Stille jaren


De jaren na de terugkeer uit Parijs zijn lastig voor Warren. In 1959 overlijdt zijn vader. Het gezinsleven slokt hem op, tot literaire prestaties komt hij niet meer. Alleen zijn Kroniek in de Provinciale Zeeuwse Courant blijft hij trouw schrijven. Als Warren jaren later het dagboekdeel over deze periode klaarmaakt, schrijft hij aan Brigitte Raskin:

Met deel VIII van het geheim dagboek maak ik niet veel vorderingen. De depressie waarin ik in de jaren zestig verkeerde vrolijkt me anno heden ook niet bepaald op, ik zoek telkens een excuus om er niet aan verder te gaan.


Warren in 1970. De foto werd gemaakt door Wim Riemens.

Het zijn jaren dat hij weinig in zijn dagboek noteert. Deel VIII bestrijkt dan ook in vergelijking met de uitgave van de andere delen de meeste tijd: van 1963 tot en met 1970.

In 1965 en 1966 lijkt Warren alle moed verloren te hebben. Hij stelt een dunne bloemlezing uit zijn poëzie samen, Een roos van Jericho. Als hij de bundel in handen krijgt, noteert Warren op 25 maart 1966 in zijn dagboek:

Dit is dan het afscheid, het is niet veel geworden.



In hetzelfde jaar ontmoet Warren Judith Herzberg. Hij vertelt haar over zijn impasse en krijgt van haar het bijzondere advies over zijn grote liefhebberij de duiven te schrijven. Een advies dat Warren in zijn dagboek ter harte neemt. In 1964 al was hij voorzitter geworden van de vinkduivenclub.

Aan Warrens stille en weinig productieve jaren komt eind jaren zestig een einde. Op de valreep van 1968 nodigt Bert Bakker hem uit nieuwe gedichten bij hem te publiceren. Dit wordt Tussen hybris en vergaan, een bundel die Bakker 'een sieraad' voor zijn fonds noemt. Langzaam aan breekt Warren uit de impasse. Hij ziet af van het voorzitterschap van de vinkduivenclub en richt zich meer op de literatuur. Zeker als hij in de zomer van 1969 Gerrit Komrij ontmoet. Het begin van een jarenlange vriendschap die hem ook op creatief gebied zal beïnvloeden.


Een jeugdige Gerrit Komrij (rechts) met zijn vriend Charles Hofman