12.7
EEN VERMOMD
ANTWOORD
De
uiteindelijke
vraag die
onbedwingbaar
in onze zielen
opkomt, is te
ontstellend, te
zwaar beladen
met
onuitsprekelijke
verwondering om
een academische
vraag te zijn,
die even goed
met ‘ja’ als
met ‘nee’
beantwoord kan
worden. We
kunnen niet
langer vragen:
is er een God?
In
bescheidenheid
en berouw
onderkennen we
de verwaandheid
van dergelijke
vragen. Hoe
dieper we
mediteren, des
te duidelijker
beseffen we dat
de vraag die we
stellen, een
vraag is die
aan ons wordt
gesteld; dat de
vraag van de
mens naar God,
de vraag is van
God naar de
mens.
Hij die nooit
door zo’n
wezenlijke
toestand is
verrast, zal
niet kunnen
begrijpen wat
een zekerheid
dit
veroorzaakt.
Hij die verstek
laat gaan, die
altijd afwezig
is als God
aanwezig is,
zou de redenen
voor zijn alibi
moeten
verklaren en
zich onthouden
van het
afleggen van
getuigenis. Hij
die nooit een
ogenblik van
fundamenteel
inzicht
doorleefd
heeft, kan niet
getuigen dat
God niet
bestaat, zonder
zijn ziel te
bezwaren met
meineed.
![]()
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005