1 Siddur Saadia, p. 379. Volgens de Wijsheid van Salomo (7:25) is de wijsheid waardoor de wereld geschapen is, de adem van Gods kracht, de zuivere straling van de luister van de Almachtige; niets dat onrein is kan haar binnendringen... Ze gaat over op elk volgend geslacht van vrome mensen en maakt hen tot vrienden van God, en tot profeten (7:27). God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht (Genesis 1:3). Volgens een oude opvatting zou dat licht, als het in de wereld gebleven zou zijn, de mens in staat hebben gesteld om met één blik de wereld van het ene tot het andere einde te zien. Vooruitlopend op de boosheid van de zondige generaties tijdens de Zondvloed en de Toren van Babel, die onwaardig waren om de zegen van een dergelijk licht te genieten, verborg God het. In de komende wereld zal het aan de vromen in al zijn oorspronkelijke glorie verschijnen (Hagigah 12a). Maar als het helemaal verborgen zou zijn, zou de wereld, volgens een andere opvatting, ‘niet in staat zijn geweest om ook maar één ogenblik te bestaan. Maar het werd alleen verborgen als een zaad, dat andere voortbrengt, zaden en vruchten, en de wereld wordt door hem onderhouden. Er is geen dag die niet iets van dat licht uitstraalt om alle dingen te schragen, want hiermede voedt de Heilige de wereld’ Zohar, dl ii, p. 149a. Zie dl ii, pp. 166b-167a. Vergelijk voor het hele probleem mijn opstellen ‘Did Maimonides Strive for Prophetic Inspiration?’ in: Louis Ginzberg Jubilee Volume (Hebreeuws) (New York 1945) pp. 159-188; ‘Inspiration in the Middle Ages’, in: Alexander Marx Jubilee Volume (New York 1950) pp. 175-208.
2 Abot 6, 2.
3 Zohar, dl iii, pp. 126a, 52b, 58a; dl I, pp. 78a, 90a, 124a, 193a; dl ii, p. 5a; zie Hagigah, 15b en Pirke de Rabbi Eliezer, hfdst. 15.
4 Volgens Psalm 19:3.
5 Hagigah, 5b.
6 Toldot Yaakov Yosef (Lemberg 1863) p. 172a; zie de bronnen genoemd in Sefer Baal Shem Tov, dl ii, p. 167, en rabbi Eliezer Azkari, Haredim (Venetië 1601) p. 81a.
7 Rabbi Levi Yitzhak van Berditsjev, Kedushat Levi (Lublin 1927) p. 186b; zie p. 28a. Vergelijk Lekkute Yekarim (Mesyrov 1797) p. 2d.
8 Zohar, dl I, p. 90a.
9 Midrash Rabba, Hooglied 5, 2, en Zohar, dl iii, p. 95a.
10 Volgens Numeri Rabba, 14, 7 verwijst het vers Wie kan aantreden om met hem te strijden? (Job 41:2) naar Abraham, die uit zichzelf kennis van het bestaan van God verkreeg. ‘Er was geen mens die hem leerde hoe hij kennis kon verwerven van de Heilige, Hij zij geprezen.’ Hij was een van de vier mensen die God uit zichzelf leerden kennen. De andere drie waren Job, Hizkia (mijn sterkte is de heer) en de Messias. De bedoeling van deze passage is echter om er de nadruk op te leggen dat Abraham geen menselijke hulp ontving. Het verwijst niet naar goddelijke hulp. Bovendien is de omstandigheid dat vier mensen uitgekozen zijn een uitzondering die de regel bevestigt.
11 Yoma, 38b.
12 Zohar, dl I, p. 88b.
13 Zohar, dl I, p. 51a.
14 Zohar, dl I, p. 77b.
15 ‘Je kunt nooit materie zien zonder vorm of vorm zonder materie... Vormen zonder materie kunnen niet worden waargenomen door de ogen in het hoofd, maar alleen door het oog van het hart. Op dezelfde wijze kennen wij de Heer van het heelal zonder zichtbaar beeld.’ Mishne Torah, Yesode Hatorah, IV, 7. Zie The Duties of the Heart, dl II, p. 55. De uitverkorenen zijn begiftigd met ‘een innerlijk oog, dat de dingen ziet zoals ze werkelijk zijn’ (Kuzari IV, 3); zie Ibn Ezra, Commentaar op Exodus 7:8, 9 (De HEER zei tegen Mozes en Aäron: ‘Als de farao jullie om een wonder vraagt, moet jij, Mozes, tegen Aäron zeggen dat hij voor de ogen van de farao zijn staf op de grond gooit; die staf zal dan een grote slang worden.’). De term wordt eveneens door Abu Hamid Muhammad al Gazzali (1058-1111) gebruikt, zie David Kaufmann, Geschichte der Attributenlehre (Gotha 1877) p. 202, n. 180, en J. Obermann, Der philosophische und religiöse Subjektivismus Ghazalis (Wenen 1921) p. 27. Vergelijk Aristoteles, De Mundo, 391: ‘Door het goddelijke oog van de ziel goddelijke dingen aanschouwen en die aan de mensheid uitleggen.’
16 De talmoedische uitdrukking ovanta deliba schijnt het concept van inzicht mede te omvatten. Het is een handeling die leidt tot een waarneming van de geheimenissen van de Merkaba, zie Megillah 24a en Tosafot, Avoda Zara, 28b.
17 The Duties of the Heart, heshbon hanefesh, hfdst. 3, par. 10. Bahya verwijst naar ‘de innerlijke wetenschap’ die hij beschrijft als het licht van de harten en de glans van de zielen. Over deze wetenschap zegt de Schrift: maar u wilt dat waarheid mij vervult, u leert mij wijsheid, diep in mijn hart (Ps. 51:8). The Duties of the Heart, dl I, p.7.
18 Selected Poems of Moshes Ibn Esra, uitgegeven door Heinrich Brody en vertaald door Solomon Solis-Cohen (Philadelphia 1945) p. 124. De uitdrukking komt ook voor in Bahya, ibidem, Avodat Elohim, hfdst. 5.
19 Kuzari IV 3
20 Shirim Nivharim, ed. Shirman, gedicht 4, regel 22.
21 Shirman, ibid., gedicht 2, regel 5.
22 Selected Poems of Jehudah Halevi (Philadelphia 1928) p. 94.
23 Diwan des... Jehuda ha-Levi, uitgegeven door H. Brody (Gottesdienstliche Poesie; Berlijn 1911) p. 159.
24
Zohar,
dl I, p.
103-b; zie dl
II, p. 116b.
Zie Rabbenu
Hananels visie,
geciteerd in
Commentar zum
Sepher Jezira
door R. Jehuda
G. Barsilai uit
Barcelona, ed.
Helberstam
(Berlijn 1855)
p. 32. De
Zohar
verbindt
bishe’arim
met het
werkwoord
lesha’er,
schatten. Zie
Spreuken
23:7 en Rashi
op Sotah,
38b.
![]()
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005