Nu de storm is geluwd de ravage in het serene
licht: wat ben je tenger, vaal. Je voeten en oksels rieken - een
vogeljong tijdig uit het nest geregend.
Ik stook het vuur hoog,
rooster vlees en brood, en warm de wijn. Je holle wangen krijgen wat
gloed, je ogen worden groter, zwarter, en je borst begint begeerlijk te
welven in het openhangend linnen hemd.
Alweer geknield bied ik mijn
prins hetgeen ik heb, hetgeen ik maak. Hij keurt verwend en looft
verstrooid mijn zorg, kijkt langs mijn liefde en mijn haat. Hij geeft
een zoen en nog een zoen, een echte lieve trekkebek, en rekt bevrijd eer
hij opnieuw op avontuur uitgaat.
Hans Warren, Verzamelde
Gedichten. Amsterdam: Bert Bakker, 2002.