10.11
WAT TE DOEN MET
VERWONDERING
Het is daarom
niet een gevoel
voor het
mysterie dat
het leven, of
een gevoel van
ontzag,
verwondering of
vrees, dat de
wortel van het
geloof is.
Eerder de vraag
wat te doen
met het
gevoel voor het
mysterie van
het leven, wat
te doen met
ontzag,
verwondering
of vrees. Het
denken over God
begint wanneer
we niet meer
weten hoe ons
te verwonderen,
hoe te vrezen,
hoe ontzag te
hebben. Want
verwondering is
niet een
toestand van
esthetisch
genot.
Eindeloze
verwondering is
eindeloze
spanning, een
toestand waarin
we geschokt
zijn door de
ontoereikendheid
van ons ontzag,
door de
zwakheid van
onze schrik en
ook doordat ons
de
uiteindelijke
vraag wordt
gesteld. De
ziel is
begiftigd met
een gevoel van
verplichting,
en
verwondering,
ontzag en vrees
roepen dat
gevoel van
verplichting
op. Het is een
wonder dat ons
de vraag wordt
gesteld.
Ondanks onze trots, ondanks onze hebzucht, worden we gedreven door een besef dat iets van ons gevraagd wordt; dat ons gevraagd wordt om ons te verwonderen, te vereren, te denken en te leven op een manier die verenigbaar is met de grootsheid en het mysterie van het leven.
Religie wordt niet geboren uit intellectuele nieuwsgierigheid, maar uit het feit en de ervaring van de aan ons gestelde vraag.
Alles wat ons rest is een keuze: antwoorden of weigeren te antwoorden. Maar hoe aandachtiger we luisteren, hoe meer wij onze arrogantie en harteloosheid verliezen die ons alleen al in staat zouden kunnen stellen om te weigeren. Wij dragen een last van verbazing, die we zouden willen ruilen voor de eenvoudige kennis waarvoor we leven. Een last die we nooit kunnen afleggen maar die we evenmin kunnen blijven dragen zonder te weten waar ze heenvoert.9
Als ontzag schaars is, als de verwondering dood is en het gevoel voor mysterie afgestorven, dan bestaat het probleem niet van wat we met ontzag, verwondering en mysterie moeten doen, en je wordt niet gewaar gevraagd te zijn. Het besef gevraagd te zijn kan gemakkelijk worden onderdrukt want het is een echo van de wenk, die klein is en stil. Het zal echter niet voorgoed getemperd blijven. De dag komt waarop de stille, kleine wenk de stormwind wordt die doet wat hij zegt (Ps. 148:8).
De dode leegte in het hart is voor de levende mens inderdaad ondraaglijk. We kunnen niet overleven behalve als we weten wat van ons gevraagd wordt. Maar aan wie is de mens in zijn onschatbare en tomeloze vrijheid iets verschuldigd? Waar komt het vragen vandaan? Tegenover wie is hij verantwoordelijk?
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005