![]()
1 Het zelfbewustzijn van het jodendom
1.3 SITUATIONEEL DENKEN
Er zijn twee soorten van denken; het ene behandelt concepten en het andere gaat over situaties. In onze dagen wordt het negentiende-eeuwse conflict tussen wetenschap en godsdienst vervangen door een tegenstelling tussen het denktype dat zich bezighoudt met bijzondere concepten van de geest en het denktype dat zich bezighoudt met de situatie van de mens. Conceptueel denken is een manier van redeneren, situationeel denken sluit een innerlijke ervaring in; door een oordeel te vellen over een kwestie valt de persoon zelf onder het oordeel. Conceptueel denken is op zijn plaats wanneer we moeite doen onze kennis van de wereld te vergroten. Situationeel denken is nodig wanneer we proberen kwesties te begrijpen waarvoor we ons bestaan zelf op het spel zetten.
Je bespreekt de toekomst van de mensheid in het atoomtijdperk niet op dezelfde manier zoals je over het weer praat. Het zou verkeerd zijn om uit een dergelijke gedachtewisseling het ontzag, de vrees, de bescheidenheid en de verantwoordelijkheid weg te laten die net zo goed tot de kwestie behoren of zouden moeten behoren als het atoom zelf. We staan niet tegenover een probleem dat los van ons staat, maar bevinden ons in een situatie waar wij zelf onderdeel van zijn en volledig bij betrokken zijn. Om het probleem te begrijpen moeten we de situatie onderzoeken.
De houding van de conceptuele denker is onbevooroordeeld: hij staat tegenover een onafhankelijk voorwerp van onderzoek. De houding van de situationele denker is er een van betrokkenheid: hij beseft dat hij verwikkeld is in een situatie die doorzien moet worden.
Het begin van
situationeel
denken is niet
twijfel of
onbevooroordeeldheid,
maar
verwondering,
ontzag,
betrokkenheid.
Daardoor is de
filosoof een
getuige en niet
een boekhouder
van andermans
zaken. Als we
niet betrokken
zijn, is het
probleem niet
aanwezig. Als
we niet
liefhebben of
ons levendig
herinneren wat
ons overkwam
toen we
liefhadden,
weten we niets
van liefde.
Scheppend
denken wordt
niet bevorderd
door
willekeurige
kwesties maar
door
persoonlijke
problemen. En
zo is
bijvoorbeeld
het probleem
van de
godsdienstfilosofie
niet hoe de
mens komt
tot een
begrijpen van
God, maar
eerder hoe
wij kunnen
komen tot een
begrijpen van
God.
In diepere zin
is een filosoof
nooit alleen
maar
toeschouwer.
Zijn wijsheid
is niet een
handelsartikel
dat op verzoek
vervaardigd kan
worden. Zijn
boeken zijn
geen
responsa,
als antwoorden
van joodse
geleerden op
voorgelegde
vragen over de
leer. Boeken
zijn geen
spiegels die
jouw problemen
weerkaatsen,
maar eerder
ramen die ons
een blik gunnen
in de ziel van
de schrijver.
Filosofen
besteden hun
kracht en
hartstocht aan
wat hun zelf
raakt. De ziel
onderhoudt zich
alleen met
zichzelf
wanneer het
hart geroerd
is. Netelige
vraagstukken
die het hart
van de filosoof
beroeren,
vormen de
motieven die
hem aanzetten
tot een gezwoeg
om de waarheid.
Alle filosofie
is een
apologia pro
vita sua,
rechtvaardiging
van zijn leven.
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005