Home

Eerste wijkagent binnenstad Haarlem neemt afscheid

'Een diender is een doener'

Politieman Ben van Looij reisde als IRT-rechercheur heel Europa door, maar zijn loopbaan liep ten einde in een veel kleiner stukje van de wereld: de Haarlemse binnenstad. Hij was de eerste van de nieuwe lichting wijkagenten die in Haarlem aan de slag is gegaan. En hoewel het decor veranderde, nam Van Looij zijn onorthodoxe werkmethodes mee. Overlast van hangjongeren en verslaafden liet hij expres escaleren om maatregelen af te dwingen. Vorige week nam hij afscheid van de politie Kennemerland.

"Al die criminelen die de afgelopen jaren geliquideerd zijn, kende ik persoonlijk'', vertelt Van Looij. Vanaf 1980 maakte hij deel uit van geheime observatieteams. Hij beschrijft hoe hij vrachtwagens vol drugs vanuit Spanje naar Nederland volgde om hier tot arrestaties over te gaan. "Dan lag er weer een lijn bloot.''
Verder zwijgt hij over die verborgen operaties. Elk woord kan te veel zijn. Vooral over het interregionaal rechercheteam (IRT), dat zwaar in opspraak kwam door omstreden opsporingsmethodes. Zelf heeft hij daarmee nooit veel problemen gehad. "Ik denk dat we gewoon bezig waren met boeven vangen.''
Later kwam hij in een wijkteam terecht, omdat hij al veel te lang in observatieteams had gezeten. "Toen is mijn gehoor kapot geschopt bij een arrestatie. Mijn vrouw was pas overleden, ik had mijn kop er blijkbaar niet bij. We moesten naar het huis van een vrouw die door haar ex lastig werd gevallen. Hij weigerde te vertrekken en ging languit liggen. Na twintig minuten praten zeiden we: we pakken je vierkant op en dragen je vierkant naar beneden. Twee collega's stonden bij zijn hoofdeinde en ik greep een voet. Op dat moment haalde hij uit met zijn andere voet. Het was de enige trap die ik ooit heb gehad.''
Van Looij hoort sindsdien slecht en heeft een permanente ruis in zijn linkeroor. Voor noodhulp is hij niet meer geschikt. "Een binnenfunctie lag me niet. Dit trok me wel, de laatste jaren nog wat voor zo'n buurt doen. Ik ben als diender begonnen en wilde ook als diender eindigen.'' In oktober 2000 streek hij neer in het oostelijk deel van de Haarlemse binnenstad. Overlast van uitgaanspubliek en dealers in de Kleine Houtstraat, hangjongeren bij parkeergarage De Kamp, drugsverslaafden en daklozen in de Egelantiertuin. "Het was één grote ellende.''
Van Looij legde contact met de lastige groepen en dwong langzaam maar zeker respect af, waardoor ze weggingen. "Maar ja, zo jaag je ze alleen de stad door. Het is net als met een waterbed: als je hier drukt, komt 't daar omhoog. De jongeren wilden een jeugdhonk hebben. Dat moest wel binnen een half jaar te regelen zijn, dacht ik. We hebben er wel een jaar over vergaderd, maar de gemeente deed niets. Ook door mijn collega's voelde ik me niet gesteund in het begin. Als zij op overlast af moesten, dan gingen ze wel, maar ze stapten nooit eens uit. Het was mijn winkeltje, vonden ze. Nu gaat dat gelukkig beter.''
Uiteindelijk dreef Van Looij alle jongeren naar de Egelantiertuin. "Dat was een provocatie. Toen ik terugkwam van vakantie, klaagde het wijkteam omdat ze overspoeld waren door overlastmeldingen daar. En het stadsbestuur kon die jonkies moeilijk bij de verslaafden laten zitten. Zo kwam er toch een jeugdhonk: Flinty's, bij de Raaks.'' Om een gebruikersruimte voor verslaafden bespreekbaar te maken, volgde hij een vergelijkbare tactiek. Hij weerhield zijn collega's ervan rondhangende verslaafden bij de Wilhelminakerk te bekeuren. "Op het laatst belde de burgemeester mijn teamchef. Het was daar een enorme klerezooi.''
De gebruikersruimte is nog niet open. "Als diender ben je een doener, maar de politiek moet overal jaren over praten. Neem nou die verpauperde kraakpanden in de Kleine Houtstraat. Je kunt eindeloos afspraken maken met horeca-ondernemers en zaken waar het niet goed gaat aanpakken, maar er komt geen betere uitstraling zolang die krotten blijven staan. Toen ik begon, heb ik gezegd: vóór mijn pensioen staat er nieuwbouw. Dat is vier jaar geleden. Het is niet gelukt. Maar in mijn laatste werkweek zijn de panden wel ontruimd en overgedragen aan een projectontwikkelaar. Dat is ook mooi.''
Ondanks de traag draaiende molens heeft Van Looij het erg leuk gevonden in de buurt. Niet alleen omdat hij er een nieuwe liefde aan overhield - een methadonverpleegkundige van de Brijder Stichting, met wie hij in de toekomst door Europa wil reizen -, maar vooral omdat bewoners zich dankzij hem veiliger voelen.
Er is tegenwoordig te weinig blauw op straat, vindt Van Looij. Hij ziet dan ook niets in de nieuwe politiestrategie: agenten alleen nog doelgericht de straat op sturen en wijkagenten repressiever laten optreden.
"Volgens mij is het juist een kwestie van elke dag je gezicht laten zien. Praten, keer op keer. Daarmee kweek je respect en los je overlast op. Je kunt wel met de wet zwaaien en met de botte bijl tekeer gaan, maar dan escaleert het alleen maar. Bovendien zit je dan veel meer binnen - om meldingen te verwerken. Dan glipt de wijk weer uit je handen.''