VOORWOORD I.
Wanneer ik tot in details zou willen vertellen wat er gedurende de 3 1/2 jaar dat de Japanners Nederlandsch-Indië occupeerde door alle bevolkingsgroepen is geleden en gestreden, zou ik een boek moeten schrijven, doch daar het schrijven van boeken niet in mijn lijn ligt, zal ik er mij toe bepalen te vertellen wat er gedurende een periode van 17 maanden met een groep van 1000 Nederlandse krijgsgevangenen is gebeurd.
De belevenissen en gebeurtenissen in die periode van 17 harde en zware maanden kunnen als schablone beschouwd word en voor hetgeen er op andere tijdstippen op andere plaatsen met andere krijgsgevangenen of burgers in de interneringskampen gebeurde.    
                                                                                      Batavia, 4 februari 1946.




VOORWOORD II.
Eindelijk ……………..Eindelijk.

Ik schreef een voorwoord op 4 februari 1946 en thans, ruim 20 jaar later schrijf ik wederom een voorwoord - aanvullend -, om dat ik naar aanleiding van een op 3 maart 1964 gegeven T.V.voorstelling meende te mogen constateren, dat er toch Nederlanders zijn die beseffen dat er door hun landgenoten gedurende de bezettingsjaren van Nederlandsch-Oost-Indië door de Japanners veel leed geleden is waarvan teveel Nederlanders nauwelijks enig begrip hebben.
Toen begin 1946 in snel tempo duizenden, tienduizenden Indische Nederlanders naar het Moederland kwamen om van de in de Japanse kampen ondervonden ontberingen te recupereren, kwamen de eerste werkelijke verhalen van ooggetuigen los. Deze verhalen werden verteld aan mensen die ook nog maar nauwelijks de wrange gevolgen van een Duitse bezetting te boven gekomen warm en het is menselijk en volkomen begrijpelijk dat op dat moment die Indische verhalen niet de aandacht en het begrip vonden die ze toch waarachtig wel verdienden.


Daar kwamen ze dan, die Indische Nederlanders, letterlijk op een schoen en een slof
en de Hollandse verwanten beseften nauwelijks dat deze mensen alles, maar dan ook alles, hetzij aan de Japanners, hetzij aan de Indonesiërs, hetzij aan de naar hun land teruggekeerde Indische troepen van onze bondgenoten waren kwijt geraakt.
De Nederlandse Regering, begrijpende dat de Indische mensen die uit de kampen waren vrij gekomen in de allereerste plaats een goede voeding nodig hadden, verstrekte aan de recuperanten gedurende een bepaalde periode dubbele bonnen en maar al te vaak is het voorgekomen dat de Indische gasten met open armen ontvangen werden vanwege die dubbele distributiebonnen om helaas te bemerken, dat zodra dit voordeel was afgelopen chicanes en stekelige opmerkingen van hen die oorspronkelijk zo spontaan onderdak gegeven hadden hen het leven zuur begonnen te maken.
Natuurlijk begrepen die Indische mensen heel goed dat er ook in Holland tijdens de bezettingsjaren grote ontberingen en onnoemelijk veel leed geleden was.
De beruchte hongerwinter, de abnormaal strenge winters, de razzia's, de onderduik- ellende, de transporten naar zoals later bleek de beruchte "Vernichtungslager", de executies, de bombardementen, de evacuaties, veel te veel om op te noemen.
Maar één kardinaal verschilpunt bestond er tussen de Duitse bezetting van Holland
en de Japanse bezetting van Nederlands-Indië.   In Indië verdween in de loop der maanden een ieder die van Hollandse afkomst was, mannen vrouwen en kinderen, hetzij in de militaire krijgsgevangenkampen, hetzij in de burger-interneringskampen.
Toen de Japanners capituleerden, waren er nog maar enkele honderden Hollanders, voornamelijk vrouwen en kinderen, buiten de kampen speciaal in Bandoeng en hun leven was bepaald ook niet benijdenswaardig, dat zogenaamde "vrije" bestaan te midden van een vijandig gezinde Indonesische bevolking die voor een luttel bedrag volgaarne als verrader optrad, en van de doorlopende razzia's houdende en controlerende Japanners.
De circa 1700 vrouwen en kinderen die in Bandoeng nog in de "vrije" sector leefden zouden overigens indien de bezetting nog even langer geduurd had, ook geïnterneerd geworden zijn in het Bandoeng-vrouwenkamp "Tjihapit" De namen van de bewoners van dit kamp stonden reeds op transportlijsten om via Batavia naar de Borneokust afgevoerd te worden.
Gezegd mag worden, dat de plotselinge capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 van duizenden geïnterneerden het leven redde.
In Holland zaten ook duizenden in gevangenissen en in interneringskampen, maar het was voor de Duitse bezetters tenslotte ondoenlijk om 11 miljoen mensen te interneren.
Dit betekende, dat de meeste Nederlanders weliswaar een zeer hard leven maar toch een gedeeltelijk "vrij" leven onder lotgenoten konden leiden, met als gevolg mogelijkheden van georganiseerde weerstand en verzet tegen de bezetter, waardoor het moreel gesteund en versterkt werd.

In Indië was dit zeer bepaald niet mogelijk en waar het in de kampen geprobeerd werd getuigen her- en derwaarts in Indië verspreid liggende verwaarloosde en vergeten graven van de bloedige wijze waarop de Japanners pogingen tot verzet in de kiem smoorden.
Stelt men de Indische Nederlanders ronduit de vraag hoe men denkt over de ontvangst in Nederland en over het begrip dat getoond werd na de Japanse capitulatie, dan zal het antwoord bijna unaniem luiden: "matig, zeer matig".
Maar direct zullen zij als excuus aanvoeren, die Indische Nederlanders, dat de Hollanders in het moederland ook nog niet bekomen waren van de gevolgen van de Duitse bezetting.


En nu, op 3 maart 1964 een T.V.- voorstelling over de kampen in Indië, verduidelijkt door een sobere maar volkomen naar waarheid gegeven commentariëring van een gedegen en terzake kundige commentator.
Men zou het "nakaarten" kunnen noemen en nakaarten is meestal vervelend en werpt bijna nooit enig voordeel af. Maar toch is het soms goed, temeer omdat door het verstrijken der jaren de scherpe kanten wat afgeslepen zijn en men meer beschouwend kan terug kijken op een tijd die voor ons Hollanders, zowel in het moederland als in het voormalige Nederlands-OostIndië een harde en ellendige tijd geweest is.


Over de gebeurtenissen in Indië is wel wat geschreven, maar erg veel is er gezien de geweldige hoeveelheid aan feitenmateriaal toch niet aan de openbaarheid prijsgegeven.
Vele rapporten, documenten en beschouwingen zijn in het archief van het Instituut  voor Oorlogsdocumentatie terecht gekomen en zo nu en dan wordt daaruit geput om het een of andere feit wat scherper te belichten of te documenteren.
In het boek "Nederlandsch Indië onder Japanse bezetting 1942-1945" is een zeer grote hoeveelheid materiaal verwerkt geworden en indien men dit lijvige, 660 bladzijden tellende boekwerk, bestudeerd heeft kan met recht gezegd worden dat men gedetailleerd  op de hoogte is van hetgeen er gedurende de Japanse bezetting in ons prachtige Nederlandsch - Indië is geschied.
Jammer dat de prijs van dit zeer goede boek dermate hoog gesteld werd dat alleen de meer kapitaalkrachtigen het zich konden aanschaffen, terwijl het in feite in de boekenkast van een ieder
ie in Indië geïnteresseerd geweest is aanwezig zou moeten zijn.
Vrij snel na de Japanse capitulatie schreef ik een korte brochure "de 1000 van Amahei''
met de bedoeling deze aan degenen die de Amaheitocht overleefd hadden te geven.
Dit is mij gelukt. Enkele exemplaren werden via de Vereniging Oost & West verkocht,
maar tot op heden weten tè weinig Hollanders wat hun Indische landgenoten in de Indische kampen meegemaakt en doorstaan hebben,
Het is daarom dat ik mijn waarlijk niet opbeurend verhaal wederom ter perse liet gaan met de bedoeling dat vele Nederlanders een inzicht kunnen krijgen over wat zij in feite behoren te weten. Zij behoren dit te weten, omdat tijdens de Japanse bezetting tienduizenden verwanten en landgenoten hun laatste rustplaats vonden ergens onder de palmen van het voormalige Nederlands-Oost-Indië.


Huis ter Heide, 19 maart 1964.

            En zo marcheerde 's-middags om 5 uur een eerste groep van 500 man, geëncadreerd door 16 officieren de poort van het kamp uit naar het station Koningsplein te Batavia.  
Een tweede groep van 500 man volgde twee uur later. 1000 Nederlandse krijgsgevangenen, een conglomeraat vormend van vertegenwoordigers uit alle rangen en standen van de Indische maatschappij, waren hun reis met onbekende bestemming begonnen, een reis, die helaas velen, zeer velen het leven zou kosten.

Op het station Koningsplein werd het publiek op de gebruikelijke wijze door de Koreaanse wachten
op grote afstand gehouden, opdat geen contacten tussen krijgsgevangenen en dit publiek tot stand gebracht zouden kunnen worden.
Het transport geschiedde in de 4e klas spoorwagons, plaats biedend aan circa 30 personen,
och de krijgsgevangenen werden met 50 personen plus hun bagage in deze wagons geperst,
hetgeen een sardineblikverpakking betekende.
Ook thans vergaten de Japanners niet hun facadepolitiek op te voeren, want vers brood, blikken boter
en suiker werden in het ooglopend in de wagons geladen, om toch vooral het op afstand gehouden publiek goed te laten zien, dat de krijgsgevangenen op humane wijze behandeld werden.
Om 7 uur n.m. vertrok de eerste trein met 500 man om twee uur later door een tweede trein,
eveneens met 500 man, gevolgd te worden .
De indrukken die wij gedurende de treinreis van 24 uur van Batavia naar Soerabaja opdeden,
zullen wij niet licht vergeten. Wij doorkruisten van West naar Oost, Java, het nijvere Java van weleer.
Doch wat was er na een jaar occupatie door Nippon van dit nijvere Java overgebleven.
Zelfs vanuit de trein konden wij duidelijk verval en malaise constateren.

Uitgestorven stations, uitgestorven verkeerswegen, waarop geen enkel motorvoertuig te bespeuren viel, gesloten rijstpellerijen en oliefabrieken, ledige of slechts gedeeltelijk beplantte sawahs en landerijen,
op de rangeeremplacementen onafzienbare rijen ledige goederenwagons.
Het anders zo levendige oliecentrum van Tjepoe was dood en verlaten.
Slechts één schoorsteen van een kleine werkplaats rookte.
Reeds na één jaar bezetting was het duidelijk, toen wij door Java's djatihoutcentra reden,
at de Japanners op rigoureuze wijze bezig waren Java's houtreserves uit te dunnen. Reeds bestaande stapelplaatsen lagen vol met verkapt hout en op diverse punten waren nieuwe stapelplaatsen opgericht.
Geen goedlachse Javaanse bevolking vertoonde zich op de wegen, geen vrolijk spelende kinderen fleurden het kampongbeeld op. Verscholen in hun kampongs, bedrukt in de schaduw hunner woningen terneer zittend, toonde Java's bevolking reeds duidelijk het stempel van Japanse onderdrukking.
Voor ons allen die Java gekend hadden in al haar actie, in al haar bedrijvigheid,
voorwaar een wrang en desolaat beeld.
Vier en twintig uren duurde de reis van Batavia naar Soerabaja en wat dit betekende,
opgepakt zittend als haringen in een ton, met meestal gesloten raampjes, met weinig voedsel en praktisch geen drinken, onder tropische omstandigheden, behoef ik niemand die de tropen kent uit te leggen. Vermoeid, afgemat en uitgedorst arriveerden onze beide groepen respectievelijk om 7 uur en om 9 uur 's-avonds op 13 april op het Goebengstation in Soerabaja     In feite kwamen wij reeds om half zes in Soerabaja aan, doch men liet de trein buiten de kap van het station wachten tot het geheel donker was omdat de Japanners wensten te voorkomen, dat er tijdens de mars van het station naar het krijgsgevangenenkamp dat ons zou opnemen, contact met de nog buiten de kampen wonende burgerbevolking zou ontstaan.
En zo marcheerden wij, opgejaagd door geschreeuw en gegil van onze koreaanse bewakers naar het beruchte Soerabaja "Jaarmarktkamp". Hoe men het wist zal ons altijd wel een raadsel blijven, maar Soerabaja's Burgerbevolking was ervan op de hoogte, dat er weer een transport krijgsgevangenen was aangekomen.
Vandaar dan ook, dat wij, toen wij moesten lopen van het station naar het kamp, in donkere tuinen, in donker gehouden voorgalerijen achter gordijnen de schimmen van honderden vrouwen en kinderen zagen staan, die verbeten stil de zware bagage torsende colonne mannen aan zich voorbij zagen trekken.
Wanneer de afstand niet te groot was, sisten gefluisterde vragen: …..
'Waar komen jullie vandaan? -- Waar gaan jullie heen? -- Wie zijn jullie? -- Is X of Y of Z erbij?".
Dan plotseling weer geschreeuw en gegil van onze bewakers, een paar dof kletsende bamboeslagen
en een vrouw die zich wat al te driest naar voren had gewaagd, werd door de welvaartbrengers van het Gele Rijk een huis binnen geslagen.
Dan snerpt in het duister een schel kinderstemmetje:
"Pappie, pappie kom je gauw thuis?" en door het gesmoorde afbreken van de vraag begrijpen wij,
dat een bezorgde vrouwenhand op het vragende kindermondje is gelegd.
Op.., richten zich de zwoegende, transpirerende, afgematte slaven.
Verbeten kijkt men elkaar aan met vragende blikken, was dat mijn, was dat jouw dochtertje.?
En voort gaat men, sloffend en struikelend in de gaten van de geruïneerde asfaltwegen.
De bamboepoorten van het Jaarmarktkamp openden en sloten zich.
De eerste étappe van een lange lijdensweg was achter de rug.
Een reis met onbekende bestemming ......


Op 12 april 1943 stond in het krijgsgevangenenkamp van het Xe Bataljon te Batavia een groep van 1000 mannen, t.w. 32 officieren en 968 onderofficieren en minderen gereed om met onbekende bestemming op transport gesteld te worden. Het idee "onbekende bestemming" was hen niet vreemd, want de Japanners vertelden nooit van tevoren waar hun transporten heen gingen en dit werkte er beduidend  toe mee de onzekerheid en de ongerustheid onder de vertrekkenden, maar ook onder de achterblijvers, te vergroten.
Met dit systeem van strenge geheimhouding hebben de Japanners bereikt, dat de op Java achtergebleven vrouwen jarenlang in de overtuiging hebben geleefd, dat er geen krijgsgevangenen van Java werden afgevoerd. -- Zelfs kort voor de Japanse capitulatie
waren er mensen, die niet aan een afvoer van Java geloofden.
Het enige wat wij te weten konden komen van de Japanse dokter, die de groep had uitgezocht, was dat wij naar een plaats zouden gaan waar hard gewerkt zou moeten worden en dat, indien de werkzaamheden zouden verlopen zoals men zich dat gedacht had, de trip een periode van 6 maanden uit en thuis in beslag zou nemen.
Ons was bevolen geworden de mede te nemen bagage tot een volstrekt minimum te beperken en dit werd nog tijdens de inspectie voor het vertrek geaccentueerd door het feit, dat de Japanners rigoureus allerlei waardevolle artikelen, zoals een extra paar schoenen, dekens, ligmatten, regenjassen, veldbedden zonder pardon afnamen. --
Dit optreden was voor ons reden om aan te nemen, dat ons transport over zee zou gaan.
In 1943 was  Kenichi Soneï (geb 1910) commandant van het kamp te Batavia waar het  Xde bataljon 'verbleef'.
Later werd hij commandant van het vrouwenkamp Tjideng.
Op de foto verlaat hij in donker pak de Temporaire Krijgsraad  te Batavia.
Hij werd veroordeeld tot de dood  door ophanging.
Aldus geschiedde 7 december 1946....
Jaarmarkt te Soerabaia in 1926



Op 14 april kregen wij onze eerste meer duidelijke indrukken van het Jaarmarktkamp. Reeds in West Java hadden wij gehoord, dat het ziektecijfer in dit kamp ontstellend hoog was en dat er. vooral veel oogpatiënten waren. En inderdaad, wij zagen ze, die oogpatiënten. Ca. 1000 man met oogkwalen, variërend van slecht tot zeer slecht. Bijna blinde zich met een stokje rondtastende, strompelend voortbewegende jonge tot zeer jonge mannen. Dit was te wijten aan de meer dan ergerlijke ondervoeding, waarmede de bewoners van dit kamp te kampen hadden gehad.
In de nacht van 13 op 14 april en op 14 april werkte het kampkantoor op volle toeren.
Ziekentransporten werden samengesteld en het gevolg was dat ca. 1200 zieken het kamp verlieten met zoals wij vernamen bestemming Bandoeng.
Het samenstellen van deze transporten was weer een ergerlijke vertoning op zichzelf.
Urenlang moesten de brancard-patienten in de felle zon liggen om op hun indelingsnummer te wachten.
Het werd tenslotte een combinatie van allerlei zieke en zwakke patienten en zelfs ernstige dysenterie-patienten werden op transport gezonden. Ook weer later vernamen wij dat gedurende het transport een aantal van de ernstigste gevallen in de trein overleden waren .
Op 15 april kreeg onze groep haar eerste slachtoffer. Het zware transport Batavia - Soerabaja was voor hem teveel geweest en het zwakke hart had de dienst moeten opgeven. Eveneens op 15 april begonnen zich in onze groep de eerste verschijnselen van dysenterie te vertonen.
Om te tonen hoe goed er wel voor ons gezorgd zou worden verzamelde een majoor Anami, die commandant zou worden van de vertrekkende werkgroep, een 6000 krijgsgevangenen en-carré om zich heen.
Klein van stuk zijnde klom hij op een tafel en zich langzaam als een marionet met kleine schokjes omdraaiende, stelde hij ons, krijgsgevangenen, in de gelegenheid zijn gelaat goed te bekijken
Plotseling brulde hij: "Look at my face '. Wij deden zulks en toen bralde hij in slecht Engels:
"I am your commander. You are going to a place where you must work very hard. But Nippon is guarding you and so you will be safe. If you work good you will be back on Java in 6 months time "
Deze majoor Anami, die zich in de toekomst zou ontplooien als een oorlogsmisdadiger van het zuiverste water, kreeg natuurlijk prompt na afloop van de belachelijke vertoning de bijnaam van
"Look at my face".

In de avond van 17 april kreeg onze groep een rantsoen ongekookte rijst uitgereikt en werden er verder een aantal rubberschoenen uitgedeeld, waarvan de grootste maat nr. 10 was. Daar vele Hollanders echter op aanmerkelijk grotere voet leven, konden lang niet allen van schoeisel worden voorzien en werd iemand die met maat 11 of 12 behept was met maat 7 of 8 afgescheept. Men moest dan maar met anderen trachten te ruilen, doch daar er geen grotere maten dan nr. 10 werden verstrekt, was dat een onmogelijke opgave.
Maar Nippon had administratief de krijgsgevangenen van nieuw schoeisel voorzien.

In de 4 dagen dat wij in het Jaarmarktkamp doorbrachten, kreeg onze groep een 20 tal dysenterie-patienten en tot onze niet geringe verbazing werden deze mensen naar het kamphospitaal gezonden en door gezonde mensen uit het Jaarmarktkamp vervangen.
Op 18 april vertrok onze groep, weer op sterkte gebracht en gevolgd door twee groepen van
2000 man elk en één van 1000 man uit het Jaarmarktkamp om per trein naar Soerabaja-haven vervoerd te worden.
Op dat moment begonnen derhalve 6000 man hun zeereis met onbekende bestemming onder de beproefde bewaking van de zonen van Nippon.
Het Jaarmarktkamp,


Het jaarmarktkamp was in liquidatie en vertoonde daardoor de chaotische toestand van vervuiling en verwaarlozing waardoor elk kamp in liquidatie gekenmerkt wordt. Onze 1000 mannen werden opgepropt in enige volkomen vervallen lekkende en van ongedierte wemelende bamboeloodsen. Uitgeput, zonder zelfs aan eten te denken, strekten de mannen zich op de wankele, gebroken baleh-balehs uit en zonder zelfs hun bagage te openen viel men in een loodzware slaap.
In slaap vergeet men .
Twee uur later, midden in de nacht, gegil, gevloek en getier van slaande en schoppende bewakers. "Opstaan honden. Deze barakken zijn nog veel te goed voor   jullie. Verhuizen:". En in het stikkedonker graaiden lome, vermoeide handen naar schamele bezittingen. Stijf en pijnlijk kwam men overeind en volgde als goedig kuddevee de kop van de colonne naar de nog slechtere loodsen die ons werden aangewezen. Kletsende slagen, doffe stompen, 'Bakéro', jij hond van een Europeaan, weet jij niet dat als je rookt, je een met water gevuld asbakje bij je moet hebben? Kiotské, in de houding, hond en buig voor een zoon van het Rijk der Rijzende Zon. Buigen zei ik. Dat is geen buigen, jij stommeling. Ik zal je leren. Kom geknield liggen op deze scherpe sintels en blijf daar liggen tot het morgenappèl."
En 999 mannen gingen slapen .
In slaap vergeet men
Majoor Anami was de hoogst verantwoordelijke officier voor de dwangarbeidskampen in
de Molukken en Flores.  
De engelsen noemden hem "whiskers".
Nederlanders noemden hem
"de sik " en "annemie".
De bijnaam "look-at-my-face"werd ook berucht.

Zeereis bestemming onbekend.

De trein, die ons vanaf het station Goebeng naar het haven -
emplacement bracht, reed door Sóerabaja's dichtbevolkte
Indonesische bevolkingswijken en toen wij met een slakkengangetje door deze wijken reden,
deed zich iets voor dat velen van ons met verbazing, maar ook met grote ontsteltenis vervulde.
Langs de spoorbaan,bij de overwegen stonden honderden Indonesiërs, mannen, vrouwen en kinderen, die toen de treinen voorbij reden een oorverdovend gejuich aanhieven, een gejuich dat weldra in een grote scheldpartij ontaardde. Even dachten wij dat dit gehoon en gejoel bestemd was voor onze bewakers, die met het geweer in de arm op de bordessen van de wagons stonden,
maar plotseling, met een schok, drong het tot ons door dat deze demonstratie tegen ons, krijgsgevangenen, gericht was. Zo was het dus. Nauwelijks één jaar nadat wij onze trotse driekleur voor bruut Japans oorlogsgeweld hadden moeten strijken, was de stemming van een gedeelte van de Indonesische bevolking volkomen tegen ons gericht.  Weliswaar werd hier niet gedemonstreerd door de elite van Indonesia's bevolking en ongetwijfeld zullen er in april 1943 nog vele Indonesiërs geweest zijn, die met verlangen aan het Nederlandse bewind terug dachten, maar wat wij op dit moment meemaakten trof ons diep en stemde ons tot ernstig nadenken.

Voordat wij aan boord gingen. gaven de Japanners weer één van hun beproefde publiciteitsstunts weg. Wij moesten n.l. in een lange rij door een haag van inhet wit geklede Japanners doorlopen,
ie ons en onze bagage met een spray van desinfectant bespoten.

De Japanse officieren die ons zouden begeleiden kregen ook hun deel.
Om ons heen snorden de filmcamera's opdat de wereld later met eigen ogen zou kunnen zien hoe prachtig Nippon wel zorgde voor de gezondheidstoestand van de aan hun zorgen toevertrouwde krijgsgevangenen.
Overigens bemerkten wij later aan boord, dat het ongedierte dat wij uit het Jaarmarktkamp hadden medegenomen, voornamelijk wandluizen die in grote getale in onze bagage gekropen waren,
zich van de ontsmettingspoging niets hadden aangetrokken.
De ontsmettingsvertoning duurde overigens maar twintig minuten, want toen er voldoende film was opgenomen werd de voorstelling gestopt en honderden krijgsgevangenen gingen aan boord zonder bespoten te zijn.
Het voor ons bestemde schip„ de "Kunitama Maru", oorspronkelijk gebruikt als Japans troepentransportschip beschikte over drie luiken. In deze luiken warm houten stellages gebouwd, waardoor meer ligruimte verkregen werd en waardoor het mogelijk was in de drie ruimen
1500 man te bergen. Daar de gemiddelde lichaamslengte van een Europeaan beduidend groter is
an die van de zonen van Nippon, betekende 500 man per luik een puzzel, die de gehele reis niet bevredigend door ons kon worden opgelost. En zo gingen wij op 18 april op de rede van Soerabaja
ten anker en zagen wij, dat er om ons heen een convooi werd samengesteld.
Op 20 april zorgden de Japanners voor een aardige afleiding.
Eén van de transportschepen geraakte door onvoorzichtigheid van de Japanners in brand en na anderhalf uur levendig gebrand te hebben, sprong het met een daverende knal uit elkaar en binnen een minuut verdween de "Sumerusan Maru", het ex K.P.M.-schip "Siberg", onder de golven. Onze "Kunitama Maru" lag op slechts 200 m. afstand van het brandende schip en dat bleek ons geluk te zijn, want de regen van staal, dekkranen, brandende petroleumblikken en benzinevaten die door de explosie werd veroorzaakt. sloeg juist over ons schip heen. Slechts een paar onbeduidende verwondingen werden veroorzaakt en twee van onze mensen sprongen, min of meer in paniekstemming overboord. Zij werden door de bemanning van Inlandse prauwen opgevist en weer terug gebracht, beschuldigd een ontsnappingspoging gedaan te hebben en dientengevolge met een onmenselijk pak slaag gestraft.
Niet onder de krijgsgevangenen. doch wel onder de Japanse bewakers ontstond door dit brandincident een paniek. die toen het gevaar geweken was in een scheld- en ranselpartij omsloeg.
De heldhaftige Koreanen moesten toch iets doen om hun "losing face" te verbergen.
Het vergane schip had gelukkig geen krijgsgevangenen aan boord, doch wel voedsel en materialen voor de te bouwen kampen.
Een en ander was de reden dat ons vertrek enige dagen werd uitgesteld, zodat wij tot 22 april op de rede van Soerabaja bleven liggen. in een stalen schip, in de tropenzon, met 500 man in een luik,
waar nauwelijks plaats voor 400 man was.

In de middag van 22 april lichtten wij het anker en het convooi, bestaande uit vier 4500-tons troepenschepen, enige kleinere transportschepen plus een olietankertje, vertrok.
Het geheel werd begeleid door twee kleine, slecht bewapende met radioinstallatie uitgeruste convoyeurs. In het bezit van een door de talloze inspecties heen gesmokkeld kompas
konden wij onze koers controleren.
Na eerst enige uren pal West gelopen te hebben, werd omstreeks middernacht een Noordkoers aangenomen, die weer enige uren later in een Oostkoers werd verlegd.
Bij het krieken van de morgen zagen wij de duinformatie van het eiland Madoera aan stuurboord
en wij begrepen dat wij ergens in de Molukken onze eindbestemming zouden vinden.


Eindeloze dagen, eindeloze, tot stikkens toe benauwde nachten, de overkropte ruimen,
slecht voedsel en veel te weinig drinken om de uitgedorste mannen enige lafenis te bieden.
Dysenterie die in steeds sneller tempo de kop begon op te steken.
Op 27 april zwaaiden een troepentransportschip, plus twee kleinere transportschepen en het olietankertje van ons of om in zuidoostelijke richting door straat Aapi, waarschijnlijk met bestemming Timor te verdwijnen.
Ons convooi begon een koers noordoost te lopen en weddenschappen over onze uiteindelijke bestemming werden afgesloten. Zij die hun geluk op Ambon beproefd hadden waren de winnaars want op 29 april liepen wij de baai van Ambon binnen om voor het plaatsje Ambon voor anker te gaan. Daar Ambon toen reeds regelmatig in de belangstelling van geallieerde vliegtuigen stond, kropen wij zo dicht mogelijk onder de kust en konden wij slechts hopen, dat geallieerde diligentie gedurende de tijd dat wij in Ambonbaai lagen, gering zou zijn.
Maar niets daarvan, 29 april 's-morgens om half tien luchtalarm. Daar kwamen ze, onze geallieerde Liberators.- Vijf stuks, rustig in formatie vliegend.
Paniekstemming onder de Jappen. Getrokken zwaarden, ranselende geweerkolven.
In de ruimen met die krijgsgevangenen: Struikelend, vallend, springend werden de witte slaven de ruimen ingeranseld.
Een stuk afweergeschut op ons achterdek, N.B. een stuk 7,5 cm-veld, begon te blaffen. De luchtdoelmitrailleurs 12,7 mm op de brug weigerden dienst.
Krijgsgevangenen gevraagd om deze stukken op gang te brengen, doch in zulke benarde omstandigheden zijn die krijgsgevangenen altijd zo ongelofelijk stom.
Iedereen was vergeten hoe zo'n 12,7 nu eigenlijk wel werkt.
Zes batterijen afweergeschut, opgesteld in Ambon-kotta, openden het vuur.
Scheepsmitrailleurs van andere in de baai liggende schepen completeerden het pandemonium. Doffe bominslagen werden gehoord in de richting van de Marinebasis, omstreeks 2 km van ons vandaan.
Voorzichtig op de scheepstrap naar boven kruipend kon ik de luchtactie waarnemen en als ooggetuige de op elkaar gepakt staande gevangenen rapporteren wat er gaande was. :
..... " De formatie valt uiteen. De springpunten van het afweergeschut liggen honderden meters verkeerd. Twee machines komen in onze richting, passeren voor onze boeg.
Bommen worden afgeworpen. Kalm mannen, deze bommen kunnen ons niet treffen.
Een enkele machine vliegt nu recht over ons heen, is thans recht boven ons, gooit nu bommen af. Rustig mannen, deze bommen zijn voor de wal bestemd en zullen ons niet rak en. --
Vlieghoogte van de aanvallers ca. 2000 meter.
Dat gegier boven ons hoofd zijn geen bommen, dat zijn granaten van het afweergeschut, men vuurt over ons schip heen. Machines verdwijnen in zuidelijke richting. Over mannen"...
Een zucht van verlichting, want het is geen pretje om met honderden mannen in een halfdonker scheepsruim op elkaar gepakt te staan, zonder iets te kunnen doen dan te wachten of misschien een voltreffer het schip zal raken.





Dit dan was het antwoord op de schone speech van majoor "Look at my face",  waarbij hij ons vertelde, dat wij onder de beproefde leiding van Nippon een veilige reis zouden hebben.

Het konvooi was nu nog 3 schepen.
De ' kunitama maru ' met 1000 gevangenen bestemd voor Amahei  te Ceram ..
De 'amagi maru' en 'matsukawa maru' , vervoerden 1700 engelsen en 350 nederlanders in sardineblikstijl. Hun einddoel was het eiland Haroekoe.
één voltreffer op de kunitama maru en het schip met meer dan 1000 gevangen was de lucht ingegaan.
Op een andere reis, nov '43, werd het schip wél geraakt en zonk.
Door het heen en weer geren in het ruim is één van de bodemplanken gekanteld en wat zien wij?
Dat wij, zoals later ook bij de lossing van het schip zal blijken,
reizen op een lading van 6000 vliegtuigbommen, enige honderden kisten munitie in het middenruim.
Vaten benzine en smeerolie in het voorruim en kisten voedsel in het achterruim
.

Een half uur ná het luchtalarm werd het anker gelicht en wij stoomden Ambonbaai uit met onbekende bestemming.
Daglicht 30 april 1943.
In een idyllisch rustige baai gingen wij op Prinses Juliana's verjaardag ten anker.
In de vroege ochtenduren werden enige gedenkwaardige woorden gesproken ter ere van deze verjaardag en unaniem werd
het voorstel van het commando overgenomen om het te betrekken kamp de naam "Julianakamp" te geven.
Wij waren aangekomen in de baai van Amahei en op de aloon-aloon van het plaatsje Amahei zouden wij ons eerste kamp gaan bouwen....
Station Goebeng, Soerabaia
Pagina 1
Pagina 1