Home
Nieuws
Ik hoor nog altijd zijn stem
als ik zijn
poëzie lees
Andreas Oosthoek over Hans Warren
In de stationshal van Middelburg wacht
Andreas Oosthoek ons al op. Zestig jaar, grijs, zijn handen in de
zakken van zijn jack gestoken. Al vele jaren is hij hoofdredacteur
van de Provinciale Zeeuwse Courant. Zijn vriendschap met Hans Warren
dateert van nog langer geleden. 'Veertig jaar', memoreert hij. Hij
neemt ons mee in zijn auto voor een rit door het landschap dat Warren
bij zijn leven zo goed kende. 'Kijk, daar heb je een blauwe reiger.
Dat vond hij zijn evenbeeld: een beetje eenzame vogel, lange nek.
Misschien was het hem wel?'

Andreas Oosthoek
In Geheim Dagboek word ik nergens expliciet geïntroduceerd.
Ineens ben ik er, alsof ik er altijd ben geweest. Dat was ook zo.
Mijn vader kende Hans Warren al. Hij deed onderzoek naar zoute
vegetatie, de planten die buitendijks op de schorren groeien.
In datzelfde gebied kwam hij altijd Hans Warren tegen, die daar
op vogels liep te loeren. Zijn naam was een begrip bij ons in
huis. Bovendien kende mijn vader ook Warrens vader goed, de diekboas,
zoals die hier werd genoemd.
EERSTE BEZOEK
Ik ben op mijn elfde naar kostschool gegaan in België. Op mijn
zeventiende kwam ik hier terug, in het 'volle leven'. Mijn
gymnasiumdiploma uit België telde in Nederland niet. Dus ik
moest gewoon weer een paar jaar terug naar school. Dat heb ik
in Goes gedaan. Ze hadden daar een schoolkrant, waarin interviews
verschenen met mensen uit de omgeving die niet al te 'dertien in
een dozijn' waren. Hans Warren werd genoemd. Dat was toen op
Zeeuwse scholen iemand die behandeld werd. Maar die had al een
paar keer zo'n interview afgewezen. Bij Hans kwam niemand binnen.
Ik zei: 'Ik zal het wel eens proberen.' Dus ik ben gewoon naar hem
toegegaan. En inderdaad, hij voelde daar niks voor. Maar toen ik
wegliep, kwam hij achter me aan en hij zei zoiets als 'Nou geloof
ik toch dat ik heel onheus tegen u ben geweest. Ben je soms familie
van…Nou, laten we dan maar een afspraak maken.'
Later bracht Mabel een briefje langs bij ons op school - want ze hadden mijn huisadres niet - en daar stond in: zou het schikken op die en die dag? Zo is het toch voor elkaar gekomen. Alleen is - geloof ik - dat artikel nooit verschenen. Hans en ik hebben het over zoveel dingen gehad dat dat artikel bijzaak is geworden.
HUISVRIEND
Vanaf dat moment ben ik heel frequent bij hem langsgegaan,
bijna wekelijks. Als een soort huisvriend, ja. Die bezoeken
hadden in het begin, toen het huwelijk met Mabel er nog was,
een heel andere impact dan ze nadien kregen. In die tijd was
de tuinkamer waar hij de laatste jaren zat te werken
er helemaal nog niet aangebouwd. Hij woonde met het hele gezin
in dat kleine huisje. Zoon David was toen nog heel klein. Ik
heb hem pas nog gesproken. Hij zei ook: 'Het was altijd heel
vanzelfsprekend dat jij er was.'
Ik wist dat hij homoseksueel was. Dat wisten wij vroeger bij ons
thuis al. Dat maakte het voor mij niet extra spannend, hoor. Hans
en ik hebben dat nooit gehad. Over en weer niet. Dat heeft ook
gewoon te maken met voorkeuren, die natuurlijk zo divers zijn als
de mensen zijn. We hebben wel verschillende malen over
homoseksualiteit gesproken. Met name toen ik in militaire
dienst ging. In die tijd werd ik vanwege mijn homoseksualiteit
afgekeurd en ik heb daar protest tegen aangetekend. Ik vond het
geen reden om iemand af te keuren. Vervolgens werd ik goedgekeurd
en dat heeft mij twee jaar gekost. Hans was daar veel pragmatischer
in. 'Al die ellende, ben je dan mooi vanaf.' Maar ik heb het nooit
zo verschrikkelijk gevonden. Ik heb er in die tijd een bloeiende
verhouding aan overgehouden. Dus dan wordt alles heel anders.
PARIJS
Toen ik 19 jaar oud was, ben ik naar Parijs gegaan. Uiteraard
was ik toen niet op de hoogte van Warrens dagboek en zeker niet
van het feit dat wij allebei ons Parijse avontuur zijn begonnen
in dezelfde straat en in hetzelfde hotel. Hotel Gérando. Hij heeft
daar een heel andere conceptie van. Hij vindt het namelijk een heel
chique hotel, terwijl voor mij juist het tegendeel geldt. Ik was er
een paar jaar later dan hij. Ik kom de hotelkamer binnen met een jonge
heer. Wandluis! Je had in die tijd van die gasaanstekers waarmee je
een steekvlam kon maken. Ik weet nog dat ik langs de wanden ging, die
luizen knetterden dan weg. Als we dan het licht uitdeden, want het
moest er maar van komen, dan kwam dat hele leger weer aangekropen.
Ik ben in dezelfde buurt gebleven. In dat hele quartier heeft
Hans veel rondgezworven. Ik heb mij wel eens verbaasd over de
snelheid waarmee hij zich ter voet verplaatste. Als ik naar die
dagboeken kijk, denk ik, want ik ken die straten op mijn duimpje:
Dat kan helemaal niet. Zo snel als hij dat doet! Hij moet wel
reuzenkracht hebben ontwikkeld.
In die tijd overleed een vriend van mij en daar gaat het gedicht
St. Ouen over [zie Nieuws 20 april]. Het was een Nederlandse
jongen, maar hij kende veel figuren uit het Tunesische circuit.
Hans voelde zich daar ook altijd erg thuis. Die Tunesiërs hadden
een paar begraafplaatsen, buiten de stad, zoals cimetière St Ouen,
een enorm kerkhof. Omdat het gedicht Hans zo herinnerde aan die dagen
in die streek daar, heb ik hem gezegd, dat het mij leuk leek het aan
hem op te dragen. Zo is dat gegaan.
Hans Warren in Parijs
Veel mensen dachten dat Hans'gedicht Aan een jonge dichter
aan mij was opgedragen. Helaas, het ging niet over mij, maar over
Hans Verhagen. Verhagen kende Hans goed in die tijd en hij ging hem
in Parijs vaak opzoeken. Eigenlijk woonde Hans nauwelijks in Parijs.
Hij zat vlakbij de vestingswallen, in een soort tuinhuisje op een
bergje. Een beetje zoals het huis van Céline in Meudon. Het volgende
heeft Hans Verhagen mij tig maal verteld. Hij komt daar aan. 'Meneer
Warrèn is er niet, is alleen boodschappen aan het doen, komt zo wel
thuis.' Na lang wachten komt Hans aangelopen, sinaasappelnetje helemaal
volgestouwd met allerlei dingen en hij zegt: 'Wie komt mij storen?'
Hij bekijkt Verhagen een paar keer goed, hij had in die tijd van die
donkere glazen, en zei toen: 'Wat een vreugde dat een Nederlander er
ook zó uit kan zien.' Dus die mocht blijven.
OORLOG
Hier in het Fort Ellewoutsdijk heeft de vader van Hans na de oorlog
gevangen gezeten, op beschuldiging van collaboratie. Hans heeft wel
een tik opgelopen door de oorlog. Mijn vader, die Warrens vader dus
goed gekend heeft, zei altijd: van die collaboratieverhalen deugt
niks. Als er echt sprake van collaboratie was geweest, dan zou de
oudere generatie daar nu nog over spreken. Hans heeft gelukkig nog
een brief van Lou de Jong gekregen, naar aanleiding van het
oorlogsdagboek. De Jong schreef: ik heb alles nagekeken, je vader,
Piet Warren, was nooit lid van de NSB. Er zijn fouten gemaakt bij
het proces dat toen tegen je vader is gevoerd. Voor Hans was deze
brief een heel emotioneel moment. Ik kom binnen en hij had net die
brief gekregen. De affaire rond zijn vader heeft op hem gedrukt. Zo´n
man raakte zijn baan kwijt en de hele familie moest uit dat huis aan
de dijk, naar het goedkoopste arbeidershuisje van het hele dorp.
Hans' toenmalige beste vriend Adri Duvekot [Willem in Geheim
Dagboek] kwam toen in dat huis aan de dijk. Maar het is altijd
het huis van Warren gebleven in de volksmond, het is nooit het huis
van Duvekot geworden. Aanvankelijk leidde dit tot verwijdering tussen
de twee vrienden. Laatst sprak ik Adri. Ook oud nu, ziek. Over die
affaire was hij heel gereserveerd. Daar had hij het liever niet over.
Pas heel recent is hij begonnen met het lezen van die dagboeken, hij
wilde er voorheen absoluut niets mee te maken hebben.
PZC
Hans en ik hebben altijd heel veel plezier gehad over het feit
dat we nooit hadden gedacht dat ik nog eens zijn baas zou worden.
Hij zei wel eens: 'Wie had ooit kunnen denken dat jij én zo dik én
mijn baas zou worden.' Ik was een jaar of 26 toen ik bij de PZC kwam.
De hele kunst was toen één pagina in de week. Hans deed daar
uitsluitend zijn Letterkundige Kroniek. Ik heb de kunstpagina
indertijd kunnen uitbouwen tot wat het nu nog steeds is. Toen
ik zijn baas werd veranderde tussen ons niet veel. Mijn secretaresse
verzorgde al jaren alle rompslomp rondom zijn rubrieken. Dat is nooit
veranderd. Toen ik hoofdredacteur werd, heb ik dat niet overgedragen.
Er zijn zo'n paar vaste medewerkers die wij beschouwen als de
paarlen aan de kroon. Ik denk dat daar een taak ligt om dat zelf
en heel rechtstreeks te doen.
Maar ook van zijn kant… Hans heeft in de loop der jaren ook wel
aanbiedingen gehad van
grotere kranten - ook van aanzienlijk grotere kranten - en die konden
hem natuurlijk een veel hoger honorarium bieden, maar dat heeft hij
dus nooit gedaan. Dat vind ik nogal wat. Je voelt je zelf dan ook meer
verplicht om een aantal dingen behoorlijk op te lossen. Dus nou ja,
dan gingen we maar weer eens naar een restaurant. Op de redactie kwam
hij nooit of hoogst zelden. Hij kwam wel eens naar mijn kantoor. Eerst
langs Jeanette, de secretaresse, en dan naar mij en dan was hij weer
weg. Hij stopte de stukken die hij schreef in de bus, bij een
bijkantoor van ons in Goes, en dan kwam het wel bij ons terecht.
UITBREIDING
Nou, en dan heb ik dat zo, doucement, uitgebreid tot een
hele pagina. Dus buiten de kroniek deed hij ook andere dingen.
Hij vroeg zelf wel eens naar de mogelijkheid om iets te doen aan
die grote tentoonstellingen die hij dan ging bekijken. Die lagen
in het algemeen op het vlak van de oude tot de zeer oude kunst.
En dat kon bij ons. Hij kreeg daar genoeg ruimte voor, ook om iets
in beeld te brengen. En dat vond hij op zich al beloning genoeg:
als het er dan maar mooi uitzag. Er zijn niet zoveel mensen in
Nederland die over dat soort oude kunst zo toegankelijk kunnen
schrijven.
Ook de letterkundige kronieken waren uniek. Martin Ros wilde
ze graag in boekvorm uitgeven, in dundruk. 'Als jij geen problemen
maakt over de rechten, dan douwen we dat in een mooie band.' Martin
heeft zich daar altijd erg druk over gemaakt. Ook eerder al over de
dagboeken, want niet Bert Bakker, maar hij is de eerste uitgever
geweest die over de publicatie daarvan is begonnen. Hij wilde dat
dolgraag. Hij reed dan in zijn sportautootje van Hilversum naar
Zeeland, en dan ging het weer niet door. Die heeft zich er echt
wel voor ingespannen. Warren wilde zelf de kronieken niet bundelen.
Dan zou hij ze allemaal gaan herschrijven of bewerken. Het is een
oordeel gegeven op één moment. Jij ontwikkelt je, en de schrijver
ontwikkelt zich. Het zou hooguit een tijdsbeeld kunnen geven, maar
intussen vind je wat je toen schreef zelf flauwekul.
OPVOLGING
Na zijn overlijden hebben zich spontaan zo'n 25.000 mensen aangemeld
die wel even de letterkundige kroniek over zouden nemen. Dat kunnen
wij ook. Maar dat is niet zo. Zulke mensen sneuvelen dan binnen een
maand, en een maand telt vier afleveringen. Dus zo kort is de vreugde.
Daar moet je niet eens aan willen beginnen. Er zijn ook mensen hevig
teleurgesteld. Die zeggen geen gedag meer. 'Als Hans Warren…, dan zou
ik toch?' Terwijl daar nooit over gesproken is, maar die mensen lopen
dan zelf met dat idee rond. Dus niet.
BEGRAFENIS
In dat gebouwtje, Hans' oude schooltje, hebben we afscheid van hem
genomen. Adri Duvenkot zat op de eerste rij te zwaaien. Hij zei: 'Ik
ben al blij genoeg dat je er bent, ik zie alleen maar Amsterdammers.'
Na afloop hebben we hier champagne gedronken en oesters gegeten,
helemaal in de stijl van Hans.

Andreas en Eric bij het graf van Warren, 19 april 2003
Er waren ook nogal wat niet-genodigden die zich hadden uitgenodigd.
Dat wekt dan irritatie. Het was echt van dat vreselijke
begrafenisweer toen hij begraven werd. Het was een stormachtige dag
en het regende verschrikkelijk. De meeste paraplu's werden door de
wind tot een kelkje gevormd, dus iedereen kroop nogal dicht tegen
elkaar. En tot mijn stomme verbazing… de vrouw die de begrafenis
leidde, die begon plotseling een gedicht te lezen. Dat deed ze
eigenlijk heel goed, dat had niemand verwacht van een
begrafenisonderneemster. Over De Weense hoogvliegers.
En toen liet Mario zo'n korfje met van die hoogvliegers los.
En die gingen eruit. Dat vond ik eigenlijk een heel mooi beeld:
eerst was het net alsof ze op de vlucht gingen, maar toen talmden
ze toch even - talmen: dat woord gebruikt Warren ook vaak voor
vogels - boven de stenen met al die Borselse namen. Zijn eigen mensen.
Alsof die duiven even zochten waar ze zouden gaan zitten. Daarna
vlogen ze toch weg. Dat hele pure wit van zo'n vogel wordt een pure
zwarte stip.
BIJ HET GRAF
Het graf is eenvoudig, maar mooi. Hans Warren, dichter. Dat is
genoeg. Dat heb ik altijd gevonden. Dat vond hij zelf ook zo. De rest
was afgeleid of bijkomstig. Al was hij heel gelukkig met het idee dat
het dagboek als literair genre werd erkend en een plaats kreeg in de
letterkunde. Ik heb nooit begrepen dat hij nooit een oeuvreprijs heeft
gekregen. Die Verzamelde Gedichten zijn een monument.
Nederland denkt altijd in categorieën, maar de poëzie van Hans
was moeilijk in een categorie te plaatsen. Dan hoorde hij weer
bij De Wilden van na de oorlog, bij Cobra. Maar
eigenlijk sloot hij aan bij een bredere, niet-Nederlandse traditie.
Als je alleen al kijkt naar het anekdotische element in die poëzie.
Sinds Nijhoff mag poëzie wat meer parlando zijn, maar zijn oriëntatie
lag eigenlijk in een heel andere richting. Meer zuidelijk. Ik hoor
altijd zijn stem als ik het lees. Ik denk dat dat geldt voor de meeste
mensen die hem gekend hebben: die stem is iets wat zal blijven. Je
hoort het hem zelf voorlezen, hij kon zijn eigen poëzie heel goed
lezen. Dat vreemde, karakteristieke stemgeluid…
EEN ECHTE ZUID-BEVELANDER
Dit is zijn landschap, hè. Hans was een echte Zuid-Bevelander, hij
was niet iemand die bij voorkeur in Walcheren zou willen wonen, wat
ik al jaren doe. Echt een verschil. We spraken heel vaak Bevelands
met elkaar, hij sprak een beetje ouderwets Zuid-Bevelands.
Hij beheerste die taal volledig. We probeerden wel het nette ABN
aan te houden als andere mensen er bij waren, maar we schakelden
snel over als we iets aan elkaar wilden verduidelijken.

GEHEIM DAGBOEK 2001
Ik ben nu 60, ik heb hem meer dan veertig jaar gekend. Alles wat
er omheen is gebeurd, ook rondom zijn dood, dat heeft voor mij vrij
diep snijdende gevolgen gehad, en nog steeds eigenlijk. Want ik vind
ook wel dat er in bepaalde beschrijvingen en commentaren wat al te
kort door de bocht over zaken wordt geoordeeld waarvan ik denk: ho,
ho, ho, dat had ook wel op een andere manier gezegd kunnen zijn.
Bijvoorbeeld over de relatie met Mario, waar dan wat badinerend over
wordt gedaan. Ik heb daar uiteraard wel een aantal keren met Hans over gesproken. Dat staat niet allemaal in het dagboek. Ik kan me wel voorstellen dat de mensen geschokt waren over het laatste deel, maar die mensen missen ook de tussenliggende delen, die hebben nooit een wat persoonlijker inzicht in die situatie gekregen. Het is ook voor mij redelijk schokkend als ik het zo zwart op wit zie staan, absoluut. Maar ik was natuurlijk wel van het een en ander op de hoogte. Ik vind het ook wel moedig. Er zit ook wel iets in van rechtvaardigheid dat het is opgeschreven zoals het is opgeschreven. Het is te complex om nu 1-2-3 kanttekeningen te plaatsen bij Hans' notities. Ik heb daar tijd voor nodig. Maar…. Ik denk dat hij - hoe heet dat tegenwoordig - knap lastig met een aantal zaken was. Soms kon ik dat wel bij hem
aanroeren. Helaas hadden we niet veelvuldig momenten dat we met z'n
tweeën waren.
Zijn zoon David heeft de dagboeken nog steeds niet gelezen. Hij zou wel willen, maar hij staat het zichzelf niet toe. Laatst had ik een heel lang gesprek met hem. Aardige vent. Die jongen heeft zijn vader nooit in de steek gelaten, ook niet toen er hele moeilijke momenten waren. Hij belde mij op om te horen of het werkelijk allemaal zo verschrikkelijk was in dat laatst verschenen dagboek. Ik zei: 'Ga het niet lezen, althans voorlopig niet.' Hij zegt: 'Ik was het ook niet van plan, ik wil het gewoon horen.' Hij zit er wel mee, met die hele afloop en zo, stelt dan rechtuit de vraag die ik niet kan beantwoorden: 'Is mijn vader dan al die jaren belazerd en bedonderd geweest? Dat zou ik heel erg vinden. Ik probeer mij ook voor nare stappen te behoeden, dus ik kan beter dat dagboek niet lezen.' Hans sprak over zijn zoon als 'onze steun en toeverlaat'. Tot het allerlaatst zei hij dat. Als er weer iets was, in huis, dan kwam David opdraven. Dat is altijd zo geweest. Gelukkig, want Hans was niet echt een praktisch mens, niet iemand met twee rechterhanden. Hij vond het ook wel waardevol
dat die jongen nog steeds kwam.
HERINNERINGEN EN GEDICHTEN
Ik ben nu een aantal van die dingen aan het ordenen omdat ik ook
wel eens iets zou willen maken over 'herinneringen aan'. Omdat ik
denk dat die op een aantal punten een ander beeld zullen opleveren
dat wat algemeen bekend is en ook dan wat in de dagboeken staat. Ieder
heeft zijn eigen werkelijkheid. Je kunt met z'n tweeën best hetzelfde
meemaken en daar toch een heel ander beeld bij hebben.
Wat mijn poëzie betreft, ik ben gewoon iemand van: als ik het
opgeschreven heb, vind ik dat het genoeg is. Ik loop daar nooit
achteraan. Nu heb ik wel weer het een en ander bij elkaar gelegd.
Ik vind dat ik niet ver genoeg kom om het te bundelen, maar alleen
al het feit dat ik het gedaan heb, na zoveel tijd… Daar heb ik
mezelf op betrapt. Dat had toch te maken met het overlijden van Hans.
Ik heb toen naar aanleiding van zijn overlijden een aantal gedichten
geschreven.
ALLES IS WEG
Deze tocht heb ik ook een keer met Warren gemaakt.
Zo'n vijftien jaar geleden. Ja, hij is een keer bij me in de
auto gestapt en toen zijn we op zoek gegaan naar of hij nog iets
van vroeger kon vinden. Een helse rit. Hij zegt: 'Er is helemaal
niks meer over van het huis.' We gingen naar het bosje van Warren,
waar hij altijd naar vogels zat te staren. Kom je daar, is er zo'n
nieuwe delta-dijk. Alles is weg. We vonden niks terug. Hij begon heel
vreemd te wijzen in het landschap: dan moet daar toch dit geweest zijn.
Hij wou zo snel mogelijk weg.
© 2003 Ronny Boogaart & Eric de Rooij
Het gesprek dat wij met Andreas
Oosthoek hadden, vond plaats op 19 april 2003.
Mail ons met reacties of eigen
herinneringen aan Warren.
Home
Nieuws