|
De geslachtsnaam Van Duijvenbode |
|
De herkomst van de naam |
|
|
Op deze bladzijde wordt de herkomst van de geslachtsnaam Van Duijvenbode uiteengezet. De eerste negen geslachten van de Van Duijvenbodes vindt u op de pagina De eerste generaties van het geslacht Van Duijvenbode.
Mocht u nog vragen, suggesties of opmerkingen hebben,
schroomt u dan niet om mij even een e-mailtje
te sturen.
v Een afbeelding van het
familiewapen
v De oorkonde van 3 oktober 1578
o
De
tekst in moderner Nederlands
De oorsprong van de geslachtsnaam Van Duijvenbode
dateert van de bezetting van de stad Leiden door de Spanjaarden in 1574. Door
de omsingeling van de stad was communicatie via de normale wegen niet mogelijk.
Willem Cornelisz. Speelman (ca. 1542—1616), luitspeler en organist in de
plaatselijke Pieterskerk, bood daarom het stadsbestuur zijn duiven aan, zodat
het stadsbestuur een briefwisseling kon blijven voeren met de Prins van Oranje in Delft. Als men
weet dat door de bezetting de honger in de stad zo groot was dat zelfs de
honden, katten en ratten werden opgegeten dan begrijpt men dat het aanbieden
van de duiven een opoffering was.
Op 28 september 1574 ontving men de eerste brief,
verzonden door geuzenleider Louis de Boisot. De volgende dag ontving men
wederom een brief. Uiteindelijk werd Leiden ontzet doordat de dijken rondom de
stad door de Watergeuzen werden doorgebroken. De Spanjaarden namen de
vlucht voor het wassende water en de stad was gered. Op zondag 3 oktober
1574 kwamen de Watergeuzen met haring en wittebrood de stad binnen. Zonder de
briefwisseling zou men in de stad niet geweten hebben dat de redding nabij was
en zou men zich wellicht hebben overgegeven.
De duiven van Willem Cornelisz. waren dus van groot belang
voor Leidens ontzet. Dit werd onderkend door Jan van Hout, schrijver van de
stad Leiden. Deze Van Hout heeft uiteindelijk op 3 oktober 1578, vier jaar
na Leidens ontzet, namens de stad Leiden de oorkonde ondertekend waarbij aan
Willem Cornelisz. het recht werd toegekend om zich ‘Van Duijvenbode’ te
noemen. Bovendien werd hem (als eerste burger in de Nederlanden) het recht
toegekend om een familiewapen te voeren. Dit wapen bestaat uit de twee rode
(kruislings liggende) Leidse sleutels met in elk van de vier kwadranten een
blauw duifje. In de wapenbrief staat dit wapen afgebeeld, getekend door de
tekenaar Hans Liefrinc.
De brieven die door de duiven zijn verzonden zijn nog te
zien in het Leidse museum De Lakenhal. De duiven zelf zijn
na hun overlijden opgezet en hebben nog lange tijd de Leidse burgemeesterskamer
gesierd. Helaas zijn ze in de loop der tijd door ouderdom vergaan.
De Lakenhal beschikt over een klein portretje van de
eerste Van Duijvenbode.
Ook het wapenschild van de Van Duijvenbodes hangt in
De Lakenhal. Sinds juli 1998 hangt van dit schild een replica op zijn
oorspronkelijke plaats in de Leidse Pieterskerk. De replica werd vervaardigd
door de Leidse kunstrestaurateur T. Prins en werd bekostigd door de
Stichting Leiden Culinair. Het originele bord werd in de Pieterskerk opgehangen
bij de begrafenis van Willem Cornelisz. op 10 november 1616. Het bord
draagt de tekst Door Godt
gheevrocht hebben/ de duyven die brieven binnen/ Leyden ghebrocht
Willem Cor/ nelissen van Duyven boden.
Verder is het wapen te bewonderen op de voorgevel van het woonhuis van Willem
Cornelisz. aan het Rapenburg 94 te Leiden (zie de foto hiernaast). Naast
het geschonken wapen prijkt op deze gevelsteen een ander wapen. Waarschijnlijk
is dit het oorspronkelijke familiewapen van Willem Cornelisz. Boven de wapens
staan de regels Door God
gewrocht./ Die vā: Duive boede, terwijl onder de wapens
staat mdl xxiv/ Doe God
tot boden/ duiven schikte/ ontset voor Leydens/ Stad aanblikte.
Daaronder staat nog vernieuwd
I8I8.
Leiden eert zijn held nog in de “Duivenbodestraat”, een
zijstraat van de 3 Octoberstraat.
Verder staat op het binnenhof van het Leidse
stadhuis een beeld van de eerste Van Duijvenbode (zie de foto hiernaast).
Het werd op 31 augustus 1948 aan de stad Leiden geschonken door koningin
Wilhelmina (zie Geschiedenis
van het stadhuis van de gemeente Leiden).
Hoe komt het nu dat, ondanks de Leidse oorsprong, de meeste
Van Duijvenbodes heden ten dage in Katwijk wonen? Dit kan als volgt worden
verklaard. De oorspronkelijke Van Duijvenbode, Willem Cornelisz., is
kinderloos overleden. Hij had echter een zuster, Claartje Cornelisdr. (gehuwd
met Pieter Gabrielsz., schoolmeester), die jong overleed. Deze had op haar
beurt een dochter, Maartje Pietersdr. (gehuwd met Matthijs Pietersz. Weyns,
chirurgijn), die eveneens jong overleed. Zij liet als zoon na de in 1594
geboren Cornelis Matthijsz. Dit was dus een achterneef van de oorspronkelijke
Van Duijvenbode. Deze achterneef nu heeft de achternaam van zijn beroemde
oudoom overgenomen, wellicht met diens toestemming; dit is te verklaren uit het
feit dat de oudoom blijkens een akte van 24 augustus 1607 voogd werd over
de toen 13-jarige Cornelis Matthijsz. Weyns. Deze Cornelis Matthijsz. is in
1615 gehuwd met een Katwijkse en hij werd zo de stamvader van de Katwijkse
Van Duijvenbodes. De eerste negen geslachten van de Van Duijvenbodes vindt
u op de pagina De eerste
generaties van het geslacht Van Duijvenbode.
De geschiedenis van Willem Cornelisz. is in veel boeken en artikelen terug te vinden. Ik verwijs u hiervoor naar de literatuurlijst. Als voorbeeld geef ik hieronder enkele citaten:
1. uit Beschrijvinge der stad Leyden, 1641, door J.J. Orlers, hiervan blz. 522-523 (overgenomen van www.dbnl.nl):
14. Clachte vande Burgheren over den grooten hongher noot aen Pieter Adriaensz. vander Werff: Mannelicke antwoorde opte zelve: Eenighe uytghewekene schrijven weder aen Leyden: Den Admirael Boysot schrijft aende Heer van Noortwijck: Den Prince comt int Leger by Boysot, ende voordert het ontset.
[enzovoorts]
Als nu de Burgheren van Leyden wel eenige hope van verlossinghe door der Staten voorsz. Brieven den 12. geschreven, als door het ghesichte ende gehoor des geschuts ende andere merckelicke teyckenen hadden, dan in langen tijt geen Brieven ontfangen noch gesonden en hadden door de zeer scherpe Wachte die rontsomme de Stadt lagh, zijn op den 26. Septembris twee Boden by den Admiael uyt der Stadt ghecomen, hoewel met groot perijckel ende moeyten.
De welcke insonderheyt ghesonden waren om der Burgeren uytersten noot te kennen te geven, die wel seer groot was, dan noch so groot niet als den selfden by andere gemaeckt werde: ende ten tweeden om de gelegentheyt der heyrcracht te sien, ende de selfde heuren Burgheren te vercondighen soo sy weder in comen mochten, so niet, heur het selfde door vliegende Boden te vercondigen, te weten op de Romeynsche wijse, ende by die van Haerlem in heur belegeringe seer dickmael gebruyct werde, namelick met oude Duyven, de welcke lange tijt te velde gevlogen hadden, ende seer vast gewent waren. Dese Duyven die acht int getal waren, behoorden tot Ulrick Cornelisz. Willem Cornelisz. ende sijn broeder Ian Cornelisz. de welcke daer na inden Jare 1578. tot vergeldinge van dese diensten by openbare Brieve ofte Instrument versegelt zijnde met Stadts zegel, ter zaecken verkregen hebben, voor haer ende hare nakomelingen, dat sy mogen gebruycken tot Tijtel: Die van Duyvenbode, ende tot een Schilt ofte wapen mogen voeren, het wapen der Stadt Leyden (zijnde twee roode Slotelen, Borgons-cruyswijs over den anderen in een silveren velt,) ende tusschen elck quartier een blauwe Duyve, omringt wesende met een Crans ofte Croone van Eycken-bladeren, wesende de Croone waer mede de oude Romeynen haer burgeren als sy eenigen dienst voor de Stadt ofte de Ghemeenten gedaen hadden, mede plachten te vereeren, ende genoemt werde Corona Civica. Desen Brief hebbe ick gesien ende gelesen.
2. uit Nederlandsche Historien,
Amsterdam, 1677, 1684 en 1738, door P.C. Hooft:
Zelfs de
vooghelen, briefdraaghers, werden naa hunne doodt gedrooght, en op 't stadthuis
ten toon gestelt, met uitgespreide vlerken, en met de schachten, daar 't papier
in gesteeken had, aan de beenen: als oft de stadt niet min in hun, dan Roome in
de ganzen, die 't Capitolië, met waaken behielden, verplicht geweest waar. De
eyghenaars ook der zelve vereerde de Majestraat, met Stadts waapen, eenighe
duiven daar by gevoeght, en den tytel van Duivenboode.
3. uit Biographisch Woordenboek der
Nederlanden, bevattende Levensbeschrijvingen van zoodanige personen,
die zich op eenigerlei wijze in ons vaderland hebben vermaard gemaakt,
Tweede deel, Haarlem 1852, door A.J. van der Aa:
CORNELISZ (Willem), geboren te Leiden. Aan het schrander beleid van hem en van zijne beide broeders Jan en Ulrich, had men het beleid der duivenpost te danken, gedurende het beleg van Leiden in 1574. Zij werden ook Speelman toegenaamd en bezaten acht duiven, die als vliegende boden door de lucht (het eenige element den belegerden overgelaten) gebruikt werden.
Het schijnt echter, dat deze duiven bepaaldelijk aan Willem Cornelisz behoord hebben, daar hij alleen door de regering der stad eene belooning ten jare 1578 ontvangen heeft. Die belooning bestond daarin, dat men hem en zijne afstammelingen bij open brief met den naam van Duivenbode vereerde, om die bij den hunnen te voegen, en hem verder tot wapen gaf een zilver schild, waarop twee roode, kruisgewijze liggende sleutels, en tusschen elk kwartier der sleutels een blaauwe duif, alles in een krans van eiken bladen. Daarenboven beschonk men hem met eenen zilveren penning, op welke de grootste binnen Leiden geslagene noodmunt afgebeeld stond; terwijl de keerzijde een naar de stad komend voorraadschip vertoonde, op welks roer eene duive met uitgespreide vlerken rust.
De duiven van Willem Cornelisz heeft men opgezet en langen tijd op het Raadhuis te Leiden ter gedachtenis bewaard.
Zijn wapenbord, na zijnen dood in de Pieterskerk te Leiden opgehangen, is het eenige dat men, aan zijne daad gedachtig, aldaar in 1795 zijne plaats heeft doen behouden.
4. uit Sleutelfiguren (in: Leids Jaarboekje 1974 (Jaarboekje voor geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en omstreken; zes en zestigste deel)), Leiden 1974, blz. 197-215) door drs. R.E.O. Ekkart, hiervan blz. 214-215:
Willem Cornelisz. Duivenbode (afb. 12‑13)
Vrijwel alle portretten van Leidenaren uit de tweede helft van de 16de eeuw stellen magistraten of geleerden voor. Een uitzondering hierop vormt de hier gereproduceerde beeltenis van de luitspeler en organist Willem Cornelisz. Speelman (ca. 1542‑1616), die zijn roem en zijn achternaam Duivenbode geheel te danken had aan zijn gedrag ten tijde van het beleg van de stad.
Zoals bekend was in september 1574 de toestand binnen Leiden bijzonder kritiek; de hongersnood was tot het uiterste gestegen, de weerstand dreigde te breken. Voor de boodschappers was het bijzonder gevaarlijk geworden door de vijandelijke linies te gaan, zodat het contact met de prins van Oranje en met Boisot werd bedreigd. Eind september besloot men zijn toevlucht te nemen tot een systeem dat reeds door de Romeinen werd gebruikt en ook tijdens het beleg van Haarlem goede diensten had bewezen, de duivenpost. Willem Cornelisz. Speelman en zijn broers Ulrik en Jan Cornelisz. bezaten een aantal duiven, waarvan men er nu acht door de Spaanse linies smokkelde. In de laatste week van het beleg ontving men in de belegerde stad verschillende per duivenpost bezorgde brieven, waarin de tegenover de Spanjaarden te volgen taktiek werd uitgelegd en aan stadsbestuur en inwoners moed werd ingesproken. Juist in dit zo kritieke stadium waren deze brieven van beslissende betekenis voor het welslagen van de Leidse verdediging.
De stedelijke regering heeft in 1578 de rol die de gebroeders
Speelman toen hebben gespeeld beloond door hun het recht toe te kennen de naam
Duivenbode te gebruiken en een wapenschild met de Leidse sleutels en enkele
duiven te voeren. De bekendste van de drie broers is wel Willem, die is
voorgesteld op het afgebeelde miniatuurportret uit 1575. Al is het zeer slecht
geschilderd en toont het in de weergave van bijv. oor, mond en ogen de
onhandigheid van de anonieme schilder, geeft dit portret ons toch een beeld van
deze Leidse muzikant die zijn stad hielp redden door zijn hobby in dienst van
de militaire verdediging te stellen. De tweede afbeelding toont ons het
wapenbord dat na Willems kinderloos overlijden in

Hieronder ziet u een weergave van
blz. 538-539 uit het boek Katwijksche, Rijnsburgsche, en Nederlandsche
oudheden van ds. Adrianus Pars (eerste druk [met medewerking van
Kornelis van Alkemade]: 1697; tweede druk [aangevuld door mr. Pieter van
der Schelling]: Leiden 1745), met links het familiewapen (met dank aan de
heer Nico van Duijvenbode).

De letterlijke tekst van de oorkonde van 3 oktober 1578 luidt als volgt:
|
W |
ij Schout/ Burgemrn/ ende Ger: der stadt Leyden/ des Graefschaps
van Hollant/ wenschen eenen ygelycken/ dien de jegenwoordige letteren zullen
voorcomen/ veel heyls ende gelucx:
Doen te weten/ dat/ nademael de reden ende billyckheyt vereyscht alle vroome betoonde diensten/ zonderlinge die eenige steden of gemeenschappen gedaen syn/ eerlycken ende heerlycken te werden beloont/ ten eynde dat sodanige beloninge den anderen menschen een spoor ende prickel moet syn/ omme hem in tijt des noots tot diergelycke diensten/ op hope van beloninge/ mede willich ende cloeckmoedich te syn ende laten gebruycken; ende dat sulx is dat Willem Cornz:/ speelman/ geboren borger deser stadt Leyden/ in den jare xvcLxxiiij voorleden/ ten tyde van de tweede belegeringe ende uyterste hongersnoot/ liever gehadt heeft dese syne geboortige stede alle mogelycke dienste ende vordernisse te doen/ ende de spyse/ die tot versadinge van den honger van hem/ syne outbejaerde moeder ende broederen/ eenigsins hadde mogen dienen/ heurluyden hongerygen buycken te onthouden/ ende sulcxs mede gebreck te lyden/ dan deselve tot syn byleven ende onderhout te verstrecken/ als hebbende t’onsen versoeken syne duyven/ by eenige waeghalsen heimelicken uyt dese stede laeten vervoeren/ omme an buyten (alsoe dese stede soe heftelicken rontsomme omrincht ende belegen was/ datter geen mensche noch te lande noch te water meer inne conste geraecken/ ende wy sulcxs gene tydinge van onsen Doorl: ende Hooggeb: Furst ende Gen: H: den Prince van Or: noch van de HH: Staten/ onse goede vrienden ende medebontgenoten en consten gecrygen) mit brieven ende tydinge/ so grotelicx tot onse vertroostinge dienende/ te werden afgevaerdicht/ ende als vliegende boden door de lucht/ het eenige element ons open gelaten/ gebruyct ende gebesicht te worden/ gelykerwys drie van deselve duyven tot verscheyden tyden mit brieven ende tydinge binnen dese steden syn wedergekeert; ende dat wy daeromme begeren ende voorhebben sulcke getrouwe diensten ons ende onse gemeene burgeren ende inwoonderen ende naevolgende dien ‘t gemeen vaderlandt gedaen/ met eene geduerige vereeringe te wederlonen:
Soe est/ dat wy de voorn: Willem Cornelisz: vergunt/ geoorloofd ende toegelaten hebben/ vergunnen/ veroorl: En laeten toe mitsd:/ omme van nu voortsaen by hem ende syne naekomelingen te mogen gebrucken ende hem selven te sullen sulcx mogen noemen ende schryven/ doen noemen ende schrijven mitten toename van Duyvenbode/ gebruyckende tot synen ende heyrluyden blasoen/ teycken/ ende wapen/ eenen zilveren schilt/ hangende in een crans van eycken bladeren/ daerinne comende twee rode slotelen cruys gewyse over den anderen gestelt/ ende tussen elck quartier een blaewe duyve/ alles in der voege alhier vertoont ende zichtbaerlicken ofgemaelt; ende so wy voorn: Willem van Duyvenbode voor sulcx in ‘t voors: gebruyck van name ende wapenen ten ewigen daege begeren te handhouden/ ende sulcxs by eenen yegelicken te werden erkent ende gehouden/ hebben wy tot een volcomen en ongetwijfelt geloof tzegel ten saeken desen letteren doen aanhangen ende dese by onsen secretaris doen teyckenen/ op den derden Octobris vyftien hondert tzeventich ende acht:
I: van Hout
De tekst van de oorkonde van
|
W |
ij,
schout, burgemeesters, en gerecht van de stad Leiden, van het graafschap van
Holland, wensen een iegelijk, die de onderhavige brief zal zien, veel heil en
geluk;
Doen
weten, dat, nu de redelijkheid en billijkheid vereist dat alle vrome betoonde
diensten, in het bijzonder die aan een stad of gemeenschap gedaan zijn, eerlijk
en heerlijk worden beloond, ten einde dat zodanige beloning de andere mensen
een aansporing en prikkel is, om hen in tijden van nood tot dergelijke
diensten, op hoop van beloning, mede gewillig en kloekmoedig te doen zijn en
laten gebruiken; en dat het zo is dat Willem Corneliszoon Speelman, geboren
burger van deze stad Leiden, in het afgelopen jaar 1574, ten tijde van de
tweede belegering en uiterste hongersnood, liever gehad heeft deze zijn
geboortestad alle mogelijke dienst en hulpbetoon te doen, en de spijze, die tot
verzadiging van de honger van hem, zijn hoogbejaarde moeder en broeders enigszins
had mogen dienen, hun hongerige buiken te onthouden, en daardoor mede gebrek te
lijden, dan dezelve tot zijn leeftocht en onderhoud te verstrekken, daar hij op
ons verzoek zijn duiven door enige waaghalzen heimelijk uit deze stad heeft
laten vervoeren, om naar buiten (aangezien deze stad zo hevig rondom omringd en
belegerd was, dat er geen mens, noch te land, noch te water, meer in kon
geraken, en wij daardoor geen tijding van onze doorluchtige en hooggeboren
Vorst en gen. H. de Prins van Oranje, noch van de H.H. Staten, onze goede
vrienden en medebondgenoten, konden krijgen) met brieven en tijdingen, zo
grotelijks tot onze vertroosting dienende, te worden afgevaardigd, en als
vliegende boden door de lucht, het enige element ons open gelaten, gebruikt en gebezigd
te worden, gelijkerwijs drie van deze duiven verscheidene malen met brieven en
tijdingen binnen deze stad zijn wedergekeerd; en dat wij daarom begeren en
voorhebben om zulke getrouwe diensten, ons en onze gezamenlijke burgers en
inwoners en dientengevolge ‘t gehele vaderland gedaan, met een gedurige
verering te belonen;
Zo
is het, dat wij de voornoemde Willem Corneliszoon vergund, geoorloofd en
toegelaten hebben, zoals wij vergunnen, veroorl. en toelaten bij dezen, om
vanaf nu voortaan door hem en zijn nakomelingen te mogen gebruiken en hemzelf
te zullen mogen noemen en schrijven, doen noemen en schrijven met de toenaam
van Duyvenbode, gebruikende tot zijn en hun blazoen, teken, en wapen, een
zilveren schild, hangende in een krans van eiken bladeren, waarin komen twee
rode sleutels kruisgewijze over elkander gesteld, en tussen elk kwartier een
blauwe duif, alles op de wijze zoals alhier vertoond en zichtbaar afgebeeld; en
omdat wij voornoemde Willem van Duyvenbode voor zulks in ‘t voormelde gebruik van
naam en wapen ten eeuwigen dage begeren te handhaven, en zulks door een
iegelijk te worden erkend en gehouden, hebben wij tot een volkomen en
ongetwijfeld geloof ’t zegel terzake deze brief doen aanhangen en deze door
onze secretaris doen tekenen, op de derde oktober vijftienhonderd
achtenzeventig.
J. van Hout
Hieronder volgt een lijst van publicaties over de naam Van Duijvenbode.
v Aa,
A.J. van der: Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden -
Bijeengebragt door A.J. van der Aa, onder medewerking van eenige
Vaderlandsche Geleerden. ZEVENDE DEEL (L.M.), Gorinchem 1846. Onder het
steekwoord "Leyden" (blz. 230, 279, 280).
v Aa,
A.J. van der: Biographisch Woordenboek der Nederlanden,
bevattende Levensbeschrijvingen van zoodanige personen, die zich op eenigerlei
wijze in ons vaderland hebben vermaard gemaakt, Tweede deel, Haarlem 1852.
Onder de steekwoorden “Cornelisz (Willem)” op blz. 57 en “Duivenbode
(Willem Cornelisz)” op blz. 120 (onder het laatstgenoemde steekwoord wordt
verwezen naar het eerstgenoemde).
v Baar,
P.J.M. de: De ommegangsdag te Leiden (in: Leids
Jaarboekje 1977 (Jaarboekje voor geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en
omstreken; negen en zestigste deel), Leiden 1977, blz. 96-103).
Hiervan blz. 98.
v Berendsen,
Eric-Jan: Wapenschild Van Duivenbode keert terug in
Pieterskerk met dank aan Leiden Culinair, (Leidsch Dagblad van
vrijdag 18 juli 1997, blz. 15).
v Berg,
Bianca van den: De Pieterskerk in Leiden, [zonder
plaatsvermelding] 1992. Hiervan blz. 38.
v Brakel,
J.P. van: Vissen in vrijheid - Katwijk van de Franse tot de
Duitse tijd, Uitgave Genootschap Oud Katwijk, Katwijk 1988. Hiervan
blz. 150 (Schematische Genealogie - fragment van het geslacht Van
Duijvenbode).
v Boss,
Joh.: Stamboom van Leeuwen van Duivenbode, 1911.
v Cat.
tent. portretminiaturen Rotterdam 1910, nr. 580.
v Collot d'Escury: Holl. Roem., D. II. Hiervan
blz. 124, 125.
v Criticaster:
(KP cursief:) Van der Plassen onbetwist lijstaanvoerders
(in: De Katwijksche Post van donderdag 27 juni 1991).
v Dercksen,
J.M.E.: Korte beschrijving van Leiden. Wegwijzer voor
vreemdeling en stadgenoot. Met een nieuwen plattegrond der stad en eene
aanwijzing harer openbare gebouwen en inrichtingen., Leiden 1874. Hiervan
blz. 19.
v Doove,
Jan: Muzikale uitwisseling tussen Nederlandse steden in de
Middeleeuwen en de invloed van de Maria-devotie daarop (in: Mens
& Melodie (Algemeen maandblad voor muziek), 33e jaargang (oktober
1978), blz. 315-320). Hiervan blz. 318.
v Doove,
Jan: Maria in den Blomme en ter sneeuw (in: Mens &
Melodie (Algemeen maandblad voor muziek), 37e jaargang (juni
1982), blz. 271-280). Hiervan blz. 275.
v Duijvenbode,
W. van: (Ingezonden:) Vierentwintig maal Van Duijvenbode
(in: De Katwijksche Post van donderdag 9 juli 1987).
v Ekkart,
drs. R.E.O.: Sleutelfiguren (in: Leids Jaarboekje 1974
(Jaarboekje voor geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en omstreken; zes en
zestigste deel), Leiden 1974, blz. 197-215). Hiervan
blz. 214-215.
v Genootschap
“Oud Katwijk”: Van Duyvenbode, vanwaar? (in: De
Katwijksche Post van donderdag 13 september 1984).
v Heinsius:
Poëmata. Hiervan blz. 493.
v Hofdijk,
W.J.: Leydens Wee en Zegepraal 1573-1574, Leiden 1874.
Hiervan blz. 208-209 en blz. 219.
v Hooft,
P.C.: Nederlandsche Historien, Amsterdam, 1677, 1684 en
1738.
v Katwijksche
Post, De: ‘Nu houd ik er echt mee op’ - Voorouderonderzoek van
74-jarige levert drie dikke boekwerken op (in: De Katwijksche Post
van donderdag 9 juni 1994).
v Keuning,
Ed de [tekst] & Dekkers, Will [foto]: Je leest het in het
gebeitelde (in: De Telegraaf van woensdag 29 september
1993).
v Leidsche
Courant van 10 november 1883.
v Loenen,
J.B. van: Gids voor en kleine kroniek van Leiden en omstreken,
derde zeer vermeerderde druk bewerkt door J.B. van Loenen, Leiden 1905.
Hiervan blz. 24.
v Moerman,
Ingrid W.L. [redactie] & Maanen, R.C.J. van [idem]: Leiden,
een eeuwig feest, uitgave van de 3 October-vereeniging, Leiden
1986. Hiervan blz. 20.
v Moes,
I.B. 2234.
v Moeskops,
Toon: Duif is kleinste werkpaard in de luchtvaart (in:
WINGS – Inflight Magazine Transavia Airlines, vierde jaargang (1992),
nummer 1, blz. 29-31).
v Mourik,
B.A. van & Wilde, mr. F.E. de [foto's]: Zo’n stad is
Leiden, V.V.V. Leiden 1967. Onder de beschrijving van het Rapenburg en
onder de beschrijving van de Pieterskerk [de bladzijden van het boekwerkje zijn
niet genummerd].
v Nuyens,
dr. W.J.F.: Geschiedenis van het Beleg en Ontzet van
Leiden in 1574, Leiden 1874. Hiervan blz. 82‑83.
v Orlers,
J.J.: Beschrijvinge der stad Leyden, 1641. Hiervan
blz. 522-523.
v Pars,
ds. Adrianus: Katwijksche, Rijnsburgsche, en
Nederlandsche oudheden. Eerste druk (met medewerking van Kornelis van
Alkemade): 1697. Tweede druk (aangevuld door mr. Pieter van der
Schelling): Leiden 1745; hiervan blz. 522-539.
v Postma,
Annemarie: Leiden Gebeiteld, Uitgave Dienst Bouwen en
Wonen, gemeente Leiden, Leiden 1993.
v Rhede
van der Kloot, M.A. van: Wapenbrieven (in: Maandblad
van het Genealogisch-heraldiek Genootschap De Nederlandsche Leeuw,
jaargang 1, nr. 1 (februari 1883), blz. 3).
v Rhede
van der Kloot, M.A. van: Sprekende wapens (met een plaat)
(in: Maandblad van het Genealogisch-heraldiek Genootschap De
Nederlandsche Leeuw, jaargang 1, nr. 3 (april 1883),
blz. 12-13).
v Roemer,
J.: De Oude Leidsche Patroon, of Derden Octobers Banket, Eene
Leerrede, ter gedachtenis van het Ontzet der Stad Leiden, geschied op den 3den
October des Jaars 1574, zijnde des Zondags morgen, aldaar opgesteld en
uitgesproken, door eenen twee en tachtig jarigen Leeraar, welke het beleg en
ontzet dier Stad heeft bijgewoond; Gedrukt in het Jaar 1630; nu, op nieuw
uitgegeven, met aanteekeningen en ophelderingen, door J. Roemer.
Christen-leeraar te Leiden., Leyden 1833. Hiervan blz. 17 met de
bijbehorende aantekening op blz. 41.
v Roemer,
J.: Het Vijfde Halve Eeuw Feest over het Ontzet der Stad Leijden
in den Jare 1574. Plegtig gevierd den 3en en 4en October 1824, beschreven door
J. Roemer. Met onuitgegeven stukken betrekkelijk het beleg, Leijden
1824. Hiervan blz. 22-23, Bijlage C (blz. 170-178) en Catalog.
nr. 65-66 (blz. 224), nr. 76 (blz. 228), nr. 108-111
(blz. 233) en nr. 148 (blz. 242-243).
v Roozen,
L.C.J.: Dit is Leiden, Leiden 1941. Hiervan blz. 355.
v Ryon, Dr. Marc: Van Duyvenbode: uma família antiga
com raízes columbófilas... (in: Suplemento Columbófilo (een uitgave van de
“Federação Portuguesa de Columbofilia”, de Portugese Federatie van
Duivenliefhebbers), 13 mei 2003, zie http://www.fpcolumbofilia.pt/jornal/Jornal0010.htm
- 4.
v Schoonheim,
Tanneke: Van Duyvenbode (in: Leidsch Dagblad van maandag 4 oktober 2004).
v Severinus:
Beleg en ontzet van Leiden. Hiervan blz. 111-113.
v Scheepmaker,
Anne: Koken op 3 oktober, 's-Gravenhage 1990. Hiervan
blz. 50-52 (onder het kopje “Gewiekte kondschappers”).
v Stedelijk
Museum De Lakenhal: Beschrijvende catalogus van de
schilderijen en tekeningen, Leiden 1951. Hiervan nr. 727 (Portret
van Willem Cornelisz. (Speelman) gen. Duivenbode) op blz. 103.
v Stedelijk
Museum De Lakenhal: Catalogus van de schilderijen en
tekeningen, Leiden 1983. Hiervan nr. 727 (Portret van Willem
Cornelisz. (Speelman) gen. Duivenbode) op blz. 8.
v Stoelinga,
Saskia: Als je duiven houdt, heet je
Van Duivenbode (Stadsvogelcampagne)
(in: Leidsch Dagblad van woensdag
v Swaen,
dr. A.E.H.: Nederlandsche geslachtsnamen, Zutphen
1942. Hiervan blz. 65 (onder het kopje Dieren- en plantenrijk
op blz. 60).
v Uitman,
G.J.: Hoe komen wij aan onze namen - Oorsprong en betekenis
van onze familie- en voornamen, Baarn 1974. Hiervan blz. 177 (onder
VII. Geslachtsnamen van allerlei oorsprong, 13. Merkwaardige
geslachtsnamen).
v Vloten,
J. van: Leidens belegering en ontzet in 1573 en 1574, naar de
oorspronkelijke stukken en bescheiden, Leiden 1853. Hiervan
blz. 177-178 en Bijlage IX (blz. 213-214).
v Weel,
mr. E. van: De herkomst van de Katwijkse familie Van
Duivenbode (in: Maandblad van het Genealogisch-heraldiek
Genootschap De Nederlandsche Leeuw, jaargang 101, februari 1984,
blz. 41-43).
v Wijbenga,
D.: Leiden, vroeger en nu, Leiden " 1949. Hiervan nr. 25 (blz. 52) en
nr. 44 (blz. 68).
v Wijnbeek,
D.: Leidens ontzet (Neerlands Fundamenten No. 3),
Assen 1948 [vierde druk]. Hiervan blz. 64‑65 en blz. 67.
v Winkler,
Johan: De Nederlandsche geslachtsnamen in oorsprong,
geschiedenis en betekenis, Haarlem 1885. Hiervan blz. 461-462.
v Zwanenburg,
J.P.: Gevelstenen in Leiden (in: Leids Jaarboekje 1985
(Jaarboekje voor geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en omstreken;
zevenenzeventigste deel), Leiden 1985, blz. 129-149). Hiervan
blz. 146-147.
v Zuid-Holland
Post: Wapenbord Van Duivenbode terug in Pieterskerk (in: Zuid-Holland
Post van week 31 [woensdag 29 juli 1998]).
v Gegevens
over de verspreiding van de naam Van Duijvenbode leest u op een pagina van
het Meertens Instituut, Nederlandse
Familienamen - Details.
v Meer
informatie over het ontzet van Leiden in 1574 kunt u lezen op de website van de
3 October-Vereeniging
Leiden, alsmede op de internetpagina Leiden
Promotie VVV.
Verwijzingen naar deze website:
v duivenbode.hyves.nl, een
internetcommunity over de familienaam
v home.versatel.nl/vanduijvenboden
Mocht u nog een andere relevante link weten, voegt u deze
dan toe door hieronder op Add Your Own Link te klikken.
|
index – © Dirk
van Duijvenbode, Katwijk aan Zee (NL) – Laatste wijziging: |