13 God zoekt de mens
 

13.3   EEN FLITS IN DE DUISTERNIS

Dat de levende zekerheid van het geloof uiteindelijk een conclu­sie is, eerder getrokken uit handelingen dan uit logische vooron­derstellingen, wordt door Maimonides vermeld:

‘Beeldt u niet in dat deze grote geheimenissen aan iemand van ons door en door bekend zijn. Dit is zeker niet het geval: soms glanst de waarheid voor ons op met de helderheid van het dag­licht, maar spoedig is ze verduisterd door de beperkingen van onze stoffelijke natuur en dagelijkse gewoontes en vallen we terug in een duisternis die bijna even zwart is als die waarin we tevoren waren. Zo zijn we als iemand wiens omgeving van tijd tot tijd door de bliksem wordt verlicht, terwijl hij in de tus­sentijd in een gitzwarte nacht is gedompeld. Sommigen van ons beleven vaak zulke flitsen van verlichting, totdat ze in bijna onafgebroken helderheid leven, zo dat de nacht voor hen licht als de dag. Dat was het voorrecht van de grootste van alle profeten, Mozes, tot wie God zei: Maar jij moet hier blijven, bij mij (Deut. 5:31) en over wie de Schrift zegt: de huid van zijn gezicht glansde (Ex. 34:30). Sommigen zien één enkele lichtstraal in de gehele nacht van hun leven. Dat was het lot van hen over wie gezegd is: zij  begonnen ze te profeteren. Dat is daarna niet opnieuw gebeurd  (Num. 11:25). Voor weer anderen zijn er lan­ge of korte tussenpozen tussen de flitsen van verlichting en ten slotte zijn er aan wie niet is vergund dat hun duisternis door een bliksemflits wordt verlicht, maar alleen als het ware door de glans van een gepolijst voorwerp of iets dergelijks, zoals de ste­nen en (fosforescerende) stoffen die schijnen in de donkere nacht; en zelfs dat schaarse licht dat ons verlicht, is niet duurzaam maar flikkert en verdwijnt als ware het het heen en weer flitsende, vlammende zwaard  (Gen. 3:24). De mate van menselijke volmaaktheid variëren in overeenstemming met deze verschillen. Zij die nooit ook maar voor één ogenblik het licht hebben gezien, maar rondtasten in hun nacht, zijn degenen over wie gezegd is: U toont geen inzicht, geen begrip, en doolt in duisternis rond (Ps. 82: 5). De waarheid is voor hen volledig verborgen ondanks haar krachtige helderheid, zoals er ook over hen gezegd is: Soms blijft de zon onzichtbaar, terwijl ze achter de wolken straalt, maar daarna komt de wind en blaast de hemel schoon (Job 37:21). Deze vormen de grote meerderheid van de mensheid...’6

 

Alleen degenen die dagen doorleefd hebben waarin woorden betekenisloos waren, waarin de prachtigste theorieën klonken als schuttingtaal, alleen zij die het uiterste niet-weten, het stemloos zijn van een door het wonder getroffen ziel, de totale sprake­loosheid hebben ervaren, zijn in staat om zich te begeven in de betekenis van God, een betekenis groter dan de menselijke geest. Er is een eenzaamheid in ons die luistert. Als de ziel het gezel­schap van het ego en zijn gevolg van onnozele ideeën verlaat; wanneer we ophouden met het uitbuiten van alle dingen en in plaats daarvan de kreet van de wereld, het zuchten van de wereld smeken, dan hoort onze eenzaamheid misschien de levende gena­de die alle macht te boven gaat.

We moeten eerst in de duisternis turen, ons gewurgd en begra­ven voelen in de hopeloosheid van het leven zonder God, voor­dat we gereed zijn om de nabijheid van zijn levende licht te ervaren.

Wanneer ik wolken samendrijf boven de aarde en in die wolken de boog zichtbaar wordt, zal ik denken aan mijn verbond met jullie  (Gen. 9:14, 15). Wanneer onwetendheid en verwarring alle gedachten uit­wissen, dan kan het licht van God plotseling in de geest doorbre­ken als een regenboog in de lucht. Ons begrijpen van de grandeur van God voltrekt zich als een daad van verlichting. Zoals de Baäl Shem zei: ‘Zoals een bliksem plotseling de hele wereld ver­licht, zo verlicht God de geest van de mens en stelt hem daardoor in staat om de grootsheid van onze schepper te verstaan.’ Dit wordt bedoeld als de psalmist zegt: Hij schoot zijn pijlen en sloeg de vijanden uiteen, wierp zijn bliksemschichten en verdreef hen. De duisternis wijkt, de beddingen van het water werden zichtbaar, de grondvesten van de wereld kwamen bloot  (Ps. 18:15, 16).7

Het wezen van het joodse religieuze denken is niet dat het een concept van God kent, maar het vermogen om een herinne­ring van ogenblikken van verlichting door zijn aanwezigheid onder woorden te brengen. Israël is niet een volk van beschrijvers maar een volk van getuigen: ‘Mijn getuige zijn jullie’ Jes. 43:10). Herinneringen aan wat ons onthuld is, staan boven onze zielen als sterren, ver weg en van bovenmenselijke grootsheid. Zij schijnen door duistere en gevaarlijke tijden en hun weerschijn is zichtbaar in de levens van hen die het pad van geweten en herinnering be­waren in de woestijn van achteloos leven.

Sinds deze telkens weer opduikende herinneringen onze zielen zijn bin­nengetrokken, heeft verwondering ons nooit meer verlaten. Op­lettend staren we door de telescoop van oude rituelen om niet de eeuwige helderheid die onze zielen wenkt, uit het oog te verliezen. Onze ziel heeft de vlam niet ontstoken, heeft deze beginselen niet voortgebracht. Toch zetten zij ons denken in gloed. Wat is de aard van deze gloed, van ons vertrouwen, en hoe wordt die waargenomen?


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - € 29,90.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk

Prijs € 29,90