12.5
DE RELIGIEUZE
SITUATIE
We kunnen niet
de redenen
begrijpen die
ons dwingen om
verzekerd te
zijn van Gods
werkelijkheid,
tenzij we de
situatie
begrijpen
waarin we ons
in de ultieme
vraag
verdiepen.
Een
gerechtvaardigde
vraag
vertegenwoordigt
meer dan ze
onder woorden
brengt. Ze
vertegenwoordigt
een extreme
situatie die
haar ontstaan
verklaart, een
raison d’ętre
voor de
aanwezigheid
van de vraag in
de geest. De
vraag naar God
neemt niet
steeds ons
denken in
beslag. Soms
worden we door
haar
achtervolgd,
soms lijkt ze
ons van geen
belang. Er zijn
momenten dat
de,
verwondering
dood is,
wanneer de
ultieme vraag
zinloos is; er
zijn
ogenblikken dat
er alleen maar
verwondering is
en het mysterie
binnen het
bereik van alle
gedachten is.
We moeten
daarom de
ultieme vraag
niet behandelen
los van de
situatie waarin
ze zich
voordoet, los
van de
inzichten die
haar hebben
opgeroepen en
waar ze mee
samenhangt. Los
van haar
menselijke en
persoonlijke
context
verbleekt ze
tot loutere
speculatie.
Toch behandelen
wij haar hier
als een
religieuze
aangelegenheid.
Bovendien is de
uiteindelijke
vraag een vraag
die opkomt op
het niveau van
het
onuitsprekelijke.
Ze is ingekleed
niet in
concepten maar
in handelingen,
en geen
abstracte
formulering is
in staat haar
over te
brengen. Daarom
is het nodig de
innerlijke
logica van de
situatie te
begrijpen, het
geestelijke
klimaat waarin
ze leeft, om te
kunnen bevatten
wat de ultieme
vraag inhoudt.
Het is een
situatie waarin
we worden
uitgedaagd,
geprikkeld, in
beroering
gebracht door
het verhevene,
de
verwondering,
het mysterie en
de goddelijke
nabijheid. Het
is niet onze
keuze om de
vraag te
stellen, wij
worden ertoe
gedwongen.
De vraag komt
op met het
besef dat de
mens het
probleem is;
dat de mens
meer een
probleem is
voor God dan
dat God een
probleem is
voor de mens.
De vraag:
bestaat er een
persoonlijke
God? is een
symptoom van de
onzekerheid:
bestaat er een
persoonlijke
mens?
In ogenblikken
waarin de ziel
volledig beseft
dat het
mysterie
schommelt
tussen haar
eigen onzekere
bestaan en haar
ondoorgrondelijke
zin, is het
voor ons een
ondraaglijke
absurditeit om
het wezen van
de mens te
omschrijven aan
de hand van wat
hij weet of van
wat hij tot
stand kan
brengen. Voor
het besef van
het
onuitsprekelijke
ligt het
wezenlijke van
de mens daarin
dat door hem
iets hogers
wordt
uitgedrukt, dat
hij een
aanduiding is
van een
onuitsprekelijke
betekenis.
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005