16 Het
begripsvermogen
te boven
16-3
BIJWOORDEN
Als we beginnen
een opvatting
over God als de
absolute te
huldigen,
blijft zijn
werkelijkheid
afgegrendeld
achter de
abstractie.
Maar meningen
zijn
oversimplificaties,
conclusies. In
plaats van te
getuigen van
een ontmoeting,
verwoorden ze
een conclusie
uit
voorafgaande
stellingen.
Zelfs de indruk
die iets op het
gemoed maakt,
kan niet worden
uitgedrukt in
de vorm van een
mening of een
conclusie.
Concluderen
betekent
beëindigen.
Maar wie kan de
indruk die de
sterrenhemel op
de ziel
stempelt
beëindigen?
Als we over de aard van God spreken, behoren we zelfstandige naamwoorden te vermijden. Een zelfstandig naamwoord veronderstelt begrip. Maar zelfs de wereld die we aantreffen, is er een die we vrezen, voorvoelen maar niet kunnen begrijpen.
God schijnt ver weg te zijn, maar niets is zo nabij als hij. Als we denken dat hij nabij is, dan is hij ver weg; wanneer we denken dat hij ver weg is, dan is hij dichtbij (de Baäl Shem). De brug naar God is ontzag.
In ontzag vragen we niet wat zijn wezen is, maar wat zijn relatie tot de mens is. Als God is afgeleid van abstracties, dan blijft zijn onverschilligheid voor de mens en de onbelangrijkheid van de mens voor hem verenigbaar met zijn grootheid. Maar wanneer ons besef van God een antwoord is op zijn zoeken van de mens, of een terugkeer, dan worden ons zijn werkelijkheid en zijn betrokkenheid duidelijk. Gods vraag aan de mens is een daad van zijn betrokkenheid.
We hebben geen zelfstandige naamwoorden om zijn wezen te beschrijven; we hebben alleen bijwoorden om de wegen aan te duiden waarlangs zij tegenover ons handelt.
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005