16 Het
begripsvermogen
te boven
16-1 BINNEN HET BEREIK VAN HET GEWETEN
Wat voegen onze inzichten toe aan onze kennis? Wat wordt op zulke momenten onthuld en wat blijft verborgen? Wanneer iemand door een kogel getroffen wordt, voelt hij de pijn, maar niet de kogel. Als iemand teruggeroepen wordt, is het gevoel dat hij geroepen wordt sterker dan de roep zelf. De leidende hand is verborgen; wellicht voelt hij zich een voorwerp van aandacht. Er kan geen roep tot de mens uitgaan zonder aandacht voor de mens.
Dit is de zekerheid die in dit soort momenten overweldigt: de mens leeft niet alleen in tijd en ruimte maar ook in de dimensie van Gods aandacht. God is betrokken, geen macht sec. Het is God tegenover wie we verantwoording moeten afleggen.
In het spoor van religieus inzicht blijft ons een besef bij dat het de transcendente God is voor wie ons geweten open ligt. Ondanks een zekere dubbelzinnigheid in bepaalde vragen behouden we een direct contact, dat ononderbroken kan voortduren. We zijn blootgesteld aan de uitdaging van een macht, die niet geboren uit, noch ingesteld door onze wil - ons onze onafhankelijkheid ontneemt door haar oordeel over de oprechtheid of verdorvenheid van onze daden, door aan ons geweten te knagen wanneer wij haar geboden overtreden. Het is alsof we in onszelf geen plek meer voor onszelf hebben, geen mogelijkheid om ons terug te trekken of te ontsnappen, geen plaats in ons om de overblijfselen van onze schuldgevoelens te begraven. Er is een stem die overal doordringt, die geen genade kent, die graaft in de begraafplaatsen van milde vergeetachtigheid.
Is de God van dit besef de God aan wie wij verantwoording moeten afleggen? Is dit besef kunstmatig voortgekomen uit angsten en hersenschimmen en geleidelijk aan ontwikkeld tot een houding tegenover de wetten, die de schriftloze samenleving regelden? Juist zij die zouden aannemen dat dit het geval is, moeten niet de fout maken de waarde van dingen te bepalen aan de hand van hun ontstaanswijze. Enkele van de belangrijkste en meest wezenlijke instellingen van de mensheid zijn terloops ontstaan. Het is heel goed mogelijk dat de vaardigheid om gereedschappen te maken of de ontdekking van het gistingsproces hun oorsprong hebben in magie en bijgeloof. Wat de oorsprong van het geweten ook moge zijn, er zijn weinig dingen in het menselijke leven die van zo fundamentele betekenis zijn. Het is even krachtig en verreikend als de rede. Want zoals de rede aanvaardt dat de natuurprocessen te begrijpen zijn, dat er een redelijke verwantschap bestaat tussen gebeurtenissen, aldus aanvaardend dat het menselijke verstand en de natuurlijke orde elkaar niet uitsluiten, zo stelt ons morele bewustzijn dat er een morele relatie tussen God en mens bestaat.
Ons gevoel van wat goed of kwaad is, kan af en toe vaag zijn. Met een boven alle twijfel verheven zekerheid voelen wij ons verplicht om ons gedrag te verantwoorden. Het is een unieke eigenschap van het geweten dat - anders dan bij het verstand - de aandacht niet in de eerste plaats uitgaat naar begrijpen, maar naar betrokkenheid, naar verantwoordelijkheid, naar geoordeeld te worden net zo goed als naar oordelen. Verantwoordelijkheid betekent verantwoordelijk zijn tegenover iemand. Wie is die iemand? Die iemand kan niet een abstracte wet of een blinde macht zijn; bij het overtreden van een natuurwet voelen we nooit enige schuld. Ons eigen zelf kan het ook niet zijn; de wezenlijke erkenning van de ziel is dat het zelf niet zijn hoogste gezag is. We hebben niet de macht om onszelf het onrecht dat we aanrichten te vergeven. We staan open voor en in verbinding met iemand die ons te boven gaat en die betrokken is bij ons leven.
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005