de ban van de gedachte dat strijd tegen de wildernis de eerste plicht was van een beschaafd volk. Maar die éne stem heeft toch gesproken en daarbij het begrip 'natuurmonument' in onze taal ingevoerd: de stem van F.W. van Eeden, de vader van de schrijver van de Kleine Johannes, in zijn bundel 'Onkruid' (1886): 'Dit bosch had als monument van de voormalige natuur van ons land niet minder waarde dan oude gebouwen voor de geschiedenis der vaderlandsche kunst, en het redden van zulke merkwaardige plekjes uit sloopershanden moest aan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen worden opgedragen'. Genoemde Akademie heeft deze taak, helaas, niet gezien; de offiële wetenschap heeft in ons land tientallen jaren lang de neus opgetrokken voor het natuurbehoud. Aan de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten en het door haar geïnspireerde Staatsbosbeheer is het te danken, dat twintig jaar na de verschijning van 'Onkruid' de daadwerkelijke natuurbescherming in Nederland gestalte kreeg.

 

Anno 2003 is Geum rivale (Knikkend nagelkruid) nog steeds present langs de sloot die Westhoff aanduidt. Van de begeleidende typische bossoorten zijn onder meer nog Anemone nemorosa (Bosanemoon) en Lamiastrum galeobdolon (Gele dovenetel) aanwezig.


Geum rivale- Knikkend nagelkruid