Dilmi Amour,
geloof het geloof het niet, het staat op een graf met een
fallusvormige mohamedaanse steen op het Franse Ereveld te
Kapelle. Zal ooit, vanuit een brandend bled bij de woestijn nog
iemand naar dit rijke dorp komen en zeggen Dilmi was mijn minnaar, mijn
zoon, hij heette... laat het maar zo, amour was zijn bijnaam, zijn
leven, zijn boodschap.
16 mei 1940, - een avond als nu, smaragden
weelde onder de loden dreiging van een noodweer. Was dat Dilmi
amour, die kleine, tengere, hij leek op Echnaton, iets prinselijks,
verfijnds, en in een welig dorp, heel ver van huis maakt hij nog
arabische muziek. Een meisje, gek op zijn mooie ogen, gaf hem schuw een
lekkernij. De dag daarop lag hij dwars over straat, besmeurd,
vertreden, oprukkende duitsers gaan over hem, - er bestaat een foto
van, een foto, zo beschamend, dat je hem diep wegbergt.
(...)
Hans Warren, Verzamelde Gedichten. (Amsterdam: Bert
Bakker, 2002)