De heer Nico van Dijk heeft ook een overzicht van de geschiedenis van Katwijk en de Rijnmond gemaakt. Deze tekst maakt deel uit van de geschiedschrijving van zijn familie, waarvan hij gegevens heeft kunnen terugvinden tot het begin van de 17de eeuw. Hieronder volgt een (licht bewerkte) versie van deze tekst, die hij mij bereidwillig ter beschikking heeft gesteld.
|
Z |
oals bekend stroomt de
Oude Rijn bij Katwijk aan Zee in de Noordzee. In het jongste
Tertiair en het oudste Quartair zaten het Europese continent en
Groot-Brittannië aan elkaar vast en liep de Rijn door tot waar nu (in de
Noordzee) ongeveer de Doggersbank ligt en vormde deze
daar met de Theems, de Schelde en de Maas een delta. Door de verhogingen
van de zeespiegel en de verschillende ijstijden werden de kustlijnen
teruggedrongen tot waar die nu ongeveer liggen. Zo’n
4.000 jaar voor Christus vormden zich door wind, door afzettingen van door zee
en rivieren aangedragen grond en door stuwingen strandwallen. Deze strandwallen
zijn nu terug te vinden achter de jonge duinen in Noord- en Zuid-Holland. Deze
grond noemt men de geestgronden (geest in de oorspronkelijke betekenis van
onvruchtbaar, droog). Door het afgraven van de oude duinen waarvan de boven
laag ontkalkt was, kwam betere kalkhoudende grond beschikbaar, bijvoorbeeld
voor de landbouw.
Rond de Rijnmonding
vestigden zich enkele duizenden jaren voor Christus volkeren, zoals de Germanen
en de Kelten, die leefden van de visvangst en van schamele landbouw.
De Bataven, die aan de
Rijn woonden, werden in 12 v.Chr. voor het eerst
genoemd, toen hun gebied deel uitmaakte van het Romeinse Rijk. Tussen 16 en 8 v.Chr. waren zij bondgenoten van de Romeinen. De Friezen
bewoonden de kuststrook van Brugge tot in Jutland reeds
ver voor het begin van onze jaartelling. De Rijn heeft eeuwenlang als
grensrivier (Limes) van het Romeinse Rijk gediend,
want reeds in 57 v.Chr. begon Caesar de stammen in het
noorden van Gallië te onderwerpen. Ten westen van de
Bataven woonde een Germaanse stam, de Canninefaten (kenheimzaten = duinbewoners), die zich aanvankelijk met de
Romeinen verzoenden (alhoewel zij in 4. n.Chr. door Tiberius werden onderworpen), maar zich in 69 n.Chr., onder
aanvoering van de Bataaf Julius Civilus (Vondel
noemde hem: Nicolaas Burgerhart) bij de Friezen, Bataven en andere Germaanse en
Gallische stammen aansloten om de Romeinen te verjagen. Hiermee maakte Germania Inferior zich los van
het Romeinse Rijk. De naam van de Canninefaten is
terug te vinden in de naam Kennemerland.
Ten westen en ten noorden
van Katwijk aan den Rijn zijn resten van bewoning uit de Romeinse tijd
aangetroffen. In 41-54 n.Chr. werd bij Valkenburg aan
de Rijnmond voor twee cohorten (= 12 man) Romeinse soldaten een kamp, “Praetorium Agrippinae” genaamd,
gebouwd. In 69 (zie hiervoor) werd het alweer door de Canninefaten
verwoest. In 117-138 richtte de Romeinse veldheer Hadrianus
het Forum Hadriani op als hoofdstad voor de civitas van de Canninefaten. Dit
Forum ligt in het huidige Voorburg. Ook ligt daar een overblijfsel van het
Romeinse castellum Arentsburg.
Voorts kan genoemd worden “Lugdunum
Batavorum”, een Romeinse legerplaats in de buurt van
het huidige Katwijk. De juiste locatie daarvan is nooit exact bekend geworden.
Ten westen van Katwijk aan
Zee, door het eeuwenlange afkalven van de zandkust nu in de Noordzee, moeten
resten liggen van een Romeinse burcht, de zogenaamde ‘Brittenburg’ of ‘het Huis
te Britten’; een rechthoekig bouwwerk met op de binnenplaats een grote
opslagplaats.
De burcht zou van rond 400
dateren en tot in de 18de eeuw bij zeer laag water waarneembaar zijn
geweest.
|
I |
n 690 landde Willibrord (een
Angelsaksische monnik uit het klooster Ripon, nu in Noord-Yorkshire) bij de Rijnmond om de Friezen te
kerstenen. Tot ongeveer het jaar 1000 vielen
(voornamelijk Deense) Vikingen regelmatig de kustgebieden aan. Nadat de
Vikingen wegbleven omdat zij hun (veroverings)heil elders gingen zoeken, nam de landbouw op de relatief
vruchtbare geestgronden toe. Nederzettingen als het huidige Rijnsburg
(Rinasburg), Katwijk, Voorburg, Valkenburg,
Scheveningen en zelfs Leiden werden pas tussen 900 en 1300 genoemd, maar
breidden zich in het begin van het tweede millennium uit tot heuse dorpen en
steden.
Van 885 tot 1433 heersten
de Graven van Holland (zoals Gerulf, Dirk I tot en
met VII, Floris I tot en met V en Willem I tot en met
VI) op de geestgronden. In 1133 werd in Rijnsburg
door Petronilla, de Saksische moeder van graaf
Dirk III van Holland, een nonnenklooster gesticht. Het gebied ontwikkelde
zich langzaam tot een vruchtbaar en economisch interessant gebied.
In 1274 was er een opstand
van de Kennemer boeren, die door Floris V werd
gesust.
In 1299 werden Holland en
Zeeland in een personele unie met Henegouwen verbonden. In die jaren bracht een
opvolgingskwestie grote problemen, die uitmondden in een strijd tussen
(stedelijke) aanhangers van de graven Willem III, Willem
IV en Willem V enerzijds en de Beierse familie van Margaretha, de zuster van
Willem IV en moeder van Willem V anderzijds. De Hoekse en Kabeljauwse Twisten
waren een feit (hoek = vanghaak ; kabeljauw = deel van
het wapen van Beieren). Diverse steden en dorpen sloten zich bij de partijen
aan. De twist werd in 1352 beëindigd met de overwinning de Kabeljauwen onder
leiding van Willem V.
Na de kerstening van het
Europese continent maakte Rome (lees: de Paus) de dienst uit. De toenmalige
katholieke kerk was een universele, algemene kerk, door Christus gesticht
(volgens de kerkelijke leer zelf) voor alle mensen ter wereld, met als
zichtbare vertegenwoordiger de Paus.
De hoge edelen, en dan met name de heersers, zoals de keizers, verdedigden, mede
vanwege het tevens opkomende kapitalisme, de katholieke leer. In het begin van
de 16de eeuw werd er door diverse intellectuelen geprotesteerd tegen
de sociale misstanden.
In 1519 maakte Maarten Luther (1483-1564) zijn 95 stellingen openbaar, waarmee de
reformatie werd ingezet. Verder roerde Menno Simonsz.
(1496-1561) zich, evenals de Zwitserse theologen Jean Calvin
(1509-1564) en Ulric Zwingli
(1484-1531).
Op de (Tweede) Rijksdag
van Spiers (Speyer) in 1529
werd er tegen de keizerlijke “Religionspolitik”
geprotesteerd. Door Evangelische vorsten werd het Protestantisme (afgeleid van Protestatio) op de Rijksdag ingebracht. Er ontstond een
geloofsstrijd in centraal Europa, waarbij krachtens de
Godsdienstvrede van Augsburg van 1555 de landsheer
het geloof, dat in zijn gebied mocht worden gepraktiseerd, bepaalde: “cuius regio, eius religio”. De meeste landsheren waren en bleven katholiek,
dus moest de bevolking ook katholiek zijn en blijven.
Het aantal hervormden in die tijd wordt echter nog
niet groot geacht. De Nederlands Hervormde kerk ziet zichzelf als de in de
dagen van de Reformatie hervormde nationale kerk van Christus in Nederland.
Tijdens het Convent van Wezel (1568) en de Synode van Emden
(1571) trad zij voor het eerst als kerk naar voren.
Mede door armoede en
hongersnood kwam rond 1565 een emigratiegolf op gang. Tevens ontvluchtten vele
Brabanders en Vlamingen hun gebied na de beeldenstorm
(door de calvinistische volksbeweging) van augustus 1566, die zich weliswaar
ook naar het noorden uitbreidde, maar steden als Haarlem, Dordrecht, Rotterdam
en Gouda spaarde. In maart/april 1567 werden zowat alle calvinistische kerken
gesloten en afgebroken. De katholieke Spaanse overheersing, gevolgd door een
vernietigende veldtocht van Hertog Alva, begon. In
december 1573 volgde de Spaanse blokkade van Leiden, werd Willem van Oranje
calvinist en verboden de Staten van Holland het katholicisme. Op 3 oktober 1574
werd Leiden ontzet.
De Unie van Utrecht (23
januari 1579) regelde de vrijheid van godsdienst in onder meer Holland, hetgeen het protestantiseringsproces
op gang hielp.
Na de capitulatie van
Antwerpen op 3 juli 1584 kwam een immigratiegolf op gang van vrijwel
uitsluitend protestantse Zuid-Nederlanders naar het noorden, overigens samen
met veel Portugese joden.
Deze volksverhuizing van
Zuid naar Noord, die in 1589 ten einde liep, liet in Vlaanderen hele leegten achter in de steden. Telde bijvoorbeeld Antwerpen
in 1585 nog 80.000 inwoners, in 1589 was dat aantal geslonken tot 42.000. In
Brugge stond de helft van alle huizen leeg, in Gent een derde. De komst van
zoveel Vlamingen leidde tot een opbloei van de Leidse textielnijverheid, die die van Gent in één klap overvleugelde.
In het tijdvak 1588-1598
ontstond de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De Spanjaarden rukten
weliswaar weer op naar het noorden, maar Prins Maurits dreef ze herhaaldelijk
terug.
Katwijk aan den Rijn,
Katwijk aan Zee en Valkenburg vormden één Nederduitse Gereformeerde Gemeente.
In 1599 werd Katwijk aan Zee zelfstandig en in 1619 verviel de combinatie Katwijk
aan den Rijn en Valkenburg.
De kerken (katholiek of hervormd) hielden vóór ongeveer 1600 geen
doopregisters bij, maar er waren wel lidmaatregisters en diverse registers van
eigendommen en bussen (de voorlopers van weduwe- en pensioenfondsen).
|
B |
ehalve van oorlogen en
andere conflicten hadden de bewoners van de Rijnmonding regelmatig te lijden
van epidemieën. Grote gebieden van Europa en Nederland hadden in de
Middeleeuwen, maar ook in de 16de, 17de en 18de
eeuw te lijden onder lepra (tot 1950 nog in IJsland voorkomend), pokken (door
de Saracenen in de 8ste eeuw naar Europa
gebracht; in 1772 en 1796 waren er zware epidemieën), pest (rond 1330 vanuit
Azië gebracht), polio, tuberculose, syfilis (door de Spaanse bezettingsmacht in
de 16de eeuw meegebracht; ook wel “Spaanse pokken” genoemd), cholera
(pas in de 19de eeuw naar Europa) en andere, zelfs
malaria-epidemieën. Rond 1700 was de gemiddelde levensverwachting ongeveer 37
jaar; in 1949 was dat ongeveer 66 jaar, nu boven de 78 jaar. Vanaf 1720 kon de
pokkenziekte worden bestreden en vanaf 1870 waren de meest voorkomende
besmettelijke ziekten, zoals tetanus, hondsdolheid ,
difterie en tyfus te bestrijden door de uitvinding van vaccins en de
ontwikkeling van de immunologie.
Ook plaatsen zoals Katwijk
en Scheveningen hadden vaak te lijden onder zeer zware epidemieën, die soms de
bevolking decimeerde.
De pest, ook bekend als de Zwarte Dood, regeerde in Noordwest-Europa
tussen 1347 en 1722 regelmatig. In genoemde periode vonden er 31 zware
epidemieën plaats. In de periode 1450-1668, dus 219 jaren, werd er in 107 jaren
in één of meer plaatsen de pest gemeld.
In 1573 (in verband met de
vele doden bij de slag om Haarlem door de Spaanse hertog Alva),
in 1636-1637 en in 1669-1670 werd ook de Rijnmond zwaar getroffen. In
laatstgenoemde jaren werden een paar duizend mensen in Leiden en omgeving
slachtoffer.
Overigens was scheurbuik
tot het eind van de 15de eeuw één van de grootste doodsoorzaken van
zeelieden.
In Katwijk rapporteerde
een geneeskundig inspecteur op 20 april 1866 het
eerste cholerageval. Het betrof een schipper die in Rotterdam had afgemeerd en
dezelfde avond in zijn huis in Katwijk overleed. Zijn kleding en beddengoed
werden meteen verbrand; dit geval werd niet door andere ziektegevallen gevolgd.
Op 1 juni waren drie Katwijkers uit geweest in Leiden, waar zij “veel eieren,
zuur en bier hadden genuttigd”, aldus de inspecteur. Zij bleken besmet te zijn
en stierven op respectievelijk 2 en 3 juli. In de wijken waar zij woonden - één van hen woonde in Katwijk aan
den Rijn, de twee anderen in Katwijk aan Zee - werden in de maand juni
dagelijks nieuwe gevallen gemeld.
De totale sterfte in
Katwijk in het jaar 1867 kwam op 1880 personen. Uit de bevolkingstelling van
1865 bleek dat Katwijk 5449 inwoners telde, hetgeen
betekent dat 34,5% van de totale bevolking tijdens de cholera-epidemie
gestorven is. Dit percentage ligt veel hoger dan het gemiddelde in de getroffen
gebieden. Alleen in enkele grote steden , zoals
Maastricht, Meppel en Amsterdam kwamen percentages van boven de 10% voor. De
hier beschreven cholera-epidemie was overigens de vijfde van de 19de
eeuw. In de jaren 1832-1833, 1848-1849, 1853-1854, 1855 en 1859 deden zich
eerder op landelijke schaal epidemieën voor. Ook in de jaren erna (1873 en
1884) kwam de epidemie weer terug.
Naast ziekten werden de
bewoners van Holland regelmatig getroffen door hongersnood. De zeer droge zomer
van 1590 leidde tot grote voedselschaarste. In 1745 leed door runderpest heel
Holland een zware hongersnood. En door diverse aardappelmisoogsten leden vele
Hollanders van 1845 tot 1848 hongersnood.
Behalve onder religieuze
twisten en vernietigende epidemieën, leed Holland ook onder oorlogen, als
gevolg van diverse oorzaken. Weliswaar werden die niet altijd in de Rijnmond
uitgevochten, maar leed de bevolking wel onder de overheersing of een
handelsblokkade. Na de Tachtigjarige Oorlog met Spanje (1568-1648) waren er nog
vier oorlogen met Engeland (1652-1654, 1665-1667, 1672-1674 en 1780-1784), die
hoofdzakelijk voor de Engelse kust werden beslecht, en één met Frankrijk
(1672-1678). Voorts is Nederland van 1810-1813 ingelijfd geweest
bij Frankrijk (krachtens het Decreet van Rambouillet
van 9 juli 1810). Naar aan leiding van dit decreet werd overigens ook de
burgerlijke stand in geheel Nederland ingevoerd.
|
D |
e data die hiervoor en
hierna genoemd worden behoren tot de zogenaamde Gregoriaanse kalender, die in
Holland en in Zeeland in 1582 werd ingevoerd, maar in andere delen van
Nederland pas later, zoals in Drenthe in 1701.
In de vorige eeuwen was
men als werknemer nagenoeg geheel onderworpen aan de wil van de werkgever. Pas
vanaf de 19de eeuw was er sprake van collectieve en/of persoonlijke
arbeidsovereenkomsten. Rond 1825 was een werkweek van 82 uur normaal. Alleen op
de zondag en enkele christelijke feestdagen was men vrij. In 1875 was de
werkweek geslonken tot gemiddeld 72 uur. Pas in het begin van de 20ste
eeuw kwam er een verbetering. Op basis van een internationaal verdrag dat in
Tot slot nog enkele
cijfers over de bevolking van Nederland. Aangezien het gebied dat nu tot het
Koninkrijk der Nederlanden behoort in vroegere eeuwen niet altijd of niet in het
geheel tot de Nederlanden behoorde zijn betrouwbare cijfers over
bevolkingsaantallen niet beschikbaar. Pas in de zomer van 1810 werd in
Nederland de burgerlijke stand ingevoerd, waardoor er een betrouwbaarder zicht
op de demografie van Nederland kwam.
Bevolking in Nederland (in miljoenen):
1622 0,672 (alleen Holland)*
1650 1,2*
1829 2,6
1840 2,8
1869 3,5
1898 5
1914 6
1930 7,9
1940 8,8
1948 9,5
1960 11
1998 15,7
2005 16,2
* schatting
|
Z |
oals hierboven reeds is aangegeven
zijn Katwijk aan Zee, Katwijk aan den Rijn en Rijnsburg
zeer oude nederzettingen. “Kat” in Katwijk wijst op de Katten of Chatten, een stam van de eerdergenoemde Canninefaten.
Men vindt die naam ook terug in bijvoorbeeld Kattendijke
(Zuid-Beveland) en in Katwoude (tussen Monnickendam
en Volendam). Oorspronkelijk schijnt deze stam uit Hessen te komen, aangezien
Tacitus ze noemt in de “Germania”. Het achtervoegsel
‘wijk’ zou betrekking hebben op ‘wijkplaatsen’, dus plaatsen waarnaar men
uitweek. Ook Noordwijk (het Noorder
Wijk der Katten) heeft zijn naam hieraan te danken. Een bekende Kat was Bato, de zoon van de koning der Katten, die gehuwd was met Richeldine, de dochter van Menapius,
Koning der Tongeren.
De Katten, de Hessen en de
Batavieren (of Bataven) schijnen, al vluchtend voor de naar het noorden
trekkende Romeinen, zich aan de monding van de Rijn (Insula
Batavorum) vlak voor de Romeinse tijd te hebben
gevestigd. De Rijnmonding moet de eerste eeuwen voor onze jaartelling een flink
bebost gebied geweest zijn. Een geschiedschrijver meldt dat in de jaren 857,
860 en 1170 er een zogenaamde Rijnstopping heeft plaats gehad, enerzijds door
slecht weer gepaard gaande met een vloedgolf vanuit zee, anderzijds door een
zeer hoge waterstand van de Rijn die vanuit Duitsland enorme hoeveelheden hout
meesleurde naar de Rijnmond. Met name dat hout (in het Duits Holz of Holt) is de naamgever geweest van het gewest
Holland.
Katwijk aan den Rijn
groeide in de 11de en 12de eeuw uit van pleisterplaats
bij een veer over de Oude Rijn tot dorp. De vroegste vermelding dateert van
Katwijk aan Zee groeide in
de 13de eeuw uit tot vissersdorp en werd in 1461 een zelfstandige
parochie. De Oude of Andreaskerk aan de Katwijkse boulevard dateert van rond 1480 (sommige bronnen
melden 1424) en was oorspronkelijk een katholieke kerk. Na de reformatie in de
16de eeuw werd het een protestantse kerk. De kerk werd in 1572 door
de Spanjaarden geplunderd. In 1574 werd zij herbouwd, in 1694 en in 1709
vergroot. Door de zware orkaan die op 29 november 1836 woedde werd de kerk zwaar
beschadigd. In 1925 werd zij nog eens gerestaureerd en in 1953 werd de
oorlogsschade hersteld. Aan de zuidzijde van Katwijk staat de oudste bakstenen
vuurtoren van Nederland, daterend van 1605. De (nu) hervorm de kerk in Katwijk
aan den Rijn dateert uit ongeveer 1300.
Vanaf omstreeks 1250 werd
in de mondingen van de Rijndelta de haringvisserij een belangrijke
beroepsvisserij, mede door de bevolkingsgroei in Vlaanderen en Holland. Rond
1490 kwam er een sterke bloei in de visserij. Uit een verzoekschrift van de Katwijkers aan Karel V, koning van Spanje, uit 1540, blijkt
dat er in die tijd 200 huizen in Katwijk stonden, waarvan er 150 werden bewoond
door vissers en de overige 50 door bakkers, schoenmakers, wagenmakers en andere
handwerklieden. Men had toen al 49 vissersvaartuigen.
Na de plunderingen door de
Spanjaarden omstreeks 1571-
In 1694 had Katwijk aan
den Rijn 208 huizen en Katwijk aan Zee 154 huizen.
In de eerste helft van de
17de eeuw kende de omgeving veel armoede. De eens zo vermaarde
Leidse textielindustrie verkeerde in die tijd in een slechte staat. Pas in de
19de eeuw ontstond er door gelijkstelling van de visserij in de
kustplaatsen en de ontwikkeling van het kusttoerisme een zekere opbloei. Tot ongeveer
1680 had de streek ook te lijden onder de diverse oorlogen (met Spanje en
Frankrijk) en geloofsrellen (met remonstranten). Van de economische bloei,
beter bekend als de Gouden Eeuw was in dit gewest niet zo veel te merken.
Vele Katwijkers
verdienden niet alleen hun brood met het vissen en de verkoop van vis, maar ook
met de verkoop van visingewanden. Deze werden ingekuild, veelal in de omgeving
van Katwijk aan den Rijn en Rijnsburg, en verkocht
aan de boeren in het Rijnland, die vlas, aardappelen en bloemkool verbouwden.
De rottende en hels stinkende ingewanden bleken uitstekende mest te zijn.
Overigens was deze handel ook een gevreesde bron voor ziekten en besmettingen.
In 1615 werd in Katwijk
aan Zee een weeshuis opgericht, omdat Lambrecht Dirksz.
op 14 oktober 1615 op zee verongelukte en een maand later zijn vrouw overleed
onder achterlating van 7 kinderen. Al in 1481 werd er een Heilige-Geesthuis
of Gasthuis (lees: ziekenhuis) opgericht, en wel door Hugo van Swieten en zijn vrouw Luitgard Klaasdochter van Boschhuizen. Het ziekenhuis telde slechts 3 bedden.
Pas van 1680 tot ongeveer
1702 was sprake van een duidelijke opleving. Daarna bleef de ontwikkeling van
het gebied achter. Ook geheel Holland bleef qua industriële ontwikkeling
overigens achter bij het buitenland. De accijnzen waren zeer hoog, waardoor de
lonen relatief hoog waren. De 18de eeuw werd geplaagd door
financiële crises in 1720, 1763 en 1772-1773 en de verarming nam toe. De
periode 1747-1780 kende een sterke opkomst van de patriottenbeweging. Na 1780
holde de economie in Noord-Nederland achteruit. Met name kwam na de vierde
Engelse Oorlog (1780-1784) en tijdens de Franse overheersing de visserij in
Holland bijna volledig stil te liggen. In die tijd mochten de vissers alleen
bij daglicht varen en vissen, waardoor men geen gelegenheid had om naar rijke
visgronden te varen.
Zoals eerder gemeld werden
de inwoners van Holland regelmatig door epidemieën getroffen. In 1625 heerste
er een zware pestepidemie; 56 huizen in Katwijk stonden leeg.
Uit de doop- en lijkboeken van de Katwijkse kerk
blijkt bijvoorbeeld dat in 1774 49 meisjes en 55 jongens werden gedoopt, maar
ook dat er 51 bejaarden en maar liefst 93 kinderen zijn overleden.
Ook in 1816 ging Katwijk
gebukt onder een epidemie. In de periode van 3 augustus tot en met
21 november 1832 werden 414 Katwijkers aangetast
door de cholera (of, zoals de ziekte toen genoemd werd, de Aziatische
Braakloop). Van het hiervoor genoemde aantal stierven er uiteindelijk 123.
Behalve met ziekten hadden
de Katwijkers te kampen met zwaar weer. De zogenaamde
Allerheiligenvloed in 1570 teisterde ook Katwijk. Kort na 1600 en in 1632 en
1634 woedden hevige stormen. Eerst 70, daarna nog eens 79 huizen werden door de
zee verwoest. In laatstgenoemd jaar verdwenen 33 huizen in de golven.
Op 8 augustus 1653 woedde
voor de kust van Katwijk een hevige zeeslag tussen de Hollanders (onder leiding
van admiraal Maarten Harpertsz. Tromp, die overigens
twee dagen later zou sneuvelen) en de Engelsen (onder leiding van admiraal George
Monk). Het gevecht, dat duurde tot één uur na
zonsondergang en geen winnaar opleverde, was zo fel dat in Katwijk sommige
huizen een kanonskogel door het dak kregen.
Ook in de oorlog met
Frankrijk, van 1690-1695, ging het soms te keer voor de kust. Men “leefde met
de visschersschuiten als met eene
speelbal (...) door welk een en ander groote sommen gelds verloren gingen”, aldus een geschiedschrijver.
In 1698 verongelukten 26
vissers op zee. In 1732 verdwenen na een storm maar liefst 294 huizen in de
golven.
In de 19de eeuw
verging het Katwijk beter. De mond van de Oude Rijn was verzand, waardoor op
21 oktober 1807 het
|
U |
it het Aardrijkskundig
Woordenboek der Nederlanden uit 1845 kunnen wij opmaken dat in dat jaar Katwijk
aan Zee 594 huizen omvatte, 11 bokkingrokerijen en ruim 3200 inwoners. Nagenoeg
alle inwoners waren hervormd. Er woonde slechts 1 Rooms-Katholieke
familie van 6 personen en 1 Israëlische (= joodse) familie van 4 personen.
In 1879 kwam er een kanaal
dat het dorp Katwijk aan Zee met het Rijnlands Kanaal verbond. Aansluitend kwam
er de langverwachte spoorverbinding met Leiden (1881). Tevens werd in juli 1878
besloten een Kamer van Koophandel op te richten. Het badhotel, daterend uit
1845, werd opgeknapt en uitgebreid, er kwam een waterleidingnet en zelfs een
openbare school, die de armenschool verving. In 1847 telde Katwijk één
dorpsschool met gemiddeld 190 leerlingen en één bijschool met 125 leerlingen.
In 1841 schreef F.J. de Vree, directeur “der inrigting van opvoeding en onderwijs” te Katwijk aan de
hoogleraar Matthijs Siegenbeek drie brieven over de
vrijheid van onderwijs en over een onderzoek naar de vraag “of de scholen
onchristelijk zijn”. Ten slotte werd door het droogvallen van de Haarlemmermeer
bemaling noodzakelijk, zodat in 1880 een stoomgemaal in werking werd gesteld.
Door de opkomst van het
toerisme en de uitbreiding van de visserij groeiden Katwijk aan Zee en Katwijk
aan den Rijn uit tot een moderne gemeente. Volgens de “Naamlijst voor den
Telefoondienst” van januari 1915 hadden toen 51 Katwijkers
al een telefoonaansluiting.
Na de Eerste Wereldoorlog
ontwikkelde Katwijk zich gestaag tot een belangrijke vissersplaats en een
bekend toeristenoord. Alleen in de Tweede Wereldoorlog kwam een hapering in die
ontwikkeling. Ruim 600 huizen aan zee worden gesloopt door de Duitse bezetters,
waardoor ongeveer 4.500 Katwijkers geëvacueerd
moesten worden. Zoals in zoveel kustplaatsen werd de kust door de Duitsers
ingericht als verdedigingswal en moesten al dan niet historische schatten
wijken.
|
index – © Dirk
van Duijvenbode, Katwijk aan Zee (NL) – Laatste
wijziging: 21.V.2006 |