12.8
NOTEN BIJ
HOOFDSTUK 12
1 ‘De vesting
zal verlaten
liggen, het
rumoer van de
stad valt stil.
Burcht en
wachttoren
worden ruïnes
voor altijd,
een lustoord
voor wilde
ezels,
weidegrond voor
het vee. Zo zal
het blijven
totdat van
boven een geest
over ons wordt
uitgegoten. Dan
zal de woestijn
een boomgaard
worden, een
boomgaard die
is als een
woud’ (Jesaja
32:14-15).
2 In het
verhaal van
Hagar lezen we:
Toen opende God
haar de ogen en
zag zij een
waterput
(Genesis
21:19). ‘Alle
mensen zijn
blind totdat
God hun ogen
opent’ (Genesis
Rabba, 53, 13).
Toen Hagar met
haar kind
zwierf door de
woestijn van
Berseba en geen
water kon
vinden, liet ze
haar kind onder
een struik
achter, ging
weg en zei: ‘Ik
kan het sterven
van mijn kind
niet aanzien’.
Zij zag niet
wat er vóór
haar was,
totdat God haar
ogen opende en
zij een
waterput zag.
Toen Bileam
naar Moab ging
om het volk van
Israël te
vervloeken, zag
hij niet wat
zijn ezel
waarnam, totdat
de HEER Bileam
de ogen opende,
zodat hij de
engel van de
HEER op de weg
zag staan
(Numeri 22:31).
‘Het gaat de
kracht van de
mens te boven
om veel dingen
te zien, tenzij
God wil dat hij
ziet’ (Lekah
Tov op Num.
22:31). Dit is
zowel op
individuen als
op het hele
volk van
toepassing. Ze
begrijpen het
niet, ze
beseffen het
niet; blijkbaar
zitten hun ogen
dichtgeplakt,
waardoor ze
niets zien en
het hun aan
inzicht schort
(Jesaja 44:18).
Ik geef hun het
inzicht dat ik
de HEER ben
(Jeremia 24:7).
Ik zal hem
toestaan mij te
naderen.
Wie zou dat
zelf wagen? –
spreekt de HEER
(Jer. 30:21).
Daarom zegt de
psalmist:
Gelukkig wie
door u gekozen
is en u mag
naderen (65:5).
God is de
Leraar, niet
alleen de
Schepper, de
gever van
wijsheid, niet
alleen de gever
van het leven.
Ik ben de HEER,
jullie God, die
jullie
onderricht in
je eigen
belang, die
jullie leidt op
de weg die je
gaat (Jes.
48:17). We
moeten naar
waarheid zoeken
met al onze
kracht; we
moeten ook
bidden om Zijn
leiding in al
ons zoeken. Van
het einde der
aarde roep ik u
aan, want mijn
hart bezwijkt.
Breng mij op de
rots hoog boven
mij (Psalm
61:3). ‘Leid
mij waar ik
zelf niet kan
opklimmen’
(rabbi David
Kimchi). We
moeten niet
moedeloos
worden wanneer
onze
inspanningen
falen. Maar de
Heer zal met u
zijn waar uw
wijsheid
eindigt en hij
beschermt je
tegen
hinderlagen
(Spreuken 3:26
volgens
Jerushalmi
Talmud, Peah,
1,1). Niet de
ouderdom maakt
wijs, de jaren
leiden niet
vanzelf tot een
juist oordeel
(Job 32:9).
‘Niet iedereen
die de thora
leert, wordt
wijs. Tenzij
God de mens met
geest
begiftigt, zal
hij niet thuis
zijn in wat hij
weet.’ Tanhuma,
ed. Buber, I,
p. 193. ‘Voor
hem, die in de
thora zwoegt,
zal de thora
zwoegen.’
Sanhedrin 99b.
Zie ook
Megillah 6b
over gedenken.
3 Berachot,
33b.
4. Shabbat,
104a.
5 Yoma, 39a. Op
het leven van
het individu is
het beginsel
toegepast dat
‘zegeningen van
boven slechts
daar nederdalen
waar enige
inhoud is en
niet alleen
ledigheid’. Het
vers Ik ben van
mijn lief,
en hij verlangt
naar mij
(Hooglied 7:11)
werd geacht te
slaan op de
betrekking
tussen God en
mens: eerst
moet ik de
Zijne worden en
dan, als gevolg
daarvan, gaat
Zijn begeerte
naar mij uit.
Slechts ‘als de
mens zich
tracht te
reinigen en tot
God te naderen,
rust de
Shechinah op
hem’. Zohar, dl
i, p. 88a-b.
Want ‘de
beweging boven
wordt alleen
veroorzaakt als
antwoord op een
prikkel van
beneden en
hangt af van
het verlangen
van wat beneden
is’. Zohar, dl
I, p. 86b; zie
iii, 132b. ‘Hoe
kan men een
mens herkennen
in wie de
Heilige behagen
schept en in
wie Hij woont?
Als we zien dat
een mens de
Heilige tracht
te dienen met
vreugde, met
zijn hart, zijn
ziel en zijn
wil, dan kunnen
we er zeker van
zijn dat de
Shechinah in
hem woont.’
Zohar, dl ii,
p. 128b. ‘Zelfs
de dingen die
onze zintuigen
waarnemen,
kunnen wij niet
kennen dan door
de
barmhartigheid
die van U komt.
Want het licht
zelf kunnen we
niet zien; onze
blik wordt
erdoor dof
gemaakt. Het
goddelijke
licht geeft ons
de kracht om
licht
gedeeltelijk
waar te nemen
en stelt onze
blik in staat
om over te gaan
van
mogelijkheid
naar
werkelijkheid...
De genade van
het begrijpen
wordt met meer
uitwerking
verleend aan
hen die Hem
kennen dan aan
anderen.’ Albo,
lkkarim, ii,
hfdst. 15, ed.
Husik, p. 97
e.v.
6. De rol van
de tijd in het
religieuze
begrijpen wordt
in de joodse
literatuur
dikwijls
behandeld. In
hun commentaar
op Jes. 55:6,
Zoek de HEER nu
hij zich laat
vinden,
overwogen de
rabbijnen de
vraag op welke
momenten Hij
zich wellicht
laat vinden.
Het antwoord
was: de tien
dagen van
inkeer, van de
nieuwjaarsdag
tot de Grote
Verzoendag.
Rosh Hashanah
18a.
Maimonides,
Mishneh Torah,
teshuvah, 2, 6.
Jesaja (55:6)
zegt: Zoek de
HEER nu hij
zich laat
vinden, roep
hem terwijl hij
nabij is en
David zegt: Zie
uit naar de
HEER en zijn
macht, zoek
voortdurend
zijn nabijheid
(1 Kronieken
16:11). Waarom
vertelde David
ons om
voortdurend
zijn nabijheid
te zoeken? Om
ons te leren
dat God soms
gezien wordt en
soms niet, dat
Hij soms
luistert en
soms niet, dat
Hij soms klaar
staat en soms
niet, soms
gevonden en
soms niet, soms
nabij en soms
niet. Eén keer
werd Hij
gezien, zoals
er geschreven
staat: De HEER
sprak
persoonlijk met
Mozes, zoals
een mens met
een ander mens
spreekt (Ex.
33:11); en dan
niet gezien,
zoals er
geschreven
staat: ‘Laat
mij toch uw
majesteit
zien,’ zei
Mozes (Ex.
33:18). Zo werd
Hij ook op de
Sinaï gezien,
zoals er
geschreven
staat: En zij
zagen de God
van Israël (Ex.
24:10), en: De
verschijning
van de
majesteit van
de Heer was een
laaiend vuur’
(Ex. 24:17),
maar een andere
keer werd Hij
niet gezien,
zoals er
geschreven
staat: U hebt
geen gedaante
gezien op de
dag dat de HEER
u op de Horeb
toesprak
(Deuteronomium
4:15), en: U
hoorde een stem
spreken, maar
een gedaante
zag u niet
(Deut. 4:12).
Er staat
geschreven,
toen Israël in
Egypte was: God
hoorde hun
jammerkreten
(Ex. 2:24),
maar toen
Israël
zondigde, staat
er geschreven:
maar hij wilde
niet naar u
luisteren en
hield zich doof
(Deut. 1:45).
Hij
beantwoordde de
roep van Samuel
te Mizpa, zoals
er geschreven
staat: Hij riep
de HEER om hulp
voor Israël, en
de HEER
verhoorde hem
(1 Samuel 7:9),
maar bij een
andere
gelegenheid
antwoordde Hij
niet, zoals er
geschreven
staat: ‘Hoe
lang blijf je
nog treuren om
Saul, die ik
verworpen heb?’
(1 Sam. 16:1).
Hij antwoordde
David, zoals er
geschreven
staat: Ik zocht
de HEER en hij
gaf antwoord,
(Ps. 34:5),
maar bij een
andere
gelegenheid
antwoordde Hij
hem niet, zoals
er geschreven
staat: David
bad tot God
voor de jongen
(2 Samuel
12:16). Als
Israël berouw
heeft, staat
Hij tot hun
beschikking,
zoals er
geschreven is:
Maar ten slotte
zult u de HEER,
uw God, weer
zoeken, en hem
ook vinden
(Deut. 4:29),
maar wanneer
Israël geen
berouw heeft,
staat Hij niet
tot hun
beschikking,
zoals er
geschreven
staat: Als ze
dan met hun
schapen, geiten
en runderen op
weg gaan om de
HEER te zoeken,
zullen ze hem
niet vinden:
hij zal zich
voor hen
verborgen
houden (Hosea
5:6). Soms is
Hij dichtbij,
zoals er
geschreven
staat: Allen
die hem
aanroepen is de
HEER nabij (Ps.
145:18) en soms
ver, zoals er
geschreven
staat: De HEER
is ver
verwijderd van
de goddelozen
(Spr. 15:29).
Pesikta de Rav
Kahana, XXIV,
ed. Buber (Lyck
1868) p. 156a.
Zie ook
Jerushalmi
Talmud Makkot,
2, 31d.
‘Er zijn tijden
dat God genadig
is en bereid om
degenen die tot
Hem bidden, te
zegenen en
tijden dat Hij
niet genadig is
en het oordeel
over de wereld
losbreekt en
tijden waarop
het oordeel is
opgeschort. Er
zijn
jaargetijden
waarin de
genade
overvloedig is
en jaargetijden
waarin het
oordeel
overvloedig is
en jaargetijden
waarin het
oordeel
overvloedig is,
maar wordt
opgeschort. Zo
is het ook met
de maanden en
met de dagen
van de week en
zelfs met de
gedeelten van
elke dag en met
elk uur. Daarom
staat er
geschreven:
Voor alles wat
gebeurt is er
een uur, een
tijd voor alles
wat er is onder
de hemel
(Prediker 3:1)
en wederom: En
nu, HEER, richt
ik mijn gebed
tot u, laat dit
een uur zijn
van mededogen
(Ps. 69:14).
Daarom wordt
hier gezegd:
"Laat hem niet
te allen tijde
tot het
Heiligdom
komen." Rabbi
Simeon zei:
"Deze uitleg
van het woord
‘tijd’ is
geheel juist en
zo waarschuwde
God Aäron om
niet dezelfde
fout als zijn
zonen te maken
door te
trachten een
verkeerde
‘tijd’ te
verbinden met
de Koning,
zelfs als hij
zou merken dat
het
wereldbestuur
tijdelijk in de
handen van een
ander geplaatst
zou zijn, en
hoewel hij de
macht heeft om
er één mee te
worden en het
bijna tot
Heiligheid te
brengen." ,
Zohar, dl iii,
58a.
7 Je moet goed
begrijpen dat
wanneer een van
hen, die een
dieper inzicht
heeft gekregen,
‘iets wil
mededelen,
mondeling of
schriftelijk,
van de
mysteriën die
hij geschouwd
heeft, het hem
niet mogelijk
is om helder en
systematisch
uit te leggen
wat hij zoal
ervaren heeft,
zoals hij
gedaan zou
hebben in elke
andere
wetenschap die
algemeen
aanvaarde
manier van
onderricht
kent. Wanneer
hij anderen
tracht te
onderwijzen,
moet hij
worstelen met
dezelfde
moeilijkheid
die hij bij
zijn eigen
studie onder
het oog moest
zien, namelijk
dat de dingen
voor één
ogenblik helder
worden en dan
in duisternis
terugwijken. De
aard van dit
onderwerp
schijnt dit mee
te brengen, of
iemands aandeel
daarin nu groot
of klein is.
Wanneer een
metafysicus of
theoloog, die
een deel van de
waarheid bezit,
van plan is om
zijn kennis
over te
brengen, kan
hij dit dan ook
niet anders
doen dan in
gelijkenissen
en raadsels. De
schrijvers over
dit onderwerp
hebben veel
verschillende
gelijkenissen
gebruikt, die
niet alleen
verschilden in
onderdelen maar
in hun
wezenlijke
aard.’
Maimonides, The
Guide of the
Perplexed,
inleiding, ed.
J. lbn Shmuel,
p. 7.
8 Man’s Quest
for God (New
York 1954) p.
74; Man is Not
Alone, p. 165.
![]()
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005