10.8
RELIGIE BEGINT
MET
VERWONDERING EN
MYSTERIE
Het waardevolle
van het
teleologische
bewijs is dat
het een
antwoord geeft
op een
speculatief
probleem. De
zwakte is dat
het geen
antwoord geeft
op het
religieuze
probleem. Het
eerste probleem
komt voort uit
het zoeken van
hen die zeker
zijn van wat ze
weten (het feit
van de
bedoeling van
het heelal).
Het andere
probleem
ontspruit aan
de verbazing
van hen die
weten dat ze
niet weten. De
speculatieve
geest zoekt om
het bekende te
verklaren. De
religieuze
geest zoekt een
manier om het
onbekende te
verklaren.
Wanneer de
wereld als
vanzelfsprekend
is aanvaard,
dan hoeven we
alleen nog maar
de oorzaak te
kennen. Als de
wereld een
mysterie is,
dan is het
meest urgente
probleem, waar
staat het voor?
Wat is de zin
ervan? Elke
verwijzing naar
denkbeelden die
gelijk zijn aan
wereldse
waarden, wordt
volstrekt
onvoldoende.
Er is geen antwoord in de wereld voor de uiteindelijke verwondering van de mens over de wereld. Er is geen antwoord in het zelf voor de uiteindelijke verwondering van de mens over het zelf. De vraag ‘Wie heeft dit alles geschapen?’ kan niet worden beantwoord door te verwijzen naar een oorzaak of een kracht, omdat de vraag zou blijven: wie schiep de kracht of de oorzaak? Er is niets in de wereld dat de naam God verdient. De wereld is een mysterie, een vraag, niet een antwoord. Alleen een denkbeeld dat groter is dan de wereld, een denkbeeld dat niet ontleend is aan ervaring of speculatie, is toereikend en waard om met het religieuze probleem in verband te worden gebracht. Liever het mysterie van de schepping dan het concept van de bedoeling. Liever een God die boven het mysterie staat dan een ontwerper of een supergeest; een God in relatie tot Wie de wereld hier en nu betekenis zou kunnen krijgen - dat zijn antwoorden die bij het religieuze probleem passen. De erkenning dat wij de oorsprong van het heelal niet begrijpen is eerlijker dan het aanvaarden van een ontwerper.
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005