Geloof omvat
trouw, kracht
om te wachten,
aanvaarding van
Zijn
verborgenheid,
trotsering van
de
geschiedenis.
HEER, onze God,
andere heren hebben ons in hun macht gehad,
maar alleen uw
naam zullen wij
prijzen.
Jes. 26:13
Geen ogenblik
in de
geschiedenis
van de mensheid
was zo droevig
als het
ogenblik waarop
God tegen Mozes
zei: Nee, ik
ben het die
zich van hen
afkeert, omdat
ze zoveel kwaad
hebben gedaan
en zich met
andere goden
hebben
ingelaten.
(Deut. 31:18).5
‘Wie is aan U gelijk in stilte!’ Wie is zo stil als Gij, die ziet hoe Uw kinderen gehoond worden en toch stil blijft?’6
Het falen van de waarneming, het onvermogen om Hem rechtstreeks te begrijpen is de treurige paradox van ons godsdienstige bestaan. Het was een buitengewoon ogenblik toen de mens zo vrijmoedig was om uit te roepen:
Hij is mijn God, hem wil ik eren,
de God van mijn vader, hem loof en prijs ik. Exodus 15:2
De normale toestand wordt weergegeven in de woorden van Job:
Hij gaat mij voorbij en ik zie hem niet,
hij glipt langs mij heen en ik merk het niet. Job 9:11
God staat echter niet onverschillig tegenover de speurtocht van de mens naar Hem. Hij heeft de mens nodig, het aandeel van de mens in de verlossing heeft Hij nodig. God, die de wereld schiep, is niet thuis in de wereld, in zijn duistere stegen van ellende, afstomping en opstandigheid.
Van Noach is er gezegd: Noach wandelde met God, hij was in zijn tijd de enige die een voorbeeldig leven leidde. (Genesis 6:9), en tegen Abraham zei God: ‘Leef in verbondenheid met mij, leid een onberispelijk leven’ (17:1). De Midrash zegt: ‘Noach zou vergeleken kunnen worden met de vriend van een koning die dwaalde langs donkere wegen. Toen de koning uitkeek en hem zag, zei hij tot hem: Kom en ga met mij in plaats van langs donkere wegen te dwalen. Maar het geval van Abraham is beter te vergelijken met dat van een koning die langs donkere wegen voortstrompelde en toen zijn vriend hem zag, zette hij een lamp voor hem op de vensterbank. Toen zei de koning tot hem: Kom en loop met een licht voor mij’ uit in plaats van mij door het raam bij te lichten.’7 De wereld was in duisternis gehuld, maar Abraham schonk het licht dat Zijn tegenwoordigheid verlichtte.
De woorden ‘Ik ben een vreemdeling op aarde’ (Ps. 119:19) werden toegeschreven aan God. God is een vreemdeling in de wereld. De’ Shechinah, de tegenwoordigheid van God, is in ballingschap. Het is onze taak om God terug te brengen in de wereld, in onze levens. Aanbidden is de tegenwoordigheid van God in de wereld verbreiden. Geloven in God is onthullen wat verborgen is.
1 Heft uw ogen naar omhoog, ‘Door dit te doen zul je weten dat het de geheimzinnige Oude van dagen is wiens wezen gezocht maar niet gevonden kan worden, die dit alles geschapen heeft..., Hij moet altijd gezocht worden hoewel Hij mysterieus en niet te onthullen is... Maar wanneer een mens door middel van onderzoek en overdenking de uiterste grens van het kennen heeft bereikt, houdt hij op alsof hij wil zeggen: wat weet je? wat hebben je naspeuringen opgeleverd?’ Zohar, dl I, p, lb,
2 Man is Not Alone, p. 92.
3 Mishnah Torah, teshuvah, x, 6,
4 Rabbi Shneur Zalman van Ladi herinnert aan de dief die een beroep doet op God om hem te helpen, terwijl hij inbreekt in een huis om te stelen; zie Berachot, 63a,
5 Jerushalmi Sanhedrin, x, 2, 28b.
6 Mechilta op Exodus 15:11. Volgens de legende in Gittin, 56b zou Titus godslasterlijk gezegd hebben: ‘Zelfs de zwijgenden spreken soms, maar Gij zwijgt voor altijd.’ Zie Arugat Habosem, dl I, p. 26,
7 Genesis Rabba, 30, 10.
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005