11 Een
ontologische
vooronderstelling
11.8
DE ONGELIJKHEID
VAN ERVARING EN
UITDRUKKING
Sommige
beweringen, in
het bijzonder
die welke de
beschrijving
ten doel hebben
van de
functionele
aspecten van de
werkelijkheid,
het aspect van
de kracht,
lijden niet
onder de
ongelijksoortigheid
en
ontoereikendheid
van de
uitdrukking.
Wat gemeten,
gewogen of
berekend kan
worden, kan
nauwkeurig
onder woorden
worden
gebracht. Maar
beweringen die
het wezen van
de
werkelijkheid
beogen weer te
geven of het
aspect van
mysterie en
grandeur,
zijn altijd
zwakke
afspiegelingen;
ontoereikendheid
is hun
onmiskenbare
kenmerk. Wij
beschikken dus
niet over
woorden of
symbolen die
toereikend zijn
om God of het
mysterieuze van
het bestaan te
beschrijven.
Het uiteenlopen van ons denken en spreken vindt zijn oorsprong in de noodzaak van de aanpassing van ons inzicht aan de gewone categorieën van denken en spreken. Daarom is het probleem hoe de religieuze mens zijn ideeën, zijn geloof zou moeten verantwoorden in de taal van religieus inzicht en religieuze ervaringen, lastiger dan bij het gebruik van de taal van het filosofisch denken. Er bestaat een diepgaande ongelijkheid tussen de mens en de werkelijkheid, tussen ervaring en expressie, tussen bewustzijn en voorstelling, tussen geest en mysterie. De ongelijkheid tussen godsvertrouwen en geloofsovertuiging is dan ook een groot probleem in de godsdienstfilosofie.
Maimonides spoort de lezer van zijn Guide of the Perplexed aan om de ‘eenheid van God’ op de juiste wijze te leren begrijpen en te gaan behoren tot hen ‘die een idee hebben van de waarheid en haar aangrijpen, zelfs wanneer zij er niet over spreken, zoals aan de vromen wordt aanbevolen: Bezin u in de nacht en zwijg (Ps. 4:5)’.5 Waarom zou je moeten zwijgen? Waarom verdient zwijgen de voorkeur? Kijk naar Maimonides’ ervaring van de ontoereikendheid van al onze categorieën. Na de verklaring dat Gods eenheid niet iets is wat extra is toegevoegd aan Zijn wezen (‘Hij is Eén zonder eenheid’), zegt Maimonides: ‘Deze subtiele concepten, die ons begrip bijna te boven gaan, kunnen niet makkelijk onder woorden worden gebracht. In het algemeen vormen woorden een van de voornaamste oorzaken van dwaling, omdat - welke taal we ook gebruiken - de mogelijkheid om ons uit te drukken op zeer verontrustende wijze wordt beperkt. We kunnen zelfs geen beeld krijgen van dit concept door onnauwkeurige taal te bezigen.’6 En elk communicatiesysteem is onnauwkeurig.
Om te spreken moeten we concessies doen en compromissen sluiten. We moeten er daarom aan denken dat de uiteindelijke denkbeelden nooit echt verwoord kunnen worden. ‘Daar het van algemene bekendheid is dat zelfs die kennis van God die voor de mens toegankelijk is, niet verworven kan worden dan langs de weg van ontkenningen en dat ontkenningen geen echt idee geven van het Wezen waarop ze betrekking hebben, verklaarden alle mensen... dat God niet het voorwerp van menselijk begrip kan zijn, dat niemand dan Hijzelf begrijpt wat Hij is en dat onze kennis bestaat in het kennen van ons onvermogen om Hem werkelijk te begrijpen... Het denkbeeld is het beste in de Psalmen uitgedrukt: U komt de lof toe (65:2). Het is een veelzeggende opmerking over dit onderwerp; want alles wat wij uitspreken met de bedoeling om Hem te verheerlijken en te loven, bevat iets wat op God niet kan worden toegepast en houdt afbrekende uitdrukkingen in. Daarom is het betamelijker om te zwijgen en met verstandelijke overdenking tevreden te zijn... Bezin u in de nacht en zwijg (Ps. 4:5).’7
Stilte verdient de voorkeur boven spreken. Woorden zijn niet onmisbaar voor kennis. Ze zijn alleen nodig wanneer we onze denkbeelden aan anderen willen vertellen of hun willen bewijzen dat wij kennis hebben verworven.8
Als besluit van zijn bespreking van de natuur en de attributen van God schrijft Maimonides: ‘Geprezen zij Hij die zodanig is dat wanneer onze geesten Zijn wezen aanschouwelijk trachten voor te stellen, hun kracht om te begrijpen onnozelheid wordt, wanneer zij het verband tussen Zijn werken en Zijn wil bestuderen, hun kennis onwetendheid wordt, en wanneer onze tongen Zijn grootheid in beschrijvende woorden bekend willen maken, alle welsprekendheid machteloosheid en onnozelheid wordt.’9
Wij zeiden dat God een ontologische vooronderstelling is en dat alle verklaringen over Hem slappe aftreksels zijn. Maar wat is de betekenis en de inhoud van die ontologische vooronderstelling? Wij geloven dat er een andere bron van zekerheid van Gods bestaan is en wel een die geschikter is om ons een begrip te geven dat uitgaat boven ons loutere besef. Die bron van zekerheid is het onderwerp van het volgende onderzoek.
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005