14.2 HET INITIATIEF VAN DE MENS
Hoor! Mijn lief klopt aan! ‘Doe open, zusje, mijn vriendin, mijn duif, mijn allermooiste’ (Hooglied 5:2). ‘De stem van mijn geliefde, de Heilige, Hij zij geprezen, roept: Open mij een opening niet groter dan het oog van een naald en ik zal voor u de hemelse poorten openen. Doe mij open, mijn zuster, want jij bent de deur die toegang geeft tot Mij; als jij niet opent, ben Ik gesloten.’9
Keer op keer gaat zijn roep uit tot de ziel: Doe mij open, mijn zuster, mijn liefste, mijn duive; maar de roep gaat meestal verloren in de verwarring van het hart, in de dubbelzinnigheid van de wereld. Toch probeert God op vele manieren de ziel te bereiken. U doet de sterveling terugkeren tot stof en zegt: ‘Keer terug, mensenkind.’ (Ps. 90:3).
Zonder Gods hulp kan de mens Hem niet vinden. Als de mens niet zoekt, verleent hij geen hulp. ‘De Gemeente van Israël sprak voor de Heilige, Hij zij geprezen:
Heer der Wereld, het hangt van U af, bekeer ons dus tot U. Hij zeide tot hen:
Het hangt van u af, zoals er geschreven is: Keer terug naar mij – zegt de HEER van de hemelse machten –, dan zal ik naar jullie terugkeren (Maleachi 3:7).
De Gemeente sprak ten overstaan van Hem:
Heer der Wereld, het hangt van U af, zoals er gezegd is, God, onze helper, keer tot ons terug (Ps. 85:5). En daarom eindigt het boek Klaagliederen met de woorden: Breng ons terug bij u, HEER, laat ons terugkeren. De mens heeft het in zijn macht om God te zoeken; hij heeft het niet in zijn macht om hem te vinden. Alles wat Abraham had, was verwondering en alles wat hij op eigen kracht kon bereiken, was bereidheid om waar te nemen. Het antwoord werd hem onthuld; het werd niet door hem gevonden.10
Maar het initiatief ligt, geloven wij, bij de mens. Het grote inzicht wordt niet gegeven, behalve als wij klaar zijn om te ontvangen. God voltooit, maar wij beginnen.
‘Wie dan ook op weg gaat om zichzelf te zuiveren, wordt uit den hoge bijgestaan.’11 De Shechinah, de aanwezigheid van God, wordt niet gevonden in het gezelschap van zondaren; maar wanneer de mens zich loutert en de Heilige dichterbij brengt, dan rust de Shechinah op hem. Wanneer de mens gereed is om Ik ben van mijn beminde te zeggen, dan verlangt hij naar mij. De mens moet beginnen zich te louteren, dan wordt hij gelouterd.12
In de vlam die oprijst uit een brandende kool of een kaars zijn twee lichten: het ene wit en helder en het andere zwart of blauw. Het witte licht is hoger dan het andere en stijgt gestadig op. De twee zijn onafscheidelijk verbonden; het witte rust tronend op het zwarte. Het blauwe of zwarte onderstuk is op zijn beurt verbonden met iets onder hem wat maakt dat het blijft vlammen en het ertoe brengt om zich vast te houden aan het witte licht boven hem. Het is een verbindende schakel tussen het witte licht, waaraan het naar boven is verbonden en het vaste voorwerp waaraan het naar onderen verbonden is. De prikkel waardoor dit blauwe licht ontstoken is, komt slechts van de mens.13 Het blauwe licht wordt niet door het witte licht ingehaald voordat het als eerste is gaan stijgen; maar wanneer het dat doet, dan rust het witte licht onmiddellijk op hem. Over het witte licht is gezegd: God, houd u niet stil, zwijg niet, God, zie niet onbewogen toe (Ps. 83:2). Over het blauwe licht is gezegd: Jullie die een beroep doen op de HEER, gun jezelf geen rust (Jesaja 62: 6).14
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005