12.1 HET MINIMUM AAN BETEKENIS
Wanneer we gaan onderzoeken, moeten we een minimum aan kennis bezitten van de betekenis van wat we gaan te onderzoeken. Geen onderzoek begint zonder enige voorkennis. Bij het stellen van de eerste vraag moeten we een zekere voorstelling hebben van de aard van het voorwerp van onze vraag, omdat we anders niet zouden weten in welke richting verder te vragen en evenmin of het resultaat van ons onderzoek een antwoord op onze vraag zou zijn.
We vragen naar God. Maar wat is het minimum aan betekenis dat het woord God voor ons heeft? In de eerste plaats roept het de gedachte op van onovertrefbaarheid. God is een Wezen boven wie niemand kan bestaan. Verder betekent het Eén, enig, eeuwig. Deze bijvoeglijke naamwoorden zijn slechts hulpwoorden van het zelfstandig naamwoord waar ze mee verbonden zijn. Zelf drukken zij het wezen niet uit. Wij verkondigen dat God Eén is; het ware intellectuele afgoderij om te zeggen dat de Ene God is. Maar wat is dan de betekenis van het zelfstandig naamwoord, waarmee onovertrefbaarheid of eenheid verbonden is? Is het de gedachte van het absolute? Of het concept van een eerste oorzaak?
Als we zeggen dat ons onderzoek naar God een onderzoek is naar het idee van het absolute, dan schuiven we het vraagstuk dat we proberen te onderzoeken, terzijde. Een eerste oorzaak of een idee van het absolute - verstoken van leven, gespeend van vrijheid - is eerder een onderwerp voor de natuurwetenschap of de metafysica dan van belang voor de ziel of het geweten. De vaststelling van het bestaan van een dergelijke oorzaak of zo’n idee zou een antwoord zijn dat met onze vraag geen verband hield. De levende ziel heeft geen belangstelling voor een dode oorzaak, maar voor een levende God. Het is ons doel om vast te stellen dat er een Wezen bestaat aan wie we onze zonden mogen belijden, een God die liefheeft, een God die niet te verheven is om belang te stellen in ons vragen naar en zoeken van Hem; een vader, niet een absolute macht.
Vanaf het begin moet helder zijn dat het minimum aan betekenis dat we met het woord God verbinden, is dat Hij leeft, of om het negatief te zeggen, Hij is niet minder dan wij in de rangorde van wat er bestaat. Ons probleem is geen wezen dat de kenmerken van een persoonlijk bestaan mist.
Dit is daarom het minimum aan betekenis dat het woord God voor ons inhoudt: God leeft. Aanvaarding van het tegendeel, namelijk dat het woord God slaat op een Wezen zonder leven en vrijheid - minder dan wij in de rangorde van het leven en beperkter dan wij zelf - zou onmiddellijk het vraagstuk dat ons bezighoudt ontkrachten, en wel op dezelfde wijze als waarop de veronderstelling dat het heelal beperkter is dan ons eigen lichaam elke poging om de betekenis van het heelal te onderzoeken, waardeloos zou maken.
Er zijn inderdaad maar twee echte manieren om te beginnen: door te denken over God als over een vrij en oorspronkelijk wezen óf als over een onbezield wezen; Hij leeft of Hij is levenloos. Beide gedachtes zijn onbewijsbaar, maar toch lijkt het laatste idee, geformuleerd als God is de grote onbekende, voor de meeste mensen de meest acceptabele. Laten we die laatste gedachtegang onderzoeken.
De verklaring ‘God is de grote onbekende’, waarmee bedoeld wordt dat men Hem nooit heeft gekend en Hem nooit zal kennen, is een absolute bewering die steunt op de theorie dat God eeuwig verborgen blijft. Een dergelijke theorie is echter een innerlijk tegenstrijdig dogma. Want door eeuwige verborgenheid toe te schrijven aan het onovertrefbare wezen, beweren we beslist het te kennen. Dus is het ultieme wezen niet een onbekende, maar een bekende God. Met andere woorden: een God die we kennen, maar die niet weet, de grote Niet-weter. We verkondigen de onwetendheid van God samen met onze wetenschap dat Hij onwetend is.
Dit lijkt een deel te zijn van onze heidense erfenis: door te zeggen dat de Allerhoogste een volstrekt mysterie is, maar door tevens het idee van een eerste oorzaak te aanvaarden met de macht om het heelal in aanzijn te brengen, klampen we ons vast aan het vermoeden dat de macht die het ontstaan van de wereld mogelijk maakte, nooit in staat is geweest zichzelf te leren kennen. Waarom zouden we toch aannemen dat de absolute macht volkomen machteloos is? Waarom zouden we bij voorbaat leven en vrijheid voor het ultieme wezen uitsluiten?
Een denken over God als een speculatief probleem zou misschien kunnen uitgaan van de gedachte van Gods absolute raadselachtigheid. Een denken over God als een religieus probleem, dat begint met verwondering, ontzag, lof, vrezen en beven en opperste verbazing, komt geen stap verder als het vastzit aan de gedachte dat God levenloos is. We kunnen geen woorden spreken en tegelijk ontkennen dat er woorden zijn, en we kunnen in het religieuze denken niet God zeggen en tegelijkertijd ontkennen dat Hij leeft. Als God dood is, is verering dwaasheid.
Het probleem van het religieuze denken is niet alleen of God dood of levend is, maar ook of wij dood of levend zijn tegenover Zijn werkelijkheid. Een onderzoek naar God houdt een onderzoek in naar wat wij zelf waard zijn, een beproeving van onze eigen spirituele mogelijkheden. O zeker, er zijn denkniveaus waar we rustig kunnen volhouden dat God niet leeft: op het niveau van verwaandheid en harteloosheid voor de grandeur en het mysterie van het leven. Op momenten waarin uiterste verbazing ons vervult, weten we dat de uitspraak dat God leeft wel erg zwak is uitgedrukt.
Maar wellicht is er nog een derde mogelijkheid: God is niet levend of levenloos, maar een symbool. Wanneer God omschreven wordt ‘als een naam voor wat de mens ten diepste bezighoudt’, dan is Hij slechts een symbool van de laatste vragen van de mens, de objectivering van een subjectieve gemoedstoestand. Maar als zodanig zou God weinig meer zijn dan een projectie van onze verbeelding.
Zoals de aanvaarding van God en de verwerping van de afgoden in de eerste twee van de Tien Geboden zijn aangeduid, zo is de verwerping van het symbool begrepen in het derde gebod: Misbruik de naam van de Heer, uw God, niet.
Ongetwijfeld is God meer dan ‘een naam voor wat de mens ten diepste bezighoudt’. Alleen heiligen houden zich ten diepste met God bezig. Wat de meesten van ons ten diepste bezighoudt, is ons ego. Het bijbelse bewustzijn begint niet met de menselijke, maar met de goddelijke zorg. Het belangrijkste in de ogen van de profeten is de aanwezigheid van Gods betrokkenheid bij de mens en de afwezigheid van de menselijke betrokkenheid bij God. Het is Gods betrokkenheid bij de mens die opklinkt achter elk woord van hun boodschap. Maar hoe worden we ons bewust van Zijn betrokkenheid?
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005