1 Het zelfbewustzijn van het jodendom

 

 

1.14    METAFYSICA EN METAHISTORIE
Er bestaat bij voorbeeld een fundamenteel verschil in betekenis, bedoeling en onderwerp tussen een wetenschappelijke theorie over het ontstaan van het heelal en wat de eerste hoofdstukken van het boek Genesis proberen over te brengen. Genesis heeft niet de bedoeling iets uit te leggen; het mysterie van het ontstaan van de wereld wordt in geen enkel opzicht begrijpelijker gemaakt door een vaststelling als In het begin schiep God de hemel en de aarde. De bijbel en de wetenschap hebben niet hetzelfde probleem. De wetenschappelijke theorie vraagt: wat is de oorsprong van het heelal? Zij denkt in de categorie van oorzakelijkheid en oorzakelijkheid maakt zich een voorstelling van de relatie tussen een oorzaak en een gevolg als onderdelen van een doorgaand proces, als veranderlijke onderdelen van een onveranderlijk geheel. De bijbel maakt zich juist een voorstelling van de relatie tussen de Schepper en het heelal als een relatie tussen twee wezenlijk verschillende en onvergelijkbare grootheden en beschouwt de Schepping zelf meer als een gebeurtenis dan als een proces (zie hoofdstuk 22). Aldus is de Schepping een idee die de oorzakelijkheid overstijgt; zij vertelt ons hoe het komt dat oorzakelijkheid bestaat. Liever dan de wereld te verklaren in aan de natuur ontleende categorieën, zinspeelt ze op wat de natuur mogelijk maakte, te weten een vrije daad van God.

De bijbel wijst op een manier van verstaan van de wereld vanuit het gezichtspunt van God. Hij behandelt niet het zijn als zijn, maar het zijn als schepping. Zijn belangstelling gaat niet uit naar de ontologie of de metafysica, maar naar de geschiedenis en de geschiedenis achter de geschiedenis; zijn belangstelling betreft meer de tijd dan de ruimte.

De wetenschap werkt met vergelijkingen; de bijbel verwijst naar het unieke en het weergaloze. Het doel van de natuurwetenschap is om de feiten en de processen in de natuur te onderzoeken; het doel van de godsdienst is om de natuur te begrijpen met betrekking tot de wil van God. Het oogmerk van wetenschappelijk denken is de beantwoording van de vragen van de mens en voldoen aan zijn zucht naar kennis. Het wezenlijke oogmerk van godsdienstig denken is de beantwoording van een vraag die niet door de mens gesteld wordt en om te voldoen aan Gods behoefte aan de mens.

De filosofie is een poging om het wezen van de dingen te ontdekken, de beginselen van het zijnde; de bijbelse godsdienst is een poging om de mens te onderwijzen over de Schepper van alle dingen en over het kennen van Zijn wil. De bijbel leert niet de beginselen van de schepping of van de verlossing. Hij kwam om ons te leren dat God leeft, dat Hij de Schepper en de Verlosser is, de Leraar en de Wetgever. Het doel van de filosofie is om te analyseren of te verklaren, het doel van de godsdienst is om te reinigen en te heiligen. De godsdienst wortelt in een bijzondere traditie of in een persoonlijk inzicht; de klassieke filosofie claimt te wortelen in universele vooronderstellingen.

De beschouwing begint met concepten; de bijbelse godsdienst begint met gebeurtenissen. Het godsdienstige leven bestaat niet uit het in de geest bewaren van ideeën maar uit gebeurtenissen en inzichten, uit iets wat gebeurt in de tijd.

 

 

 

Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4