11 Een ontologische vooronderstelling
 

11.3    VOORCONCEPTUEEL DENKEN
De ontmoeting met de werkelijkheid vindt niet plaats op het vlak van concepten door de kanalen van logische categorieën; con­cepten zijn nadere overwegingen. Elk begrip is symbolisering, een aanpassing van de werkelijkheid aan de men­selijke geest. De levende ontmoeting met de werkelijkheid vindt plaats op een vlak dat voorafgaat aan begripsvorming, op een vlak dat spontaan reageert, dat rechtstreeks, voorconceptueel en voorsymbolisch is.1 Theorie, speculatie, generalisatie en hypothese zijn pogingen om de inzichten die voorconceptuele ervaring verschaft, te verhelderen en te funderen. ‘Te veronder­stellen dat kennis alleen opkomt als resultaat van nadenken, dat door symbolen en het hanteren van tekens verwekt is, is in begin­sel een terugkeer naar de afgod van puur rationalisme tegen wie de hele krachtige beweging van het hedendaagse empirisme zo’n wezenlijk en noodzakelijk protest gericht heeft.’2

Elk inzicht bevindt zich tussen twee gebieden: het gebied van de objectieve werkelijkheid en het gebied van het conceptuele en het woord-voor-woord kennen. Conceptuele kennis moet bestand zijn tegen een dubbele relatie, te weten het in verband staan met ons stelsel van concepten en het verband tot de inzichten waar zij uit voortvloeit.

De ongelijkheid tussen wat wij ontmoeten en wat in woorden en symbolen is uitgedrukt, vooral in het religieuze en artistieke denken, kunnen woorden noch symbolen pas­send uitdrukken. In onze religieuze situatie begrijpen wij het transcendente niet; we zijn er aan onderhavig, we zijn er getui­gen van. Hoeveel we ook weten, het is ontoereikend; wat we ook zeggen, het blijft onder de maat. We hebben een besef dat dieper is dan onze concepten. We bezitten inzichten die ontoegankelijk zijn voor ons uitdrukkingsvermogen.

Kennis is niet hetzelfde als besef en expressie is niet het­zelfde als ervaring. Voortgaande van besef naar kennis winnen we aan helderheid en verliezen we aan directheid. Wat wij win­nen aan duidelijkheid door van ervaring naar het onder woorden brengen van die ervaring te gaan, verliezen we aan echtheid. Het verschil wordt een uiteenlopen als onze voorconceptuele inzichten verloren raken in de door ons gevormde concepten, als de ontmoeting met het onuit­sprekelijke verloren gaat in onze symboliseringen, wanneer de dogmatische formule belangrijker wordt dan de religieuze si­tuatie.

Het hele gebied van religieus denken en uitdrukkingsvermogen is in zekere zin een ‘verheffing’ van een voorsymbolische kennis, die het besef van het onuitsprekelijke schenkt. Dat besef kan maar gedeeltelijk ‘verheven’ worden tot rationele symbolen.

De godsdienstfilosofie is een poging om de metasymboli­sche betekenis van religieuze termen in herinnering te roepen en le­vend te houden. Het godsdienstig denken loopt voortdurend het gevaar om voorrang te geven aan concepten en dogma’s en de directheid van inzichten te verliezen, te vergeten dat het bekende slechts een herinnering van God is, dat het dogma een teken van Zijn wil is, de expressie het minimum van het onverwoordba­re. Concepten en woorden moeten geen schermen worden; ze moeten beschouwd worden als ramen.

 


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - € 29,90.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk

Prijs € 29,90