HET BESEF VAN
TRANSCENDENTE
BETEKENIS
We zijn
geconditioneerd
door de
structuur van
de natuur en
door de
structuur van
onze geesten.
En belangrijker
dan het gevoel
van ontzag is
de geldigheid
van en de
behoefte aan
ontzag die door
de menselijke
geest onbetwist
blijven. Ontzag
is het besef
van een
transcendente
betekenis,
van een
geestelijke
suggestie naar
de
werkelijkheid,
een zinspeling
op
buitenzintuiglijke
betekenis. De
wereld in zijn
grootsheid is
vol van een
geestelijke
glans, waarvoor
we een naam,
noch een
concept hebben.
We zijn getroffen door de onmetelijke kostbaarheid van het bestaan. Een kostbaarheid die niet een voorwerp van analyse is maar een reden tot verwondering. Ze is onverklaarbaar, naamloos en kan niet omschreven of in een categorie ondergebracht worden. Toch hebben wij een zekerheid zonder kennis: ze is werkelijk zonder verklaarbaar te zijn. Ze kan niet aan andere worden meegedeeld; ieder mens moet haar zelf vinden. In ogenblikken waarin wij het numineuze voelen, zijn we even zeker van de waarde van de wereld als van haar bestaan. Er moet een waarde zijn die het ontstaan van de aarde rechtvaardigde. We mogen betwijfelen of de wereld volmaakt is. Zelfs echter indien we haar onvolmaaktheid erkennen, is de kostbaarheid van haar grootsheid buiten twijfel.
Ontzag is dus meer dan een gevoel. Het is een antwoord van het hart en de geest op de nabijheid van het mysterie in alle dingen, een intuïtie voor een betekenis aan gene zijde van het mysterie, een besef van de transcendente waarde van het heelal.
Als we zeggen dat het heelal - onafhankelijk van ons bevattingsvermogen - een transcendente betekenis heeft, dan verlenen we aan een louter denkbeeld niet een werkelijk bestaan, evenmin als we dat doen door te beweren: ‘Dit is een oceaan’ wanneer zijn golven ons meevoeren. De geheimenis en de grootsheid die wij waarnemen, zijn overweldigend werkelijk. Waar zij voor staan, is zo verheven dat het ons vermogen om te aanbidden bedwelmt. Het dwingende van het ontzag is zijn bewijsstuk, een universeel bewijsstuk dat wij allen bevend en betoverd bezegelen, niet omdat wij dat wensen, maar omdat we bedwelmd zijn en er niet tegen opgewassen zijn. Er is zoveel meer betekenis in de werkelijkheid dan de ziel kan opnemen. Voor ons gevoel voor het mysterie en het wonder is de wereld té ongelofelijk, té vol betekenis voor ons en is haar bestaan het meest onwaarschijnlijke, meest ongelooflijke feit, indruisend tegen alle redelijke verwachting. Zelfs ons vermogen om ons te verwonderen vervult ons met verbazing.
Dit nu is een inzicht dat wij verwerven iedere keer als wij ons verwonderen: om betekenis niet te meten met onze eigen maatstaven, maar om een betekenis te voelen die oneindig veel groter is dan wij.
Voor de zekerheid van een uiteindelijke betekenis zetten we ons leven op het spel. Bij elk oordeel dat we vormen, bij elke handeling die we verrichten, gaan we ervan uit dat de wereld vol betekenis is. Het leven zou waardeloos worden wanneer wij handelden alsof er geen uiteindelijke betekenis zou zijn. Haar ontkenning zou inderdaad een tegenspraak in zichzelf zijn, omdat als er geen uiteindelijke betekenis zou zijn, de ontkenning ervan zinloos zou zijn; in een wereld die niet door betekenis geleid wordt, zou het verschil tussen bevestiging en ontkenning zinloos zijn.
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005