12.3
GODS AANDEEL IN
MENSELIJK
INZICHT
Er bestaat een
veel voorkomend
misverstand
over de
betekenis van
goddelijke
bijstand in het
jodendom.
Algemeen wordt
erkend dat de
hoop op die
hulp een
integraal deel
van het
religieuze
bewustzijn is.
Toch beperken
we die hoop in
de regel tot de
praktijk, alsof
van God
verwacht werd
om ons bij onze
materiële, maar
niet bij onze
spirituele
pogingen bij te
staan. De
waarheid is dat
we voor al onze
verlangens
geestelijk
blind blijven
tenzij we
worden
bijgestaan. God
is niet een
parel op de
bodem van de
oceaan waarvan
de ontdekking
afhangt van de
bekwaamheid en
het verstand
van de mens.
Wij moeten de
eerste stap
doen, maar het
resultaat hangt
af van Hem,
niet alleen van
ons, Zonder
Zijn liefde,
zonder Zijn
hulp is het de
mens niet
mogelijk om
dicht bij Hem
te komen.2
En toch: ‘Alles
is in de handen
van de hemel,
behalve de
vreze des
hemels.’3
De mens is vrij
om Hem te
zoeken en vrij
om Hem te
negeren.
Slechts hij die
zichzelf
probeert te
zuiveren, wordt
door de hemel
bijgestaan.4
Alleen hij die
zichzelf
enigszins
heiligt, wordt
een grotere
heiligheid door
de hemel
geschonken.5
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005