13.5 EEN SPIRITUELE GEBEURTENIS
Maar als
inzichten geen
stoffelijke
gebeurtenissen
zijn, in welke
zin bestaan ze
dan werkelijk?
De achterliggende gedachte van de visie van de moderne mens is dat objectieve werkelijkheid stoffelijk is: alle niet-stoffelijke verschijnselen kunnen worden herleid tot stoffelijke en kunnen in stoffelijke termen verklaard worden. Daarom hebben slechts die soorten menselijke ervaringen die ons bekendmaken met de kwantitatieve kanten van stoffelijke verschijnselen, betrekking op de werkelijke wereld. Geen van de andere soorten van onze ervaring, zoals het gebed of het besef van de nabijheid van God, heeft een objectieve tegenhanger. Zij zijn denkbeeldig in die zin dat ze ons geen kennis verstrekken over de aard van de objectieve wereld.
Hij die in de moderne samenleving het gelijkschakelen van het werkelijke en het stoffelijke weigert te aanvaarden, wordt beschouwd als een mysticus. Omdat God niet het voorwerp is van een stoffelijke ervaring, brengt het gelijkmaken dus de onmogelijkheid van zijn bestaan met zich mee. Of God is slechts een woord dat niets werkelijks aanduidt, óf hij is minstens net zo echt als de mens die ik voor mij zie.
Dit is de aanname van geloof: spirituele gebeurtenissen zijn echt. Uiteindelijk worden alle scheppende gebeurtenissen veroorzaakt door geestelijke handelingen. De God die hemel en aarde schept is de God die zijn wil aan de geest van de mens meedeelt.
Door úw licht zien wij licht (Ps. 36: 10). Er is een goddelijk licht in elke ziel, het sluimert en wordt verduisterd door de dwaasheden van deze wereld. Eerst moeten we dit licht bewust worden, dan zal het licht van boven op ons komen. In Uw licht, dat binnen in ons is, zullen wij licht zien (rabbijn Aäron van Karlín).
We moeten niet
lijdzaam
wachten op
inzichten. In
de donkerste
ogenblikken
moeten wij
proberen ons
innerlijk licht
te blijven
uitstralen.
Ze staat al op
als het nog
donker is
(Spr. 31:15).
![]()
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005