www.dvd-web.eu

Home

Gastenboek

Geschiedenis

Juridisch

Katwijk

Klassieke muziek

De geslachtsnaam Van Duijvenbode

Tips

E-mail

Zoek

 

Inleiding

De geschiedenis

De straatnamen

De gemeenteraad

 

N. van Dijk: De geschiedenis van Katwijk

 

De heer Nico van Dijk heeft ook een overzicht van de geschiedenis van Katwijk en de Rijnmond gemaakt. Deze tekst maakt deel uit van de geschiedschrijving van zijn familie, waarvan hij gegevens heeft kunnen terugvinden tot het begin van de 17de eeuw. Hieronder volgt een (licht bewerkte) versie van deze tekst, die hij mij bereidwillig ter beschikking heeft gesteld.

 

 

Z

oals bekend stroomt de Oude Rijn bij Katwijk aan Zee in de Noordzee. In het jongste Tertiair en het oudste Quartair zaten het Europese continent en Groot-Brittannië aan elkaar vast en liep de Rijn door tot waar nu (in de Noordzee) ongeveer de Doggersbank ligt en vormde deze daar met de Theems, de Schelde en de Maas een delta. Door de verhogingen van de zeespiegel en de verschillende ijstijden werden de kustlijnen teruggedrongen tot waar die nu ongeveer liggen. Zo’n 4.000 jaar voor Christus vormden zich door wind, door afzettingen van door zee en rivieren aangedragen grond en door stuwingen strandwallen. Deze strandwallen zijn nu terug te vinden achter de jonge duinen in Noord- en Zuid-Holland. Deze grond noemt men de geestgronden (geest in de oorspronkelijke betekenis van onvruchtbaar, droog). Door het afgraven van de oude duinen waarvan de boven laag ontkalkt was, kwam betere kalkhoudende grond beschikbaar, bijvoorbeeld voor de landbouw.

Rond de Rijnmonding vestigden zich enkele duizenden jaren voor Christus volkeren, zoals de Germanen en de Kelten, die leefden van de visvangst en van schamele landbouw.

De Bataven, die aan de Rijn woonden, werden in 12 v.Chr. voor het eerst genoemd, toen hun gebied deel uitmaakte van het Romeinse Rijk. Tussen 16 en 8 v.Chr. waren zij bondgenoten van de Romeinen. De Friezen bewoonden de kuststrook van Brugge tot in Jutland reeds ver voor het begin van onze jaartelling. De Rijn heeft eeuwenlang als grensrivier (Limes) van het Romeinse Rijk gediend, want reeds in 57 v.Chr. begon Caesar de stammen in het noorden van Gallië te onderwerpen. Ten westen van de Bataven woonde een Germaanse stam, de Canninefaten (kenheimzaten = duinbewoners), die zich aanvankelijk met de Romeinen verzoenden (alhoewel zij in 4. n.Chr. door Tiberius werden onderworpen), maar zich in 69 n.Chr., onder aanvoering van de Bataaf Julius Civilus (Vondel noemde hem: Nicolaas Burgerhart) bij de Friezen, Bataven en andere Germaanse en Gallische stammen aansloten om de Romeinen te verjagen. Hiermee maakte Germania Inferior zich los van het Romeinse Rijk. De naam van de Canninefaten is terug te vinden in de naam Kennemerland.

Ten westen en ten noorden van Katwijk aan den Rijn zijn resten van bewoning uit de Romeinse tijd aangetroffen. In 41-54 n.Chr. werd bij Valkenburg aan de Rijnmond voor twee cohorten (= 12 man) Romeinse soldaten een kamp, “Praetorium Agrippinae” genaamd, gebouwd. In 69 (zie hiervoor) werd het alweer door de Canninefaten verwoest. In 117-138 richtte de Romeinse veldheer Hadrianus het Forum Hadriani op als hoofdstad voor de civitas van de Canninefaten. Dit Forum ligt in het huidige Voorburg. Ook ligt daar een overblijfsel van het Romeinse castellum Arentsburg. Voorts kan genoemd wordenLugdunum Batavorum”, een Romeinse legerplaats in de buurt van het huidige Katwijk. De juiste locatie daarvan is nooit exact bekend geworden.

Ten westen van Katwijk aan Zee, door het eeuwenlange afkalven van de zandkust nu in de Noordzee, moeten resten liggen van een Romeinse burcht, de zogenaamde ‘Brittenburg’ of ‘het Huis te Britten’; een rechthoekig bouwwerk met op de binnenplaats een grote opslagplaats.

De burcht zou van rond 400 dateren en tot in de 18de eeuw bij zeer laag water waarneembaar zijn geweest.

 

I

n 690 landde Willibrord (een Angelsaksische monnik uit het klooster Ripon, nu in Noord-Yorkshire) bij de Rijnmond om de Friezen te kerstenen. Tot ongeveer het jaar 1000 vielen (voornamelijk Deense) Vikingen regelmatig de kustgebieden aan. Nadat de Vikingen wegbleven omdat zij hun (veroverings)heil elders gingen zoeken, nam de landbouw op de relatief vruchtbare geestgronden toe. Nederzettingen als het huidige Rijnsburg (Rinasburg), Katwijk, Voorburg, Valkenburg, Scheveningen en zelfs Leiden werden pas tussen 900 en 1300 genoemd, maar breidden zich in het begin van het tweede millennium uit tot heuse dorpen en steden.

Van 885 tot 1433 heersten de Graven van Holland (zoals Gerulf, Dirk I tot en met VII, Floris I tot en met V en Willem I tot en met VI) op de geestgronden. In 1133 werd in Rijnsburg door Petronilla, de Saksische moeder van graaf Dirk III van Holland, een nonnenklooster gesticht. Het gebied ontwikkelde zich langzaam tot een vruchtbaar en economisch interessant gebied.

In 1274 was er een opstand van de Kennemer boeren, die door Floris V werd gesust.

In 1299 werden Holland en Zeeland in een personele unie met Henegouwen verbonden. In die jaren bracht een opvolgingskwestie grote problemen, die uitmondden in een strijd tussen (stedelijke) aanhangers van de graven Willem III, Willem IV en Willem V enerzijds en de Beierse familie van Margaretha, de zuster van Willem IV en moeder van Willem V anderzijds. De Hoekse en Kabeljauwse Twisten waren een feit (hoek = vanghaak ; kabeljauw = deel van het wapen van Beieren). Diverse steden en dorpen sloten zich bij de partijen aan. De twist werd in 1352 beëindigd met de overwinning de Kabeljauwen onder leiding van Willem V.

Na de kerstening van het Europese continent maakte Rome (lees: de Paus) de dienst uit. De toenmalige katholieke kerk was een universele, algemene kerk, door Christus gesticht (volgens de kerkelijke leer zelf) voor alle mensen ter wereld, met als zichtbare vertegenwoordiger de Paus.

De hoge edelen, en dan met name de heersers, zoals de keizers, verdedigden, mede vanwege het tevens opkomende kapitalisme, de katholieke leer. In het begin van de 16de eeuw werd er door diverse intellectuelen geprotesteerd tegen de sociale misstanden.

In 1519 maakte Maarten Luther (1483-1564) zijn 95 stellingen openbaar, waarmee de reformatie werd ingezet. Verder roerde Menno Simonsz. (1496-1561) zich, evenals de Zwitserse theologen Jean Calvin (1509-1564) en Ulric Zwingli (1484-1531).

Op de (Tweede) Rijksdag van Spiers (Speyer) in 1529 werd er tegen de keizerlijke “Religionspolitik” geprotesteerd. Door Evangelische vorsten werd het Protestantisme (afgeleid van Protestatio) op de Rijksdag ingebracht. Er ontstond een geloofsstrijd in centraal Europa, waarbij krachtens de Godsdienstvrede van Augsburg van 1555 de landsheer het geloof, dat in zijn gebied mocht worden gepraktiseerd, bepaalde: “cuius regio, eius religio”. De meeste landsheren waren en bleven katholiek, dus moest de bevolking ook katholiek zijn en blijven. Het aantal hervormden in die tijd wordt echter nog niet groot geacht. De Nederlands Hervormde kerk ziet zichzelf als de in de dagen van de Reformatie hervormde nationale kerk van Christus in Nederland. Tijdens het Convent van Wezel (1568) en de Synode van Emden (1571) trad zij voor het eerst als kerk naar voren.

Mede door armoede en hongersnood kwam rond 1565 een emigratiegolf op gang. Tevens ontvluchtten vele Brabanders en Vlamingen hun gebied na de beeldenstorm (door de calvinistische volksbeweging) van augustus 1566, die zich weliswaar ook naar het noorden uitbreidde, maar steden als Haarlem, Dordrecht, Rotterdam en Gouda spaarde. In maart/april 1567 werden zowat alle calvinistische kerken gesloten en afgebroken. De katholieke Spaanse overheersing, gevolgd door een vernietigende veldtocht van Hertog Alva, begon. In december 1573 volgde de Spaanse blokkade van Leiden, werd Willem van Oranje calvinist en verboden de Staten van Holland het katholicisme. Op 3 oktober 1574 werd Leiden ontzet.

De Unie van Utrecht (23 januari 1579) regelde de vrijheid van godsdienst in onder meer Holland, hetgeen het protestantiseringsproces op gang hielp.

Na de capitulatie van Antwerpen op 3 juli 1584 kwam een immigratiegolf op gang van vrijwel uitsluitend protestantse Zuid-Nederlanders naar het noorden, overigens samen met veel Portugese joden.

Deze volksverhuizing van Zuid naar Noord, die in 1589 ten einde liep, liet in Vlaanderen hele leegten achter in de steden. Telde bijvoorbeeld Antwerpen in 1585 nog 80.000 inwoners, in 1589 was dat aantal geslonken tot 42.000. In Brugge stond de helft van alle huizen leeg, in Gent een derde. De komst van zoveel Vlamingen leidde tot een opbloei van de Leidse textielnijverheid, die die van Gent in één klap overvleugelde.

In het tijdvak 1588-1598 ontstond de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De Spanjaarden rukten weliswaar weer op naar het noorden, maar Prins Maurits dreef ze herhaaldelijk terug.

Katwijk aan den Rijn, Katwijk aan Zee en Valkenburg vormden één Nederduitse Gereformeerde Gemeente. In 1599 werd Katwijk aan Zee zelfstandig en in 1619 verviel de combinatie Katwijk aan den Rijn en Valkenburg.

De kerken (katholiek of hervormd) hielden vóór ongeveer 1600 geen doopregisters bij, maar er waren wel lidmaatregisters en diverse registers van eigendommen en bussen (de voorlopers van weduwe- en pensioenfondsen).

 

B

ehalve van oorlogen en andere conflicten hadden de bewoners van de Rijnmonding regelmatig te lijden van epidemieën. Grote gebieden van Europa en Nederland hadden in de Middeleeuwen, maar ook in de 16de, 17de en 18de eeuw te lijden onder lepra (tot 1950 nog in IJsland voorkomend), pokken (door de Saracenen in de 8ste eeuw naar Europa gebracht; in 1772 en 1796 waren er zware epidemieën), pest (rond 1330 vanuit Azië gebracht), polio, tuberculose, syfilis (door de Spaanse bezettingsmacht in de 16de eeuw meegebracht; ook wel “Spaanse pokken” genoemd), cholera (pas in de 19de eeuw naar Europa) en andere, zelfs malaria-epidemieën. Rond 1700 was de gemiddelde levensverwachting ongeveer 37 jaar; in 1949 was dat ongeveer 66 jaar, nu boven de 78 jaar. Vanaf 1720 kon de pokkenziekte worden bestreden en vanaf 1870 waren de meest voorkomende besmettelijke ziekten, zoals tetanus, hondsdolheid , difterie en tyfus te bestrijden door de uitvinding van vaccins en de ontwikkeling van de immunologie.

Ook plaatsen zoals Katwijk en Scheveningen hadden vaak te lijden onder zeer zware epidemieën, die soms de bevolking decimeerde.

De pest, ook bekend als de Zwarte Dood, regeerde in Noordwest-Europa tussen 1347 en 1722 regelmatig. In genoemde periode vonden er 31 zware epidemieën plaats. In de periode 1450-1668, dus 219 jaren, werd er in 107 jaren in één of meer plaatsen de pest gemeld.

In 1573 (in verband met de vele doden bij de slag om Haarlem door de Spaanse hertog Alva), in 1636-1637 en in 1669-1670 werd ook de Rijnmond zwaar getroffen. In laatstgenoemde jaren werden een paar duizend mensen in Leiden en omgeving slachtoffer.

Overigens was scheurbuik tot het eind van de 15de eeuw één van de grootste doodsoorzaken van zeelieden.

In Katwijk rapporteerde een geneeskundig inspecteur op 20 april 1866 het eerste cholerageval. Het betrof een schipper die in Rotterdam had afgemeerd en dezelfde avond in zijn huis in Katwijk overleed. Zijn kleding en beddengoed werden meteen verbrand; dit geval werd niet door andere ziektegevallen gevolgd.

Op 1 juni waren drie Katwijkers uit geweest in Leiden, waar zij “veel eieren, zuur en bier hadden genuttigd”, aldus de inspecteur. Zij bleken besmet te zijn en stierven op respectievelijk 2 en 3 juli. In de wijken waar zij woonden - één van hen woonde in Katwijk aan den Rijn, de twee anderen in Katwijk aan Zee - werden in de maand juni dagelijks nieuwe gevallen gemeld.

De totale sterfte in Katwijk in het jaar 1867 kwam op 1880 personen. Uit de bevolkingstelling van 1865 bleek dat Katwijk 5449 inwoners telde, hetgeen betekent dat 34,5% van de totale bevolking tijdens de cholera-epidemie gestorven is. Dit percentage ligt veel hoger dan het gemiddelde in de getroffen gebieden. Alleen in enkele grote steden , zoals Maastricht, Meppel en Amsterdam kwamen percentages van boven de 10% voor. De hier beschreven cholera-epidemie was overigens de vijfde van de 19de eeuw. In de jaren 1832-1833, 1848-1849, 1853-1854, 1855 en 1859 deden zich eerder op landelijke schaal epidemieën voor. Ook in de jaren erna (1873 en 1884) kwam de epidemie weer terug.

Naast ziekten werden de bewoners van Holland regelmatig getroffen door hongersnood. De zeer droge zomer van 1590 leidde tot grote voedselschaarste. In 1745 leed door runderpest heel Holland een zware hongersnood. En door diverse aardappelmisoogsten leden vele Hollanders van 1845 tot 1848 hongersnood.

Behalve onder religieuze twisten en vernietigende epidemieën, leed Holland ook onder oorlogen, als gevolg van diverse oorzaken. Weliswaar werden die niet altijd in de Rijnmond uitgevochten, maar leed de bevolking wel onder de overheersing of een handelsblokkade. Na de Tachtigjarige Oorlog met Spanje (1568-1648) waren er nog vier oorlogen met Engeland (1652-1654, 1665-1667, 1672-1674 en 1780-1784), die hoofdzakelijk voor de Engelse kust werden beslecht, en één met Frankrijk (1672-1678). Voorts is Nederland van 1810-1813 ingelijfd geweest bij Frankrijk (krachtens het Decreet van Rambouillet van 9 juli 1810). Naar aan leiding van dit decreet werd overigens ook de burgerlijke stand in geheel Nederland ingevoerd.

 

D

e data die hiervoor en hierna genoemd worden behoren tot de zogenaamde Gregoriaanse kalender, die in Holland en in Zeeland in 1582 werd ingevoerd, maar in andere delen van Nederland pas later, zoals in Drenthe in 1701.

In de vorige eeuwen was men als werknemer nagenoeg geheel onderworpen aan de wil van de werkgever. Pas vanaf de 19de eeuw was er sprake van collectieve en/of persoonlijke arbeidsovereenkomsten. Rond 1825 was een werkweek van 82 uur normaal. Alleen op de zondag en enkele christelijke feestdagen was men vrij. In 1875 was de werkweek geslonken tot gemiddeld 72 uur. Pas in het begin van de 20ste eeuw kwam er een verbetering. Op basis van een internationaal verdrag dat in 1919 in Washington (ook door Nederland) werd ondertekend, trad op 1 november 1919 de Nederlandse Arbeidswet in werking, die voorschreef dat een werknemer in loondienst niet langer dan 8 uur per dag mocht werken. Tevens verbood deze wet de kinderarbeid. In 1961 werd de vijfdaagse werk week ingevoerd, hetgeen betekende dat men 5 dagen maximaal 9 uur per dag, dus in totaal 45 uur per week mocht werken. Het bovenstaande illustreert het aantal uren dat onze voorouders moesten werken voor vaak een schamel loon. Voorzieningen, zoals kantines, gratis drank (koffie en dergelijke) en zelfs verwarming (kolen/hout zelf meebrengen) bestonden niet.

Tot slot nog enkele cijfers over de bevolking van Nederland. Aangezien het gebied dat nu tot het Koninkrijk der Nederlanden behoort in vroegere eeuwen niet altijd of niet in het geheel tot de Nederlanden behoorde zijn betrouwbare cijfers over bevolkingsaantallen niet beschikbaar. Pas in de zomer van 1810 werd in Nederland de burgerlijke stand ingevoerd, waardoor er een betrouwbaarder zicht op de demografie van Nederland kwam.

 

Bevolking in Nederland (in miljoenen):

1622      0,672 (alleen Holland)*

1650     1,2*

1829     2,6

1840     2,8

1869     3,5

1898     5

1914      6

1930     7,9

1940     8,8

1948     9,5

1960     11

1998     15,7

2005     16,2

* schatting

 

Z

oals hierboven reeds is aangegeven zijn Katwijk aan Zee, Katwijk aan den Rijn en Rijnsburg zeer oude nederzettingen. “Kat” in Katwijk wijst op de Katten of Chatten, een stam van de eerdergenoemde Canninefaten. Men vindt die naam ook terug in bijvoorbeeld Kattendijke (Zuid-Beveland) en in Katwoude (tussen Monnickendam en Volendam). Oorspronkelijk schijnt deze stam uit Hessen te komen, aangezien Tacitus ze noemt in de “Germania”. Het achtervoegsel ‘wijk’ zou betrekking hebben op ‘wijkplaatsen’, dus plaatsen waarnaar men uitweek. Ook Noordwijk (het Noorder Wijk der Katten) heeft zijn naam hieraan te danken. Een bekende Kat was Bato, de zoon van de koning der Katten, die gehuwd was met Richeldine, de dochter van Menapius, Koning der Tongeren.

De Katten, de Hessen en de Batavieren (of Bataven) schijnen, al vluchtend voor de naar het noorden trekkende Romeinen, zich aan de monding van de Rijn (Insula Batavorum) vlak voor de Romeinse tijd te hebben gevestigd. De Rijnmonding moet de eerste eeuwen voor onze jaartelling een flink bebost gebied geweest zijn. Een geschiedschrijver meldt dat in de jaren 857, 860 en 1170 er een zogenaamde Rijnstopping heeft plaats gehad, enerzijds door slecht weer gepaard gaande met een vloedgolf vanuit zee, anderzijds door een zeer hoge waterstand van de Rijn die vanuit Duitsland enorme hoeveelheden hout meesleurde naar de Rijnmond. Met name dat hout (in het Duits Holz of Holt) is de naamgever geweest van het gewest Holland.

Katwijk aan den Rijn groeide in de 11de en 12de eeuw uit van pleisterplaats bij een veer over de Oude Rijn tot dorp. De vroegste vermelding dateert van 1231, in een charter van Floris IV. Uit die tijd stamt ook de oprichting van het Hoogheemraadschap Rijnland, getuige het “Regestenboek” (= oorkondenboek) dat de periode van april 1253 tot en met oktober 1814 beslaat.

Katwijk aan Zee groeide in de 13de eeuw uit tot vissersdorp en werd in 1461 een zelfstandige parochie. De Oude of Andreaskerk aan de Katwijkse boulevard dateert van rond 1480 (sommige bronnen melden 1424) en was oorspronkelijk een katholieke kerk. Na de reformatie in de 16de eeuw werd het een protestantse kerk. De kerk werd in 1572 door de Spanjaarden geplunderd. In 1574 werd zij herbouwd, in 1694 en in 1709 vergroot. Door de zware orkaan die op 29 november 1836 woedde werd de kerk zwaar beschadigd. In 1925 werd zij nog eens gerestaureerd en in 1953 werd de oorlogsschade hersteld. Aan de zuidzijde van Katwijk staat de oudste bakstenen vuurtoren van Nederland, daterend van 1605. De (nu) hervorm de kerk in Katwijk aan den Rijn dateert uit ongeveer 1300.

Vanaf omstreeks 1250 werd in de mondingen van de Rijndelta de haringvisserij een belangrijke beroepsvisserij, mede door de bevolkingsgroei in Vlaanderen en Holland. Rond 1490 kwam er een sterke bloei in de visserij. Uit een verzoekschrift van de Katwijkers aan Karel V, koning van Spanje, uit 1540, blijkt dat er in die tijd 200 huizen in Katwijk stonden, waarvan er 150 werden bewoond door vissers en de overige 50 door bakkers, schoenmakers, wagenmakers en andere handwerklieden. Men had toen al 49 vissersvaartuigen.

Na de plunderingen door de Spanjaarden omstreeks 1571-1575 in de kustdorpen van Holland werd in de 16de en de 17de eeuw de visserij een belangrijke bron van inkomsten aan de Hollandse - en Zuiderzeekust. Volgens een Vlaamse schrijver is de uitvinder van het haringkaken, dat rond 1400 voor het eerst werd toegepast, ene Willem Beukelszoon uit Biervliet, maar dit is nooit bewezen. Bekend is dat men aan de Oostzeekust vóór 1400 reeds haring kaakte; het zouten van de haring dateert van eerdere datum. Overigens bracht de visvangst in Katwijk en Scheveningen niet veel op vanwege het kaakmonopolie van de Maassteden.

In 1694 had Katwijk aan den Rijn 208 huizen en Katwijk aan Zee 154 huizen.

In de eerste helft van de 17de eeuw kende de omgeving veel armoede. De eens zo vermaarde Leidse textielindustrie verkeerde in die tijd in een slechte staat. Pas in de 19de eeuw ontstond er door gelijkstelling van de visserij in de kustplaatsen en de ontwikkeling van het kusttoerisme een zekere opbloei. Tot ongeveer 1680 had de streek ook te lijden onder de diverse oorlogen (met Spanje en Frankrijk) en geloofsrellen (met remonstranten). Van de economische bloei, beter bekend als de Gouden Eeuw was in dit gewest niet zo  veel te merken.

Vele Katwijkers verdienden niet alleen hun brood met het vissen en de verkoop van vis, maar ook met de verkoop van visingewanden. Deze werden ingekuild, veelal in de omgeving van Katwijk aan den Rijn en Rijnsburg, en verkocht aan de boeren in het Rijnland, die vlas, aardappelen en bloemkool verbouwden. De rottende en hels stinkende ingewanden bleken uitstekende mest te zijn. Overigens was deze handel ook een gevreesde bron voor ziekten en besmettingen.

In 1615 werd in Katwijk aan Zee een weeshuis opgericht, omdat Lambrecht Dirksz. op 14 oktober 1615 op zee verongelukte en een maand later zijn vrouw overleed onder achterlating van 7 kinderen. Al in 1481 werd er een Heilige-Geesthuis of Gasthuis (lees: ziekenhuis) opgericht, en wel door Hugo van Swieten en zijn vrouw Luitgard Klaasdochter van Boschhuizen. Het ziekenhuis telde slechts 3 bedden.

Pas van 1680 tot ongeveer 1702 was sprake van een duidelijke opleving. Daarna bleef de ontwikkeling van het gebied achter. Ook geheel Holland bleef qua industriële ontwikkeling overigens achter bij het buitenland. De accijnzen waren zeer hoog, waardoor de lonen relatief hoog waren. De 18de eeuw werd geplaagd door financiële crises in 1720, 1763 en 1772-1773 en de verarming nam toe. De periode 1747-1780 kende een sterke opkomst van de patriottenbeweging. Na 1780 holde de economie in Noord-Nederland achteruit. Met name kwam na de vierde Engelse Oorlog (1780-1784) en tijdens de Franse overheersing de visserij in Holland bijna volledig stil te liggen. In die tijd mochten de vissers alleen bij daglicht varen en vissen, waardoor men geen gelegenheid had om naar rijke visgronden te varen.

Zoals eerder gemeld werden de inwoners van Holland regelmatig door epidemieën getroffen. In 1625 heerste er een zware pestepidemie; 56 huizen in Katwijk stonden leeg.

Uit de doop- en lijkboeken van de Katwijkse kerk blijkt bijvoorbeeld dat in 1774 49 meisjes en 55 jongens werden gedoopt, maar ook dat er 51 bejaarden en maar liefst 93 kinderen zijn overleden.

Ook in 1816 ging Katwijk gebukt onder een epidemie. In de periode van 3 augustus tot en met 21 november 1832 werden 414 Katwijkers aangetast door de cholera (of, zoals de ziekte toen genoemd werd, de Aziatische Braakloop). Van het hiervoor genoemde aantal stierven er uiteindelijk 123.

Behalve met ziekten hadden de Katwijkers te kampen met zwaar weer. De zogenaamde Allerheiligenvloed in 1570 teisterde ook Katwijk. Kort na 1600 en in 1632 en 1634 woedden hevige stormen. Eerst 70, daarna nog eens 79 huizen werden door de zee verwoest. In laatstgenoemd jaar verdwenen 33 huizen in de golven.

Op 8 augustus 1653 woedde voor de kust van Katwijk een hevige zeeslag tussen de Hollanders (onder leiding van admiraal Maarten Harpertsz. Tromp, die overigens twee dagen later zou sneuvelen) en de Engelsen (onder leiding van admiraal George Monk). Het gevecht, dat duurde tot één uur na zonsondergang en geen winnaar opleverde, was zo fel dat in Katwijk sommige huizen een kanonskogel door het dak kregen.

Ook in de oorlog met Frankrijk, van 1690-1695, ging het soms te keer voor de kust. Men “leefde met de visschersschuiten als met eene speelbal (...) door welk een en ander groote sommen gelds verloren gingen”, aldus een geschiedschrijver.

In 1698 verongelukten 26 vissers op zee. In 1732 verdwenen na een storm maar liefst 294 huizen in de golven.

In de 19de eeuw verging het Katwijk beter. De mond van de Oude Rijn was verzand, waardoor op 21 oktober 1807 het 11 kilometer lange Katwijks Kanaal werd geopend. Dit kanaal was reeds sedert 1404 een discussiepunt. Pas op 26 maart 1571 begon men te graven aan een verbinding tussen de Oude Rijn en de Noordzee. Op 1 april 1572 werd het geopend, maar het resultaat verzandde spoedig.

 

U

it het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden uit 1845 kunnen wij opmaken dat in dat jaar Katwijk aan Zee 594 huizen omvatte, 11 bokkingrokerijen en ruim 3200 inwoners. Nagenoeg alle inwoners waren hervormd. Er woonde slechts 1 Rooms-Katholieke familie van 6 personen en 1 Israëlische (= joodse) familie van 4 personen.

In 1879 kwam er een kanaal dat het dorp Katwijk aan Zee met het Rijnlands Kanaal verbond. Aansluitend kwam er de langverwachte spoorverbinding met Leiden (1881). Tevens werd in juli 1878 besloten een Kamer van Koophandel op te richten. Het badhotel, daterend uit 1845, werd opgeknapt en uitgebreid, er kwam een waterleidingnet en zelfs een openbare school, die de armenschool verving. In 1847 telde Katwijk één dorpsschool met gemiddeld 190 leerlingen en één bijschool met 125 leerlingen. In 1841 schreef F.J. de Vree, directeur “der inrigting van opvoeding en onderwijs” te Katwijk aan de hoogleraar Matthijs Siegenbeek drie brieven over de vrijheid van onderwijs en over een onderzoek naar de vraag “of de scholen onchristelijk zijn”. Ten slotte werd door het droogvallen van de Haarlemmermeer bemaling noodzakelijk, zodat in 1880 een stoomgemaal in werking werd gesteld.

Door de opkomst van het toerisme en de uitbreiding van de visserij groeiden Katwijk aan Zee en Katwijk aan den Rijn uit tot een moderne gemeente. Volgens de “Naamlijst voor den Telefoondienst” van januari 1915 hadden toen 51 Katwijkers al een telefoonaansluiting.

Na de Eerste Wereldoorlog ontwikkelde Katwijk zich gestaag tot een belangrijke vissersplaats en een bekend toeristenoord. Alleen in de Tweede Wereldoorlog kwam een hapering in die ontwikkeling. Ruim 600 huizen aan zee worden gesloopt door de Duitse bezetters, waardoor ongeveer 4.500 Katwijkers geëvacueerd moesten worden. Zoals in zoveel kustplaatsen werd de kust door de Duitsers ingericht als verdedigingswal en moesten al dan niet historische schatten wijken.

 

index – © Dirk van Duijvenbode, Katwijk aan Zee (NL) – Laatste wijziging: 21.V.2006