12.6
MOMENTEN
Anders dan bij
wetenschappelijk
denken komt
begrip voor de
werkelijkheid
van God dus
niet tot stand
door een serie
van
abstracties,
door een denken
dat
voortschrijdt
van concept tot
concept op weg
naar een
eindconclusie,
door maar door
inzicht. Het
uiteindelijke
inzicht is het
resultaat van
momenten van
diepe
ontroering,
verwondering,
ontzag, lof,
vrezen en beven
en van opperste
verbazing; van
besef van
grandeur, van
gewaarwordingen
die we voelen
maar niet onder
woorden kunnen
brengen, van
ontdekkingen
van het
onbekende, van
ogenblikken
waarin we de
pretentie de
wereld te
kennen, laten
vallen, van
wéten door
onbekendheid.
Op het
hoogtepunt van
dit soort
numineuze
momenten
krijgen we de
zekerheid dat
het leven
betekenis
heeft, dat tijd
meer is dan
vluchtigheid,
dat voorbij al
het zijnde
iemand is die
om ons geeft.
Nogmaals:
alleen in zulke
momenten, in
momenten die
worden beleefd
op het niveau
van het
onuitsprekelijke,
krijgen
religieuze
categorieën en
handelingen hun
werkelijke
betekenis.
Uitingen van
liefde hebben
alleen
betekenis voor
iemand die
liefheeft, en
niet voor
degene wiens
hart en geest
verzuurd zijn.
Hetzelfde geldt
voor de
religieuze
categorieën.
Want het
hoogste inzicht
vindt plaats op
het
a-priorische
denkniveau,
vóór alle
symboliek. Het
is inderdaad
moeilijk om
inzichten,
omschreven in
de noëtische
taal van
innerlijke
gebeurtenissen,
te vertalen in
de symbolische
taal van
concepten.7
In het
conceptuele
denken blijft
wat op een
bepaald
ogenblik helder
en duidelijk
is, dat ook op
andere
momenten.
Daarentegen
zijn hoogste
inzichten
eerder
gebeurtenissen
dan een
permanente
gemoedstoestand;
wat op een
bepaald
ogenblik helder
is, kan
vervolgens
duister worden.
Concepten
verkrijgen en
behouden wij.
We hebben
geleerd dat
twee plus twee
gelijk is aan
vier en wanneer
we eenmaal
overtuigd zijn
van de
geldigheid
hiervan, zal
deze zekerheid
ons niet
verlaten. Het
geestelijke
leven is
evenwel niet
aldoor op zijn
toppunt en de
genade van God
schenkt de mens
niet op elk
ogenblik de
hoogste
zegeningen.
Flitsen van
inzicht ‘komen
en gaan,
dringen door en
trekken terug,
ontstaan en
verdwijnen’.
Want dit is de
wijze waarop
elke
uitstraling
gebeurd:
‘Onophoudelijk
vloeit het
licht uit Hem
en vloeit het
terug, van de
allerhoogste
hoogten tot de
allerlaagste
diepten.’
De directe
zekerheid die
we krijgen in
momenten van
inzicht,
behoudt niet
haar
intensiteit als
die momenten
voorbij zijn.
Bovendien zijn
deze numineuze
ervaringen of
goddelijke
ingevingen
zeldzaam. Voor
sommigen zijn
ze als vallende
sterren,
voorbijgaand en
vergeten. In
anderen
ontsteken ze
een licht dat
nimmer dooft.
De herinnering
aan die
ervaring en de
trouw aan het
antwoord van
dat ogenblik
zijn de
krachten die
ons geloof
ondersteunen.
In deze zin is
geloof
geloofsvertrouwen,
trouw aan een
gebeurtenis,
trouw aan ons
antwoord.8
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005