Zeereis bestemming onbekend.
De trein, die ons vanaf het station Goebeng naar het haven -
emplacement bracht, reed door Sóerabaja's dichtbevolkte
Indonesische bevolkingswijken en toen wij met een slakkengangetje door deze wijken reden,
deed zich iets voor dat velen van ons met verbazing, maar ook met grote ontsteltenis vervulde.
Langs de spoorbaan,bij de overwegen stonden honderden Indonesiërs, mannen, vrouwen en kinderen, die toen de treinen voorbij reden een oorverdovend gejuich aanhieven, een gejuich dat weldra in een grote scheldpartij ontaardde. Even dachten wij dat dit gehoon en gejoel bestemd was voor onze bewakers, die met het geweer in de arm op de bordessen van de wagons stonden,
maar plotseling, met een schok, drong het tot ons door dat deze demonstratie tegen ons, krijgsgevangenen, gericht was. Zo was het dus. Nauwelijks één jaar nadat wij onze trotse driekleur voor bruut Japans oorlogsgeweld hadden moeten strijken, was de stemming van een gedeelte van de Indonesische bevolking volkomen tegen ons gericht. Weliswaar werd hier niet gedemonstreerd door de elite van Indonesia's bevolking en ongetwijfeld zullen er in april 1943 nog vele Indonesiërs geweest zijn, die met verlangen aan het Nederlandse bewind terug dachten, maar wat wij op dit moment meemaakten trof ons diep en stemde ons tot ernstig nadenken.
Voordat wij aan boord gingen. gaven de Japanners weer één van hun beproefde publiciteitsstunts weg. Wij moesten n.l. in een lange rij door een haag van inhet wit geklede Japanners doorlopen,
ie ons en onze bagage met een spray van desinfectant bespoten.
De Japanse officieren die ons zouden begeleiden kregen ook hun deel.
Om ons heen snorden de filmcamera's opdat de wereld later met eigen ogen zou kunnen zien hoe prachtig Nippon wel zorgde voor de gezondheidstoestand van de aan hun zorgen toevertrouwde krijgsgevangenen.
Overigens bemerkten wij later aan boord, dat het ongedierte dat wij uit het Jaarmarktkamp hadden medegenomen, voornamelijk wandluizen die in grote getale in onze bagage gekropen waren,
zich van de ontsmettingspoging niets hadden aangetrokken.
De ontsmettingsvertoning duurde overigens maar twintig minuten, want toen er voldoende film was opgenomen werd de voorstelling gestopt en honderden krijgsgevangenen gingen aan boord zonder bespoten te zijn.
Het voor ons bestemde schip de "Kunitama Maru", oorspronkelijk gebruikt als Japans troepentransportschip beschikte over drie luiken. In deze luiken warm houten stellages gebouwd, waardoor meer ligruimte verkregen werd en waardoor het mogelijk was in de drie ruimen
1500 man te bergen. Daar de gemiddelde lichaamslengte van een Europeaan beduidend groter is
an die van de zonen van Nippon, betekende 500 man per luik een puzzel, die de gehele reis niet bevredigend door ons kon worden opgelost. En zo gingen wij op 18 april op de rede van Soerabaja
ten anker en zagen wij, dat er om ons heen een convooi werd samengesteld.
Op 20 april zorgden de Japanners voor een aardige afleiding.
Eén van de transportschepen geraakte door onvoorzichtigheid van de Japanners in brand en na anderhalf uur levendig gebrand te hebben, sprong het met een daverende knal uit elkaar en binnen een minuut verdween de "Sumerusan Maru", het ex K.P.M.-schip "Siberg", onder de golven. Onze "Kunitama Maru" lag op slechts 200 m. afstand van het brandende schip en dat bleek ons geluk te zijn, want de regen van staal, dekkranen, brandende petroleumblikken en benzinevaten die door de explosie werd veroorzaakt. sloeg juist over ons schip heen. Slechts een paar onbeduidende verwondingen werden veroorzaakt en twee van onze mensen sprongen, min of meer in paniekstemming overboord. Zij werden door de bemanning van Inlandse prauwen opgevist en weer terug gebracht, beschuldigd een ontsnappingspoging gedaan te hebben en dientengevolge met een onmenselijk pak slaag gestraft.
Niet onder de krijgsgevangenen. doch wel onder de Japanse bewakers ontstond door dit brandincident een paniek. die toen het gevaar geweken was in een scheld- en ranselpartij omsloeg.
De heldhaftige Koreanen moesten toch iets doen om hun "losing face" te verbergen.
Het vergane schip had gelukkig geen krijgsgevangenen aan boord, doch wel voedsel en materialen voor de te bouwen kampen.
Een en ander was de reden dat ons vertrek enige dagen werd uitgesteld, zodat wij tot 22 april op de rede van Soerabaja bleven liggen. in een stalen schip, in de tropenzon, met 500 man in een luik,
waar nauwelijks plaats voor 400 man was.
In de middag van 22 april lichtten wij het anker en het convooi, bestaande uit vier 4500-tons troepenschepen, enige kleinere transportschepen plus een olietankertje, vertrok.
Het geheel werd begeleid door twee kleine, slecht bewapende met radioinstallatie uitgeruste convoyeurs. In het bezit van een door de talloze inspecties heen gesmokkeld kompas
konden wij onze koers controleren.
Na eerst enige uren pal West gelopen te hebben, werd omstreeks middernacht een Noordkoers aangenomen, die weer enige uren later in een Oostkoers werd verlegd.
Bij het krieken van de morgen zagen wij de duinformatie van het eiland Madoera aan stuurboord
en wij begrepen dat wij ergens in de Molukken onze eindbestemming zouden vinden.
Eindeloze dagen, eindeloze, tot stikkens toe benauwde nachten, de overkropte ruimen,
slecht voedsel en veel te weinig drinken om de uitgedorste mannen enige lafenis te bieden.
Dysenterie die in steeds sneller tempo de kop begon op te steken.
Op 27 april zwaaiden een troepentransportschip, plus twee kleinere transportschepen en het olietankertje van ons of om in zuidoostelijke richting door straat Aapi, waarschijnlijk met bestemming Timor te verdwijnen.
Ons convooi begon een koers noordoost te lopen en weddenschappen over onze uiteindelijke bestemming werden afgesloten. Zij die hun geluk op Ambon beproefd hadden waren de winnaars want op 29 april liepen wij de baai van Ambon binnen om voor het plaatsje Ambon voor anker te gaan. Daar Ambon toen reeds regelmatig in de belangstelling van geallieerde vliegtuigen stond, kropen wij zo dicht mogelijk onder de kust en konden wij slechts hopen, dat geallieerde diligentie gedurende de tijd dat wij in Ambonbaai lagen, gering zou zijn.
Maar niets daarvan, 29 april 's-morgens om half tien luchtalarm. Daar kwamen ze, onze geallieerde Liberators.- Vijf stuks, rustig in formatie vliegend.
Paniekstemming onder de Jappen. Getrokken zwaarden, ranselende geweerkolven.
In de ruimen met die krijgsgevangenen: Struikelend, vallend, springend werden de witte slaven de ruimen ingeranseld.
Een stuk afweergeschut op ons achterdek, N.B. een stuk 7,5 cm-veld, begon te blaffen. De luchtdoelmitrailleurs 12,7 mm op de brug weigerden dienst.
Krijgsgevangenen gevraagd om deze stukken op gang te brengen, doch in zulke benarde omstandigheden zijn die krijgsgevangenen altijd zo ongelofelijk stom.
Iedereen was vergeten hoe zo'n 12,7 nu eigenlijk wel werkt.
Zes batterijen afweergeschut, opgesteld in Ambon-kotta, openden het vuur.
Scheepsmitrailleurs van andere in de baai liggende schepen completeerden het pandemonium. Doffe bominslagen werden gehoord in de richting van de Marinebasis, omstreeks 2 km van ons vandaan.
Voorzichtig op de scheepstrap naar boven kruipend kon ik de luchtactie waarnemen en als ooggetuige de op elkaar gepakt staande gevangenen rapporteren wat er gaande was. :
..... " De formatie valt uiteen. De springpunten van het afweergeschut liggen honderden meters verkeerd. Twee machines komen in onze richting, passeren voor onze boeg.
Bommen worden afgeworpen. Kalm mannen, deze bommen kunnen ons niet treffen.
Een enkele machine vliegt nu recht over ons heen, is thans recht boven ons, gooit nu bommen af. Rustig mannen, deze bommen zijn voor de wal bestemd en zullen ons niet rak en. --
Vlieghoogte van de aanvallers ca. 2000 meter.
Dat gegier boven ons hoofd zijn geen bommen, dat zijn granaten van het afweergeschut, men vuurt over ons schip heen. Machines verdwijnen in zuidelijke richting. Over mannen"...
Een zucht van verlichting, want het is geen pretje om met honderden mannen in een halfdonker scheepsruim op elkaar gepakt te staan, zonder iets te kunnen doen dan te wachten of misschien een voltreffer het schip zal raken.
Dit dan was het antwoord op de schone speech van majoor "Look at my face", waarbij hij ons vertelde, dat wij onder de beproefde leiding van Nippon een veilige reis zouden hebben.