HET BEWIJS VAN
EEN BEDOELING
Van de
verschillende
manieren waarop
het bestaan van
een opperste
intelligentie
is aangetoond,
moet het
teleologische
bewijs volgens
Kant ‘altijd
met eerbied
genoemd te
worden’. Het
stelt dat de
orde en de
inrichting van
het heelal niet
afdoende
verklaard
kunnen worden
zonder het
handelen van
een
intelligente
God te
veronderstellen.6
De teleologische redenering leidt het bestaan van een goddelijke macht af uit de doelbewuste structuur van de natuur. Orde sluit intelligentie in. Die intelligentie is God. Een klassieke formulering is te vinden in een bekende passage in Natural Theology (1803) van de anglicaan William Paley († 1805), hoofdstuk 1. ‘Stel dat ik een [mechanisch] horloge had gevonden op de grond... Als het binnenwerk bekeken is... lijkt de slotsom onvermijdelijk dat het horloge een maker moet hebben; dat eens op de een of andere plaats een vakkundige moet hebben bestaan die het maakte voor het doel waaraan het naar onze ervaring beantwoordt; die de constructie begreep en zijn gebruik uitdacht.’ Het heelal verhoudt zich tot God zoals het horloge zich verhoudt tot de ambachtsman die het vervaardigde. De hemelen zijn het werk van zijn handen, zoals het horloge het werk is van de horlogemaker.
Deze vergelijking beschouwt het heelal en ook het horloge als een afzonderlijk, onafhankelijk en absoluut geheel. De natuur is een ding in zichzelf, compleet en onafhankelijk op het onderhavige moment. Het probleem op deze wijze benaderd betreft niet het bestaan maar het ontstaan van het heelal, niet zijn heden maar zijn verleden. Omdat de uiteindelijke structuur en de orde van de natuur als een technisch geheel werden beschouwd, werd haar oorsprong of schepping ook als een technisch proces voorgesteld, vergelijkbaar met het proces van het maken van een horloge.
De tekortkoming van deze visie is dat zij zowel het horloge als alle werkelijkheid als vanzelfsprekend aanvaardt. Het uiteindelijke probleem is niet alleen hoe het ontstond, maar ook hoe het mogelijk is dat het is. Verder gaat het probleem niet alleen over het onderwerp van de vraag, maar ook het stellen van de vraag. We kunnen het bestaan van het horloge niet als uitgangspunt nemen en zomaar vragen wie het maakte. Is het horloge zelf niet een mysterie? Is het niet volstrekt onbegrijpelijk dat ik het horloge waarneem en zijn bedoeling begrijp?
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005