zondag 14 na Trinitatis 2007. Voorgangster: ds. Katrien van Opstal.

Voor de dienst afkondigingen en vooroefenen.        
Aan de vlam van de Paaskaars worden de lichten op tafel aangestoken

Voorbereiding:
De gemeente gaat staan

Ingangspsalm (de gemeente gaat zitten)

Voorg: Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld,  
....  
En laten wij Zijn Naam prijzen,  
want Zijn barmhartigheid heeft geen einde.

Kyrië:  
Gloria:  vervalt in de Advents- en de Veertigdagentijd.  

Zondagsgebed    ....door Jezus Christus onze Heer.   Gem.: Amen.

Dienst van het Woord   Eerste lezing Lezing eerste Testament door iemand uit de gemeente: Jeremia 33

Psalm of lied

Epistellezing:  Galaten 3 begin
 

Aankondiging van de Evangelielezing (Gem. gaat staan)

allen: 

Evangelielezing: Lukas 10 23-37 

gevolgd door de acclamatie: 

De gemeente gaat zitten.

Lied

Preek  

Gemeente van Jezus Christus,

De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.
Eén van de bekendste verhalen uit de Bijbel, vermoed ik.
Het is een prachtig verhaal van Jezus.
Met een eenvoud én met een gezeggingskracht, die zijn weerga niet kent.
Het is  goed dat het elk jaar weer op het lutherse rooster staat en we het minstens een keer per jaar weer horen.
Ik licht er een paar dingen uit.
Terwijl ik u voorhoudt: blijf alstublieft in de kracht van het verhaal zelf!

Een eerste ding dat mij opviel bij het lezen staat in de aanloop tot het vertellen van de gelijkenis. Dat is het gedeelte over de schriftgeleerde die bij Jezus komt, om hem op de proef te stellen en die zo’n beetje de grootste vraag stelt, die je je kunt bedenken: wat moet ik doen om het eeuwige leven te beerven.
Dat woordje beërven is op zich interessant, want het weerspiegelt het idee, dat je eens als je rechtmatig erfdeel het eeuwig leven zult ontvangen.
Die eigelijk onmogelijke vraag laat Jezus hem zelf beantwoorden: wat denkt u zelf, hoe leest u? En het antwoord komt er eigenlijk snel en helder uit: God liefhebben en je naaste als jezelf.
Dat zijn simpelweg twee kernachtige citaten uit het Oude Testament, uit de Wet van Mozes.

Het is heel humoristisch hoe Jezus mensen naar zichzelf terug kon brengen.
Je stelt hem een vraag, maar voor je het weet ben je hem zelf aan het beanwoorden en je wist het eigenlijk allang. Jezus grijpt niet naar ik weet niet wat, hij brengt geen nieuw wetstelsel. Hij gaat juist terug naar de kern. Jezus en de wetgeleerde zijn het volstrekt met elkaar eens.
Hier komt het op neer als sinds Mozes of sinds Adam: God liefhebben en je naaste als jezelf.

Maar waar ik u vooral op wilde wijzen is, -heel boeiend-:
De vraag begon dus met: wat moet ik doen om het eeuwige leven te beerven.
En hoe sluit Jezus af? Met: doe dit en gij zult leven.

Het eeuwig leven is niet meer aan de orde. Het gaat om leven.
Nu. Hier ter plekke.
Wie God liefheeft met al wat in hem of haar is en wie van zijn naaste houdt als van zichzelf, die LEEFT.
Om het leven gaat het. Om het hier en nu.
Niet leven met het oog op eeuwig. Maar met het oog op heden. Vandaag nog.
Wie God liefheeft en zijn naaste erft geen leven, maar staat in het leven.
Het leven valt je niet toe, maar je doet het.

De schriftgeleerde is ondertussen nog niets opgeschoten met zijn uitproberen van Jezus. Hij is nog niet verder gekomen dan dat ze het roerend eens zijn.
En hij wil Jezus graag een controversiële uitlating ontlokken.
Dus vooruit. Er zijn nog wel meer hete hangijzers in het vuur te steken: wie is mijn naaste.
In de gelijkenis stip ik ook weer een paar dingen aan.
Wat mij opvalt is dat iedereen in het verhaal in functie is. De schriftgeleerde Er zijn een priester en een leviet. Er is een Samaritaan, de herbergier. Sommigen van hen heten ‘een zekere’ te zijn: de schriftgeleerde, de priester, de Samaritaan. Ze krijgen geen persoonlijke contouren, maar ze zijn in hun rol
Alleen die man die overvallen wordt en halfdood achtergelaten is, dat is ‘een zeker man’.
Wat betreft al degenen die een rol spelen kunnen we ons afvragen of wij het misschien zijn.
Maar ‘een zeker man’, dat is alleman. Elkerlyk.
U en ik.
Mensen die het onrecht treffen kan, het onheil, de dood.
Je bent gewoon onderweg in je dagelijks leven en opeens is niets meer vanzelfsprekend.
Zijn leven hangt aan een zijden draad. Hij kan zelf niets meer organiseren, regelen.
Hij ligt daar en zijn leven hangt al van eventuele voorbijgangers. De toevalligheid van zijn naasten.

Die zekere mens zijn wij allen in onze kwetsbaarheid en in onze afhankelijkheid van elkaar.
Voor de andere rollen in het verhaal kun je kiezen.

Hoe zit het met de wet. Want die speelt een belangrijke rol op de achtergrond van dit verhaal.
Rovers lappen de wet aan hun laars. Hun enige wet is het recht van de sterkste.
Zij kennen geen grens. De grens van geld en goed niet. Maar ook van de integriteit van een mens niet. Wat heb je allemaal kapotgemaakt in jezelf om zo te kunnen handelen.
Bij ons thuis is ook wel eens ingebroken. En je vraagt je dan – onder andere!- af hoe iemand dat kan, om zo in de persoonlijke en intieme sfeer van iemand in te breken. dan moet je wel je ogen sluiten. Dan moet je hart op slot. Niet alleen beroven ze de man, die tegen meerdere overvallers toch niet opgewassen is. Maar ze slaan of schoppen hem ook nog eens halfdood. Is beroving nog niet genoeg? Moet die mens die je aankijkt weggewerkt worden? Moeten die ogen en  die kwetsbare menselijkheid uit de weg geruimd worden? Ieder appèl vertrappen?
Deze gelijkenis is ook een messcherp verhaal over de angstaanjagende wreedheid die in een mens is.

Maar de wet, die er is om het leven tot zijn recht te laten komen, kan blijkbaar ook in zijn tegendeel verkeren. De wet, die er is om het leven te behoeden, kan dodelijk uitpakken.
De priester en de leviet blijven binnen de grenzen van de wet. Om hun taak te kunnen verrichten moeten ze niet in aanraking komen met een dode. Want dan zijn ze onrein. Zij gaan de grens van de wet niet over. Maar het slachtoffer overschrijdt zometeen de grens van het leven.

De Samaritaan houdt zich aan geen enkele wet. Wat hij doet valt buiten elke ordening. Ook hij overtreedt eigenlijk, net als de rovers, de sociale code. Een Samaritaan helpt een joodse man. Degeen op wie neergekeken werd, omdat hij geen benul heeft van de God van Israel, al pretenderen de Samaritanen dat wel te hebben, uitgerekend die vervult de wet van de liefde voor God en de naaste.

Het is de wet die zich vervullen laat, wanneer iemand zich door ontferming laat bewegen.
Zoals Paulus in de Galatenbrief het steeds over de Geest heeft. De wet alleen is niet zaligmakend.
De wet wijst mij de richting van de liefde voor God en de naaste. Mijn hart, mijn geloof, de geest maken het tot werkelijkheid.

Dat is dus gelovig zijn, God volgen: ontvankelijk zijn voor wie je ziet.
Met de ogen van je hart kijken.
Het gaat er niet om een rol te kiezen in het spectrum van deze gelijkenis.
Ook een priester of een leviet hebben de mogelijkheid om levend te zijn.
Het gaat er niet om welke rol je kiest.
Het gaat erom de rollen om te draaien!

Niet de ander is mijn naaste. Nee, je invalshoek is een heel andere:denkend vanuit de ander, op zijn of haar plaats gaan staand, ben ikzelf de naaste van hem of van haar.
Dat is wat Jezus vraagt tot slot: wie is de naaste geworden van de man die daar lag?
Weten: ik ben niet anders dan hij. Ik ben hem, in zijn levensdrift, in zijn ademnood naar een helper. Ik ben die man, zoals hij mij is. We zijn elkaar. Voor elkaar.

Gaandeweg leven.
Op wiens pad kom ik?
Goed om je heen kijken, ja dat is wel nodig: kom ik mezelf tegen? In de ander wel te verstaan!
Misschien in het jargon van onze tijd:
dichtbij jezelf blijven, dan blijf je ook dicht bij de ander.
Dat in ieder geval is LEVEN.

AMEN.

Credo: (de gemeente staat op)  

de gemeente gaat zitten
.

Voorbeden, eindigend op: zo bidden wij:

Inz
ameling van de gaven voor een diaconaal doel
. (terwijl de tafel in gereedheid wordt gebracht; ook wordt er gemusiceerd tijdens de inzameling)

Voorg: Dankgebed.   
Heer God, hemelse Vader, aanvaard ons geloof en onze gebeden en zegen deze gaven, dit brood en deze wijn,  die wij U brengen tot eer van Uw naam en ten dienste van Uw gemeente. Laat dit dankoffer U welgevallig zijn en een getuigenis van Uw liefde tot onze naasten.
Dat bidden wij U door Jezus Christus, Uw Zoon, onze Heer. Amen.  

Gemeente:        Amen.

Dankzegging:  (de gemeente gaat staan)  


allen:

Vg.: Wij danken U, heilige Vader, Heer onze God,  
om wille van Jezus Christus, Uw veelgeliefde Zoon,  
die Gij geroepen en gezonden hebt,  
om ons te dienen en te verlichten,   
om aan armen Uw koninkrijk te brengen,  
om aan gevangenen Uw verlossing te melden,  
om voor ons allen en voorgoed het evenbeeld te zijn  
en de gestalte van Uw mildheid en trouw.  
Wij danken U voor deze onvergetelijke mens  
die alles heeft volbracht wat menselijk is, ons leven, onze dood -  

wij danken U dat Hij zich met hart en ziel gegeven heeft aan deze wereld.  


Want in de nacht waarin Hij werd overgeleverd  
heeft Hij het brood in Zijn handen genomen.  

Hij heeft Zijn ogen opgeslagen naar U, God,  

Zijn almachtige Vader.  
Hij heeft U dank gezegd, het brood gebroken  
en het aan Zijn vrienden uitgedeeld met de woorden:  

“Neemt en eet, dit is Mijn lichaam voor u.  
Doet dit tot Mijn gedachtenis.”  

Zo nam Hij ook de beker, sprak een dankgebed uit en zei:  

“Deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed,  
dat voor u en allen vergoten wordt tot vergeving van zonden.  Telkens als gij deze beker drinkt zult gij het doen tot Mijn gedachtenis.”  

allen:


Vg: Bijeen tot Zijn gedachtenis komen wij tot U, o God, 
met dit brood en deze beker,
en wij bidden U:
gedenk het offer van de Zoon van Uw liefde
en aanvaard ons offer van lof en dank.

Zend Uw Geest op ons neer,
de Geest die levend maakt,  

en herschep ons tot mensen
die Uw Zoon laten voorgaan

en niet ophouden U te belijden en elkaar te behoeden,  
de ogen gericht op Uw Rijk dat komt.

Voeg ons dan samen met allen die ons zijn voorgegaan, met wie ons lief waren, en die we moesten verliezen... met de heiligen van naam en de ontelbare vergetenen, heel Uw mensenvolk, genodigd aan Uw maaltijd.  
Gem.: Amen.
 

Voorg: Komt nu, want alle dingen zijn gereed.
De gemeente vormt een kring.

V: Wenst elkaar de vrede

Men brengt elkaar de vredesgroet en bidt hand in hand:  

Communie    waarna de diaken zegt: ‘Ga in de vrede van de Heer’.  
Terugkeer naar de zitplaatsen, Gemeente gaat zitten. 

Gedicht  

Vg: Laten wij samen bidden  
Allen:
Lieve Heer, laat Uw woord voedzaam zijn als brood 
        en uw liefde ons doorgloeien als wijn.          Dat wij vol zijn van U en open staan voor elkaar,          door Jezus Christus, onze Heer.  Amen.

 Of: Laten wij bidden:  
Voorg: Gij draagt en voedt de wereld dag aan dag, 
en dieper dan wij durven vermoeden zijt Gij aanwezig, overal waar wij gaan.  
Wij danken U voor die aanwezigheid, die zo verborgen en kwetsbaar, 
zo trouw en daadwerkelijk  is.  
Wij geloven daarin en wij leven van U, 
zoals wij leven van het brood, zoals wij hongeren en dorsten naar gerechtigheid.  

Gem.: Amen.

Allen gaan staan:

Lied

Zegen

 

Hierna luisteren we zittend naar de muziek.

En er is koffie.