Weet je nog toen het niets was, alles was: jij opende
de deur, een lichte groet, even hield je mijn hand vast, en ik
streelde even als bij vergissing langs je schouder. Toen lichtte je
het deurkleed op en wij gleden in een verlicht aquarium van lach,
pianospel en avondjurken. Aarzelend in dat ogenblik was lente
dichterbij dan in viooltjes, werd liefde inniger beleden dan in al
de verzen die ik sindsdien voor je schreef.
Hans
Warren, Verzamelde Gedichten. (Amsterdam: Bert Bakker,
2002)