Een nieuw begin
Op 1 februari 1970 schrijft Warren een opdracht in Gerrit Komrij's exemplaar van
Tussen hybris en vergaan, waarin hij zich afvraagt:
Gaat er iets beginnen in dit leven?

Herfst 1976, Warren in de tuin
En jawel, na de stille jaren zestig, zijn de jaren zeventig te beschouwen
als een bloeiperiode in leven en werk van Warren.
Het is misschien verleidelijk om dit toe te schrijven aan de definitieve scheiding van Mabel,
in 1975, maar de opleving begint al jaren daarvoor.
Een belangrijke rol daarbij speelt wellicht Warrens vriendschap met Komrij en Hofman,
die hem kennis laten maken met het literaire leven, en het nachtleven, van Amsterdam.
Ook met Mensje van Keulen ontwikkelt zich een intensieve vriendschap.

Met Mensje van Keulen, 1977
Tussen hybris en vergaan (1969) is de eerste in een stroom van dichtbundels. In hoog
tempo volgen Schetsen uit het Hongaarse volksleven(1971),
De Olympos (1973), Herakles op de tweesprong (1974), Betreffende vogels
(1974), 't Zelve Anders (1975) en Winter in Pompei (1975). In 1975
publiceert Warren onder het pseudoniem Engel Piccardt ook nog de bibliofiele bundel
Sperma en tranen. In 1976 volgt de succesvolle bundel
Zeggen wat nooit iemand zei, waarin Warren voor het eerst ook vertalingen
van Kavafis publiceert. De bundel beleeft aan het eind van de jaren '70 drie drukken.
De inspiratie voor een groot deel van de gedichten
die Warren in deze jaren schrijft, wordt geleverd door de liefde.
En dan met name door twee grote liefdes: Theo Willemsen en Giovanni Nurchi.
Theo Willemsen, die Warren voor het eerst ontmoet op 1 december 1974, schrijft ook zelf gedichten.
Onder het pseudoniem Hermes Jöppe publiceert hij in Maatstaf.
Warren heeft het, volgens zijn dagboek, "flink te pakken" van Willemsen, maar tot een relatie komt het niet.
Wel tot gedichten; het gedicht Een Datum draait bijvoorbeeld om de geboortedatum
van Willemsen. Bovendien is het door de boekenplank van Willemsen dat Warren opnieuw belangstelling voor Kavafis krijgt en deze nu ook gaat vertalen.
Al eerder, op 15 juli 1972, had Warren voor het eerst Gianni Nurchi ontmoet, die een amoreus avontuur
had met één van Mabels leerlingen. Warren is op slag hevig verliefd,
wat leidt tot een groot aantal gedichten. Gianni beantwoordt Warrens liefde pas jaren later,
wanneer hij - na Mabels vertrek in '75 - enige tijd bij Warren in huis woont.
Ook een aantal gedichten van Gianni verschijnt, vertaald door Warren, in Maatstaf.

Van links naar rechts: Gianni Nurchi, Charles Hofman, Hans Warren en Gerrit Komrij
Warren is, vanaf 1969, succesvol vertaler van het werk
van De Sade. Maar hij waagt zich in de jaren zeventig ook zelf
aan het schrijven van proza. Aangemoedigd door Bert Bakker schrijft
hij zijn proza-debuut, de novelle Steen der Hulp (1975).
Een jaar later volgt Demetrios, dat voor het grootste deel
is samengesteld uit oude proza- en dagboekfragmenten. Warren draagt
het boek op aan Gianni, maar in de tweede, gewijzigde druk van 1986
is die opdracht verdwenen.
In de jaren zeventig heeft Warren ook over erkenning niet te klagen.
In 1970 krijgt hij de Pierre Bayle-prijs voor zijn literaire kritiek.
Ter gelegenheid daarvan wordt een aantal kritieken gebundeld.
In 1971 volgt de prestigieuze Zeeuwse prijs voor kunsten en
wetenschappen. Er wordt dan in Goes een Warren-tentoonstelling
georganiseerd. In 1977 wordt Warren bovendien benoemd tot ridder
in de orde van Oranje-Nassau.

De PZC over
de toekenning van de Zeeuwse Prijs aan Warren
In de lente van 1978 noteert Warren in zijn dagboek dat hij los begint
te raken van Gianni.
Op 15 juli van dat jaar blikt hij terug op de zes jaar met - en zonder - Gianni, en schrijft het gedicht
15 juli 1972-15 juli 1978. Twee weken later ontmoet hij voor het eerst Mario Molegraaf.