Een huis in overstroomd.gebied
- je bent door mijn ogen naar buiten gedreven een bed door
opengeslagen ramen. Ik ben als een sluis onderloops geraakt en
neergestort in de werveling van de doorbraak die jij hebt ontketend.
Ze zijn met vlaggen in bomen geklommen en seinden wanhopig
dagenlang naar de trage helikopters die overtrokken tot iemand
aanvoer met een boot vol dekens om 't gemis toe te dekken, met
rubberhandschoenen om de dood aan te vatten en met hard brood dat we
moeten weken in het zoute water van tranen.
Ik ben een koud
leeg huis waarin alles doelloos gebroken ronddrijft waarin de
krabben van de wraakzucht de slappe wieren van vergetelheid elkander
langzaam gaan verstikken; waarin het vuur is uitgesist, de bloemen
zonken tot bleke waterschimmen, en een jongen die op Adonis leek,
met vastgeëbde lokken voorover ligt achter de voordeur.
2
Het is nameloos, luister: wind zingt door dode bomen een
lied dat nergens op slaat. 'Moeder wier kindje van de dakpan gleed,
jongen wiens moeder uit de boom viel, natte nacht kramp
messenstorm, vriend die met stoel en tafel snel naar 't plafond van
de kamer dreef en voor je verdronk boven de kinders nog schreien
hoorde; vlot dat al zijn opvarenden verloor, minste muis die in
zijn holletje verdronk, brief die klaar stond op de schoorsteen,
gesneden boterham voor morgen'.
Het is een lied dat nergens op
slaat, die bomen zijn dood, maar jij leeft nog, en ik leef nog, en
de moeder van het kind en de jongen van de moeder. Het huis is
weer droog gevallen en we zouden liefst weglopen uit de modder naar
Italië. We kunnen niet. We staan tegenover elkaar met vechtlust in de
ogen; een veerkracht die we niet meer kenden zet ons als jonge
dieren in een strijdperk. Zonlicht dat reeds voorjaar belooft valt
door gebroken vensters glanzend op je huid en onbarmhartig in je
ogen. Het onthult dat jouw liefde de mijne overwint. Ik geef me
over, en bijna met hoon help je mij het verleden met het vuil voor
altijd uit het huis te dragen, je jonge benen waren nooit zo aards,
zo mooi en recht en te vertrouwen.
We planten samen nieuwe
tulpen, leggen de dakpan recht voor de moeder, hakken de boom om
voor de jongen. Op een bed van geel harsig hout slapen wij, nieuwe
mensen en onze lichamen werden weer een avontuur.
Hans
Warren, Verzamelde Gedichten. (Amsterdam: Bert Bakker,
2002)