zondag 14 na Trinitatis 2007. Voorgangster: ds. Katrien van Opstal.
Voor
de dienst afkondigingen en vooroefenen.
Aan de
vlam van de Paaskaars worden de lichten op tafel aangestoken

Ingangspsalm (de gemeente gaat zitten)
Voorg:
Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld,
....
En
laten wij Zijn Naam prijzen,
want
Zijn barmhartigheid heeft geen einde.
Kyrië:

Zondagsgebed
....door
Jezus Christus onze Heer. Gem.:
Amen.
Dienst
van het Woord
Psalm
of lied
Epistellezing:
Galaten 3 begin
Aankondiging
van de Evangelielezing (Gem.
gaat staan)
gevolgd door de acclamatie:

De
gemeente gaat zitten.
Gemeente van Jezus Christus,
De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.
Eén van de bekendste verhalen uit de Bijbel, vermoed ik.
Het is een prachtig verhaal van Jezus.
Met een eenvoud én met een gezeggingskracht, die zijn weerga niet kent.
Het is goed dat het elk jaar weer
op het lutherse rooster staat en we het minstens een keer per jaar weer horen.
Ik licht er een paar dingen uit.
Terwijl ik u voorhoudt: blijf alstublieft in de kracht van het verhaal zelf!
Een eerste ding dat mij opviel bij het lezen staat in de aanloop tot het
vertellen van de gelijkenis. Dat is het gedeelte over de schriftgeleerde die bij
Jezus komt, om hem op de proef te stellen en die zo’n beetje de grootste vraag
stelt, die je je kunt bedenken: wat moet ik doen om het eeuwige leven te beerven.
Dat woordje beërven is op zich interessant, want het weerspiegelt het idee, dat
je eens als je rechtmatig erfdeel het eeuwig leven zult ontvangen.
Die eigelijk onmogelijke vraag laat Jezus hem zelf beantwoorden: wat denkt u
zelf, hoe leest u? En het antwoord komt er eigenlijk snel en helder uit: God
liefhebben en je naaste als jezelf.
Dat zijn simpelweg twee kernachtige citaten uit het Oude Testament, uit de Wet
van Mozes.
Het is heel humoristisch hoe Jezus mensen naar zichzelf terug kon brengen.
Je stelt hem een vraag, maar voor je het weet ben je hem zelf aan het
beanwoorden en je wist het eigenlijk allang. Jezus grijpt niet naar ik weet niet
wat, hij brengt geen nieuw wetstelsel. Hij gaat juist terug naar de kern. Jezus
en de wetgeleerde zijn het volstrekt met elkaar eens.
Hier komt het op neer als sinds Mozes of sinds Adam: God liefhebben en je naaste
als jezelf.
Maar waar ik u vooral op wilde wijzen is, -heel boeiend-:
De vraag begon dus met: wat moet ik doen om het eeuwige leven te beerven.
En hoe sluit Jezus af? Met: doe dit en gij zult leven.
Het eeuwig leven is niet meer aan de orde. Het gaat om leven.
Nu. Hier ter plekke.
Wie God liefheeft met al wat in hem of haar is en wie van zijn naaste houdt als
van zichzelf, die LEEFT.
Om het leven gaat het. Om het hier en nu.
Niet leven met het oog op eeuwig. Maar met het oog op heden. Vandaag nog.
Wie God liefheeft en zijn naaste erft geen leven, maar staat in het leven.
Het leven valt je niet toe, maar je doet het.
De schriftgeleerde is ondertussen nog niets opgeschoten met zijn uitproberen van
Jezus. Hij is nog niet verder gekomen dan dat ze het roerend eens zijn.
En hij wil Jezus graag een controversiële uitlating ontlokken.
Dus vooruit. Er zijn nog wel meer hete hangijzers in het vuur te steken: wie is
mijn naaste.
In de gelijkenis stip ik ook weer een paar dingen aan.
Wat mij opvalt is dat iedereen in het verhaal in functie is. De schriftgeleerde
Er zijn een priester en een leviet. Er is een Samaritaan, de herbergier.
Sommigen van hen heten ‘een zekere’ te zijn: de schriftgeleerde, de
priester, de Samaritaan. Ze krijgen geen persoonlijke contouren, maar ze zijn in
hun rol
Alleen die man die overvallen wordt en halfdood achtergelaten is, dat is ‘een
zeker man’.
Wat betreft al degenen die een rol spelen kunnen we ons afvragen of wij het
misschien zijn.
Maar ‘een zeker man’, dat is alleman. Elkerlyk.
U en ik.
Mensen die het onrecht treffen kan, het onheil, de dood.
Je bent gewoon onderweg in je dagelijks leven en opeens is niets meer
vanzelfsprekend.
Zijn leven hangt aan een zijden draad. Hij kan zelf niets meer organiseren,
regelen.
Hij ligt daar en zijn leven hangt al van eventuele voorbijgangers. De
toevalligheid van zijn naasten.
Die zekere mens zijn wij allen in onze kwetsbaarheid en in onze afhankelijkheid
van elkaar.
Voor de andere rollen in het verhaal kun je kiezen.
Hoe zit het met de wet. Want die speelt een belangrijke rol op de achtergrond
van dit verhaal.
Rovers lappen de wet aan hun laars. Hun enige wet is het recht van de sterkste.
Zij kennen geen grens. De grens van geld en goed niet. Maar ook van de
integriteit van een mens niet. Wat heb je allemaal kapotgemaakt in jezelf om zo
te kunnen handelen.
Bij ons thuis is ook wel eens ingebroken. En je vraagt je dan – onder andere!-
af hoe iemand dat kan, om zo in de persoonlijke en intieme sfeer van iemand in
te breken. dan moet je wel je ogen sluiten. Dan moet je hart op slot. Niet
alleen beroven ze de man, die tegen meerdere overvallers toch niet opgewassen
is. Maar ze slaan of schoppen hem ook nog eens halfdood. Is beroving nog niet
genoeg? Moet die mens die je aankijkt weggewerkt worden? Moeten die ogen en
die kwetsbare menselijkheid uit de weg geruimd worden? Ieder appèl
vertrappen?
Deze gelijkenis is ook een messcherp verhaal over de angstaanjagende wreedheid
die in een mens is.
Maar de wet, die er is om het leven tot zijn recht te laten komen, kan blijkbaar
ook in zijn tegendeel verkeren. De wet, die er is om het leven te behoeden, kan
dodelijk uitpakken.
De priester en de leviet blijven binnen de grenzen van de wet. Om hun taak te
kunnen verrichten moeten ze niet in aanraking komen met een dode. Want dan zijn
ze onrein. Zij gaan de grens van de wet niet over. Maar het slachtoffer
overschrijdt zometeen de grens van het leven.
De Samaritaan houdt zich aan geen enkele wet. Wat hij doet valt buiten elke
ordening. Ook hij overtreedt eigenlijk, net als de rovers, de sociale code. Een
Samaritaan helpt een joodse man. Degeen op wie neergekeken werd, omdat hij geen
benul heeft van de God van Israel, al pretenderen de Samaritanen dat wel te
hebben, uitgerekend die vervult de wet van de liefde voor God en de naaste.
Het is de wet die zich vervullen laat, wanneer iemand zich door ontferming laat
bewegen.
Zoals Paulus in de Galatenbrief het steeds over de Geest heeft. De wet alleen is
niet zaligmakend.
De wet wijst mij de richting van de liefde voor God en de naaste. Mijn hart,
mijn geloof, de geest maken het tot werkelijkheid.
Dat is dus gelovig zijn, God volgen: ontvankelijk zijn voor wie je ziet.
Met de ogen van je hart kijken.
Het gaat er niet om een rol te kiezen in het spectrum van deze gelijkenis.
Ook een priester of een leviet hebben de mogelijkheid om levend te zijn.
Het gaat er niet om welke rol je kiest.
Het gaat erom de rollen om te draaien!
Niet de ander is mijn naaste. Nee, je invalshoek is een heel andere:denkend
vanuit de ander, op zijn of haar plaats gaan staand, ben ikzelf de naaste van
hem of van haar.
Dat is wat Jezus vraagt tot slot: wie is de naaste geworden van de man die daar
lag?
Weten: ik ben niet anders dan hij. Ik ben hem, in zijn levensdrift, in zijn
ademnood naar een helper. Ik ben die man, zoals hij mij is. We zijn elkaar. Voor
elkaar.
Gaandeweg leven.
Op wiens pad kom ik?
Goed om je heen kijken, ja dat is wel nodig: kom ik mezelf tegen? In de ander
wel te verstaan!
Misschien in het jargon van onze tijd:
dichtbij jezelf blijven, dan blijf je ook dicht bij de ander.
Dat in ieder geval is LEVEN.
AMEN.
Credo:
(de gemeente
staat op)

de
gemeente gaat zitten.
Voorbeden, eindigend op:
zo bidden wij:

Inzameling
van de gaven
voor een diaconaal doel.
(terwijl
de tafel in gereedheid wordt gebracht; ook wordt er gemusiceerd tijdens
de
inzameling)
Voorg:
Dankgebed.
Heer God, hemelse Vader,
aanvaard ons geloof en onze gebeden en zegen deze gaven, dit brood en
deze wijn,
die wij U brengen tot eer van Uw naam en ten dienste van Uw
gemeente.
Laat dit dankoffer U welgevallig
zijn en een getuigenis van Uw liefde tot onze naasten.
Dat bidden wij U door Jezus Christus, Uw Zoon, onze Heer. Amen.
Gemeente: Amen.
Dankzegging:
(de
gemeente gaat staan)


allen:

Vg.:
Wij danken U, heilige Vader, Heer onze God,
om
wille van Jezus Christus, Uw veelgeliefde Zoon,
die
Gij geroepen en gezonden hebt,
om
ons te dienen en te verlichten,
om
aan armen Uw koninkrijk te brengen,
om
aan gevangenen Uw verlossing te melden,
om
voor ons allen en voorgoed het evenbeeld te zijn
en
de gestalte van Uw mildheid en trouw.
Wij
danken U voor deze onvergetelijke mens
die
alles heeft volbracht wat menselijk is, ons leven, onze dood -
wij
danken U dat Hij zich met hart en ziel gegeven heeft aan deze wereld.
Want
in de nacht waarin Hij werd overgeleverd
heeft
Hij het brood in Zijn handen genomen.
Hij
heeft Zijn ogen opgeslagen naar U, God,
Zijn
almachtige Vader.
Hij
heeft U dank gezegd, het brood gebroken
en
het aan Zijn vrienden uitgedeeld met de woorden:
“Neemt
en eet, dit is Mijn lichaam voor u.
Doet
dit tot Mijn gedachtenis.”
Zo
nam Hij ook de beker, sprak een dankgebed uit en zei:
“Deze
beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed,
dat
voor u en allen vergoten wordt tot vergeving van zonden.
Telkens als gij deze beker drinkt zult gij het doen tot Mijn
gedachtenis.”
allen:
Vg:
Bijeen tot Zijn gedachtenis komen wij tot U, o God,
met
dit brood en deze beker,
en wij bidden U:
gedenk het offer van de Zoon van Uw liefde
en aanvaard ons offer van lof en dank.
Zend
Uw Geest op ons neer,
de Geest die levend maakt,
en herschep ons tot
mensen
die Uw Zoon laten voorgaan
en
niet ophouden U te belijden en elkaar te behoeden,
de
ogen gericht op Uw Rijk dat komt.
Voeg
ons dan samen met allen die ons zijn voorgegaan, met wie ons lief
waren, en die
we moesten verliezen... met de
heiligen van naam en de ontelbare vergetenen, heel Uw mensenvolk,
genodigd aan
Uw maaltijd.
Gem.:
Amen. 
Voorg: Komt nu, want alle dingen zijn gereed.
V:
Wenst elkaar de vrede
Men
brengt elkaar de vredesgroet en bidt hand in hand:
Communie
Terugkeer
naar de zitplaatsen, Gemeente gaat zitten.

Gedicht
Vg:
Laten wij samen bidden
Allen:
Lieve Heer, laat Uw woord voedzaam zijn als brood
Of: Laten wij
bidden:
Voorg:
Gij draagt en voedt de wereld dag aan dag,
en dieper dan wij durven vermoeden
zijt Gij aanwezig, overal waar wij gaan.
Wij
danken U voor die aanwezigheid, die zo verborgen en kwetsbaar,
zo trouw en
daadwerkelijk is.
Wij
geloven daarin en wij leven van U,
zoals wij leven van het brood, zoals wij
hongeren en dorsten naar gerechtigheid.
Gem.:
Amen.
Allen
gaan staan:
Lied
Zegen
En er is koffie.