Voorganger: Bruno Nagel
Organist: Keers Mijderwijk
Voor
de dienst afkondigingen en vooroefenen.
Aan de
vlam van de Paaskaars worden de lichten op tafel aangestoken

Ingangspsalm (de gemeente gaat zitten)

Gij al Gods bondgenoten, / ziet naar zijn toekomst uit!
De HEER is vast besloten / tot goedertierenheid!
Hoort aan de goede tijding: / Hij geeft in zijn geduld
aan Israël bevrijding / van onrecht en van schuld.
Voorg:
Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld,
....
En
laten wij Zijn Naam prijzen,
want
Zijn barmhartigheid heeft geen einde.
Zondagsgebed
....door
Jezus Christus onze Heer. Gem.:
Amen.
Dienst
van het Woord
1 De HEER zei tegen Abram: ‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen.
2 Ik zal je tot een groot volk maken,
ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven,
een bron van zegen zul je zijn.
3 Ik zal zegenen wie jou zegenen,
wie jou bespot, zal ik vervloeken.
Alle volken op aarde zullen wensen
gezegend te worden als jij.’
4 (4–5) Abram ging uit Charan weg, zoals de HEER hem had opgedragen. Hij was toen vijfenzeventig jaar. Hij nam zijn vrouw Sarai mee en Lot, de zoon van zijn broer, en ook alle bezittingen die ze hadden verworven en de slaven en slavinnen die ze in Charan hadden verkregen. Zo gingen ze op weg naar Kanaän. Toen ze daar waren aangekomen,
5
6 trok Abram het land door tot aan de eik van More, bij Sichem. In die tijd werd het land bewoond door de Kanaänieten.
7 Maar de HEER verscheen aan Abram en zei: ‘Ik zal dit land aan jouw nakomelingen geven.’ Toen bouwde Abram op die plaats een altaar voor de HEER, die aan hem verschenen was.
8 Daarvandaan trok hij naar het bergland dat oostelijk van Betel ligt, en ergens ten oosten van Betel en ten westen van Ai sloeg hij zijn tent op. Hij bouwde er een altaar voor de HEER en riep er zijn naam aan.
Gez.3: 1,2,3,6

Uit Oer is hij getogen
ten antwoord op een stem,
die riep hem uit den hoge
op naar Jeruzalem.
En allen die geloven
zijn Abrahams geslacht,
geboren uit den hoge,
getogen uit de nacht.
Uit Abraham geboren
die zo gezworven heeft
is, wie om God te horen
gestorven is en leeft:
het volk van de profeten,
de stam van het verbond,
het volk dat hier beneden
de stem van God verstond.
En allen die geloven
zijn Abrahams geslacht,
geboren uit den hoge,
getogen uit de nacht.
De stad die zij verbeiden
die staat in wit en goud
aan 't einde van de tijden
voor iedereen gebouwd.
Epistellezing:
3 Ik dank mijn God altijd wanneer ik aan u denk,
4 telkens wanneer ik voor u allen bid. Dat doe ik vol vreugde,
5 omdat u vanaf de eerste dag tot nu toe hebt bijgedragen aan de verspreiding van het evangelie.
6 Ik ben ervan overtuigd dat hij die dit goede werk bij u begonnen is, het ook zal voltooien op de dag van Christus Jezus.
7 Het spreekt vanzelf dat ik zo over u denk, want u allen ligt me na aan het hart. U hebt immers allen deel aan de genade die mij geschonken is, of ik nu gevangen zit of de waarheid van het evangelie verdedig.
8 God kan getuigen dat ik naar u allen verlang met de genegenheid van Christus Jezus.
9 En ik bid dat uw liefde blijft groeien door inzicht en fijnzinnigheid,
10 zodat u kunt onderscheiden waar het op aankomt. Dan zult u op de dag van Christus zuiver en onberispelijk zijn,
11 vol van de vruchten van de gerechtigheid, die u dankt aan Jezus Christus, tot lof en eer van God.
Aankondiging
van de Evangelielezing (Gem.
gaat staan)
Evangelielezing: Lucas 19: 1-10 (NBV)
1 Jezus ging Jericho in en trok door de stad.
2 Er was daar een man die Zacheüs heette, een rijke hoofdtollenaar.
3 Hij wilde Jezus zien, om te weten te komen wat voor iemand het was, maar dat lukte hem niet vanwege de menigte, want hij was klein van stuk.
4 Daarom liep hij snel vooruit en klom in een vijgenboom om Jezus te kunnen zien wanneer hij voorbijkwam.
5 Toen Jezus daar langskwam, keek hij naar boven en zei: ‘Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet ik in jouw huis verblijven.’
6 Zacheüs kwam meteen naar beneden en ontving Jezus vol vreugde bij zich thuis.
7 Allen die dit zagen, zeiden morrend tegen elkaar: ‘Hij is het huis van een zondig mens binnengegaan om onderdak te vinden voor de nacht.’
8 Maar Zacheüs was gaan staan en zei tegen de Heer: ‘Kijk, Heer, de helft van mijn bezittingen geef ik aan de armen, en als ik iemand iets heb afgeperst vergoed ik het viervoudig.’
9 Jezus zei tegen hem: ‘Vandaag is dit huis redding ten deel gevallen, want ook hij is een zoon van Abraham.
10 De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.’
gevolgd door de acclamatie:

De
gemeente gaat zitten.

Jezus die langs de straten kwam
en tollenaars terzijde nam:
`k Wil in uw woning wezen
voor nu en voor nadezen', -
Hij komt misschien vandaag voorbij
en neemt ook u terzij of mij
en vraagt ons, Hem te geven
de rijkdom van ons leven.
Christus die door de wereld gaat
verheft zijn stem niet op de straat,
Hij spreekt ons hart aan, heden,
en wenkt ons met zich mede.
En lokt ook nog zoveel ons aan,
tot wie zouden wij anders gaan?
Hij heeft en zal ons geven
alles, - het eeuwig leven.
Gemeente van de Heer, lieve mensen,
Vandaag staan we stil bij de verandering die God kan brengen in het leven van mensen: een nieuw levensperspectief. We horen het verhaal van Abram die op weg gaat, en van Zacheüs die door zijn ontmoeting met Jezus een ander mens wordt. En tussen die twee verhalen horen wij een woord dat Paulus schreef ter bemoediging van de gemeente van Filippi. Ook Paulus' leven was radicaal veranderd door zijn ontmoeting met Jezus. En al zat hij nu gevangen omwille van het evangelie, hij was toch een vrij mens geworden. En hij laat de Filippenzen delen in de vruchten van zijn bekering.
Maar het meest pregnant zijn vandaag de figuren van Abram en Zacheüs aanwezig. Bij het horen van verhalen over hen is het niet zozeer de bedoeling dat wij geraakt worden door wat hún overkomen is, hoe zíj Gods uitnodiging hebben gehoord en opgepakt. Dat is wel goed, maar wij mogen deze verhalen óók lezen omdat ze op óns slaan. Ze hebben ons iets te zeggen over onszèlf, over hoe God óns uitnodigt en op een nieuw spoor zet.
Abram wordt door God op een nieuw spoor gezet: trek weg uit je land, laat je vertrouwde omgeving los en ga op weg in het ongewisse; maar vertrouw dat ik, God, je zal leiden naar een nieuw land dat ik je zal wijzen. Een land waar je zult groeien en gedijen, waar je een groot volk zult worden. En Abram gíng op weg, puur op vertrouwen, en zo is hij de 'vader van alle gelovigen' geworden, de vader van allen die op God hun vertrouwen stellen. - Je zou het verhaal van Abram ook kunnen horen als een vraag aan ons, aan jou en mij: waar roept God míj van weg? Waar zou voor míj het beloofde land kunnen zijn? Welke kant moet ik op met mijn leven (ook door woestijnen en onzekerheden heen, en langs onveilige routes)? Vertrouw ik me toe aan de weg die God mij zo wijst? En: in welke zin kan ook ik 'een groot volk' worden? Een mens die vruchtbaar is in het leven van veel andere mensen? Je kunt daar best een tijdje bij stil staan.
Een verduidelijking kan jouw 'weg' krijgen als je stilstaat bij het verhaal van Zacheüs' ontmoeting met Jezus. Het is een overbekend verhaal, maar ik ervaar het iedere keer opnieuw als een opwekkend verhaal, als een appèl aan mijzelf. Iedere keer als ik me er in verdiep, geeft het me iets. Ik herken iets van mezelf in Zacheüs, dat kleine mannetje, dat niet erg geacht wordt omdat hij zo zijn streken heeft, en dat eigenlijk ook geen hoge dunk heeft van zichzelf. En tóch: hij heeft gehoord dat Jezus voorbij zal komen en het verlangen is bij hem wakker geworden om die wonderlijke man te zien. 'Om te weten te komen wat voor iemand [Jezus] was', staat er (3a). Het verlangen om Jezus te leren kennen is een wonderlijke drijfveer. Een klein zaadje dat op de een of andere manier in zijn hart gezaaid is, en dat nu gaat ontkiemen. En hoe zal hij Jezus leren kennen…!
Het verhaal gaat in prachtige 'shots' verder. Je kunt het vóór je zien. Zacheüs is te klein. De andere mensen, 'de menigte, is groter en staat hem in de weg.(3b) Hij rent snel vooruit - hoor hoe wonderlijk vaak in dit verhaal alles snel gedaan wordt: het is nú het moment, nú komt het er op aan! - hij rent snel vooruit en klimt in een soort vijgenboom. Zo kan hij Jezus zien op het moment dat hij langs komt. (4) Het is een gekke plek: hij zit wat hoger dan de menigte; dat past wel bij zijn status als rijke hoofdtollenaar. Maar misschien zit hij er ook wel veiliger, verstopt achter zijn vijgenbladeren, zodat hij niet hoeft te laten zien waarvoor hij zich eigenlijk schaamt…. Dat kleine miezerige mannetje wil Jezus wel zien, maar hij wil zèlf liever niet gezien worden.
En dan komt Jezus langs, en hij merkt dat mannetje daar boven in de boom op. (5a) Jezus ziet in één oogopslag wat er met hem aan de hand is. En hoor, hoe Jezus op hem reageert. Hij zegt niet: 'Daar heb je nou die oplichter!' En ook niet: 'Mannetje: als jij je leven niet gauw betert, loopt het slecht met je af.' Hij geeft hem niet op zijn kop, en dreigt niet. Zoiets helpt ook niet echt. Zo komt een mens meestal niet op een nieuw spoor. Jezus is geen boze, moraliserende wereld- en mensenverbeteraar.
In plaats daarvan kijkt hij naar boven (er zit bijna een soort humor in de tekst), en zegt: 'Zacheüs, kom vlug [uit je boom] naar beneden, want vandaag moet ik in jouw huis verblijven.'(5b) Daar heb je het weer: 'vandaag'. Het gebeurt nú. En hij zegt: 'ik moet vandaag in jouw huis verblijven': niet om hem te dwingen, maar er klinkt iets in door van: dit is voorbestemd, Gods bedoeling met jou zit hier achter. Het is niet zo toevallig dat ik jou op het oog heb: Gód heeft jou op het oog en nu is het moment om daarop in te gaan. Jezus voelt dat aan. Hij voelt zich geroepen om in Zacheüs' huis te verblijven.
De volgende scène gaat heel snel: 'Zacheüs kwam meteen naar beneden [uit zijn boom] en ontving Jezus vol vreugde bij zich thuis.' (6) Hij komt snel naar beneden en zet meteen de volgende stap: hij ontvangt Jezus in zijn huis. Jezus wil bij hem, in zijn leefsfeer vertoeven, en Zacheüs laat hem meteen binnen en 'ontvangt hem vol vreugde in zijn huis'. Beschouwt hij het als een eer? Krijgt hij dus toch de erkenning waar hij eigenlijk zo om verlegen zat? Het vervolg laat zien dat er van eer en erkenning in de gewone zin niks komt. Misschien gaat het wel om een andere, minder berekende, en meer spontane vreugde….?
En nu horen we de stem van de menigte (7), van 'allen die dit zagen' gebeuren: 'Hij is het huis van een zondig mens binnengegaan om onderdak te vinden voor de nacht'! Ze hebben hun oordeel over Zacheüs al klaar: die hoofdtollenaar is een zondig mens, hij spant samen met de bezetters, de Romeinen, en hij perst andere mensen af. En zie je wel: die Jezus deugt ook al niet: hij zou net zo goed buiten kunnen slapen - dat deed hij immers vaak genoeg, en hij gaat er prat op dat hij 'geen steen heeft om zijn hoofd op neer te leggen'! Maar in plaats daarvan zoekt hij onderdak in de luxe van het huis van die afzetter, dat verachtelijke mannetje dat rijk geworden is over de ruggen van anderen! - De 'menigte' vertegenwoordigt de stem, die zegt dat er eigenlijk niks kan veranderen (een voor ons ook herkenbare stem?): de mensen deugen niet, en hoe zou Jezus dan wel kunnen deugen?
Maar de tekst valt nu ook letterlijk met de deur in huis: we zijn ineens in de binnenkamer van Zacheüs' huis en daar gebeurt iets héél anders. Zacheüs 'is gaan staan', zegt de tekst (8). Hij staat ineens rechtop en is een ander mens geworden. In Zacheüs is een stukje 'opstanding' aan het werk. Hij is gaan staan en kijkt Jezus recht in de ogen. Hij laat Jezus' liefdevolle blik tot zich doordringen en er komt een heel nieuw antwoord uit zijn mond. Hij zegt tegen Jezus (die nu voor het eerst in deze tekst 'Heer' wordt genoemd): 'Kijk, Heer, de helft van mijn bezittingen geef ik aan de armen, en als ik iemand iets heb afgeperst, vergoed ik het viervoudig…'! Een radicale ommekeer.
En dan zegt Jezus tegen hem:'Vandaag is dit huis redding ten deel gevallen, want ook híj is een zoon van Abraham.'(9). Ook Zacheüs laat zijn oude patronen en zekerheden los, en hij doet het spontaan, en van binnen uit. Hij zet een stap op een voor hem onbekende weg: hij wordt een eerlijk en rechtschapen mens, met alle onzekerheden van dien. Zijn naam betekende altijd al iets als 'rechtvaardige'.Tot nu toe leek die naam eerder een vlag op een modderschuit, of diende zij om zijn onrechtvaardige gedrag te verdoezelen.. Maar nu blijkt het zijn ware naam te zijn. Hij begint een nieuw leven van vertrouwen en niet van inhaligheid. De ontmoeting met Jezus maakt dat in hem wakker. De ontmoeting met Jezus kan een mens van binnenuit veranderen. Jezus roept in Zacheüs diens ware aard wakker.
De tekst sluit af met een formulering die ons herinnert aan de vergelijking met de goede herder die het ene verloren schaap zoekt en vindt: 'De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.'(10)
Het verhaal is zeker ook opgetekend met een schuin oog naar het leven van de gemeente na Pasen en Pinksteren, die kon beleven dat de opgestane Jezus langs kwam en in hun huis wilde verblijven, en ook zo in het leven van iedere mens afzonderlijk wil verblijven, iedere mens zo uit zijn of haar boom naar beneden roept om in diens 'huis 'te verblijven. Zo kun je het ook bemediteren en toepassen op het leven van de gemeente nu, en ook op je eigen leven.
Ik geef maar wat voorbeelden. Het is misschien teveel tegelijk. Het gaat er om dat Jezus ieder van ons wil ontmoeten, zoals hij Zacheüs tegemoet kwam.
Wie is de Zacheüs in mij? Wat is mijn kleinheid? Hoe speelt mijn kleinheid een rol in de manier waarop ik Jezus zoek? Wat is de 'boom' waarin ik klim? Wat verberg ik daar liever voor anderen? Wil ik Jezus echt wel zien? Wil ik echt weten wie hij is? Wil ik hem wel ontmoeten? Of verwacht ik dat hij mijn net zo veroordeelt en minacht als anderen mij veroordelen of minachten, en ik misschien ook mijzelf veroordeel of minacht? Wanneer komt Jezus voorbij, en zit ik dan op de uitkijk? Komt hij misschien ook in een andere mens voorbij of in de 'minsten van de mensen'? Kan ik ook míj laten zeggen: 'Kom uit je boom naar beneden', en: 'vandaag moet ik in jouw huis verblijven?' Hoe voelt het als ik me indenk, dat Jezus dat zou zeggen? Wat betekent het voor mij als Jezus in mijn huis, in mijn leven wil verblijven? Zijn er dingen in mijn leven die ik als 'verloren' beschouw en vertrouw ik er op dat híj die kan 'redden'?
Wat is vandaag voor mij zijn uitnodiging om een 'zoon' of 'dochter van Abraham' te zijn, om de weg van vertrouwen te gaan, en mijn ware naam, mijn ware aard wakker te laten worden?
Vandaag wil hij in jouw en in ons huis verblijven. Laat hem tot je toe. Hij zal niet zeggen dat je moet veranderen. Maar je zult merken: je zult vanzelf een meer vrij en vertrouwvol mens worden als je hem in je huis ontvangt nu hij langs komt.
Mogen wij hem in dit uur vol vreugde ontvangen.
Zo zij het. Amen.
Credo:
(de gemeente
staat op)

de
gemeente gaat zitten.
Voorbeden, eindigend op:
zo bidden wij:

Inzameling
van de gaven
voor een diaconaal doel.
(terwijl
de tafel in gereedheid wordt gebracht; ook wordt er gemusiceerd tijdens
de
inzameling)
Voorg:
Dankgebed.
Heer God, hemelse Vader,
aanvaard ons geloof en onze gebeden en zegen deze gaven, dit brood en
deze wijn,
die wij U brengen tot eer van Uw naam en ten dienste van Uw
gemeente.
Laat dit dankoffer U welgevallig
zijn en een getuigenis van Uw liefde tot onze naasten.
Dat bidden wij U door Jezus Christus, Uw Zoon, onze Heer. Amen.
Gemeente: Amen.
Dankzegging:
(de
gemeente gaat staan)


allen:

Vg.:
Wij danken U, heilige Vader, Heer onze God,
om
wille van Jezus Christus, Uw veelgeliefde Zoon,
die
Gij geroepen en gezonden hebt,
om
ons te dienen en te verlichten,
om
aan armen Uw koninkrijk te brengen,
om
aan gevangenen Uw verlossing te melden,
om
voor ons allen en voorgoed het evenbeeld te zijn
en
de gestalte van Uw mildheid en trouw.
Wij
danken U voor deze onvergetelijke mens
die
alles heeft volbracht wat menselijk is, ons leven, onze dood -
wij
danken U dat Hij zich met hart en ziel gegeven heeft aan deze wereld.
Want
in de nacht waarin Hij werd overgeleverd
heeft
Hij het brood in Zijn handen genomen.
Hij
heeft Zijn ogen opgeslagen naar U, God,
Zijn
almachtige Vader.
Hij
heeft U dank gezegd, het brood gebroken
en
het aan Zijn vrienden uitgedeeld met de woorden:
“Neemt
en eet, dit is Mijn lichaam voor u.
Doet
dit tot Mijn gedachtenis.”
Zo
nam Hij ook de beker, sprak een dankgebed uit en zei:
“Deze
beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed,
dat
voor u en allen vergoten wordt tot vergeving van zonden.
Telkens als gij deze beker drinkt zult gij het doen tot Mijn
gedachtenis.”
allen:
Vg:
Bijeen tot Zijn gedachtenis komen wij tot U, o God,
met
dit brood en deze beker,
en wij bidden U:
gedenk het offer van de Zoon van Uw liefde
en aanvaard ons offer van lof en dank.
Zend
Uw Geest op ons neer,
de Geest die levend maakt,
en herschep ons tot
mensen
die Uw Zoon laten voorgaan
en
niet ophouden U te belijden en elkaar te behoeden,
de
ogen gericht op Uw Rijk dat komt.
Voeg
ons dan samen met allen die ons zijn voorgegaan, met wie ons lief
waren, en die
we moesten verliezen... met de
heiligen van naam en de ontelbare vergetenen, heel Uw mensenvolk,
genodigd aan
Uw maaltijd.
Gem.:
Amen.

Voorg: Komt nu, want alle dingen zijn gereed.
V:
Wenst elkaar de vrede
Men
brengt elkaar de vredesgroet en bidt hand in hand:
Communie
Terugkeer
naar de zitplaatsen, Gemeente gaat zitten.

Gedicht
Gedicht
van Jaap Zijlstra uit:
Symbolen en cimbalen. De beste gedichten uit
de christelijke traditie van de twintigste eeuw, Zoetermeer 2000,
p.130) :
Jezus
Je
gaat een mensenleven mee,
ik kan je lezen en herlezen,
ik pak je op en leg je weg,
ik sla vooruit en blader terug,
geduldig ben je en beschikbaar.
Maar
toch zo nederig niet
of woorden schieten wortel,
beslaan mijn landschap,
heffen kruinen in de hemel,
opgewassen tegen stormen.
Daar
komt wat aan te pas
om ze te kappen, en dan nòg,
de tronk zit dieper in mijn aarde
dan ik dacht, loopt uit, een twijg, -
o
Jezus, eer ik van u zwijg.
-----
Vg:
Laten wij samen bidden
Allen:
Lieve Heer, laat Uw woord voedzaam zijn als brood
en uw liefde ons
doorgloeien als wijn.
Dat wij vol zijn van
U en open staan voor elkaar,
door Jezus Christus,
onze Heer. Amen.
Of: Laten wij
bidden:
Voorg:
Gij draagt en voedt de wereld dag aan dag,
en dieper dan wij durven vermoeden
zijt Gij aanwezig, overal waar wij gaan.
Wij
danken U voor die aanwezigheid, die zo verborgen en kwetsbaar,
zo trouw en
daadwerkelijk is.
Wij
geloven daarin en wij leven van U,
zoals wij leven van het brood, zoals wij
hongeren en dorsten naar gerechtigheid.
Gem.:
Amen.
Allen
gaan staan:
Tussentijds 75:
Wat vurig staat geschreven: dat Gij komt
"redden wat verloren is', dat woord,
dat Gij het hart hebt, ogen, dat Gij hoort,
"Ik zal er zijn', zonsopgang, nieuw verbond.
Dat hoge woord, geschreven wit op zwart,
trouw van touw, hoe heeft het ons bevrijd,
beschaamd, vervoerd, getroost, dan weer getart.
Hoe dorsten wij te weten wie Gij Zijt.
Zegen: Gez.v.Liturgie 344

En er is koffie.