16 Het
begripsvermogen
te boven
Hoe kunnen we zeker weten dat eenheid werkelijk een weg van God is? Beelden wij ons niet in te weten wat zich aan gene zijde van het mysterie bevindt? De zekerheid blootgesteld te zijn aan een aanwezigheid die niet van de wereld is, is een feit van het menselijke bestaan. Maar een dergelijke zekerheid vindt niet haar vervulling in esthetische overpeinzingen; in haar roert zich verlangen om te leven op een wijze die deze aanwezigheid waard is.
Het begin van het geloof is, zoals hierboven gezegd, niet een gevoel voor het mysterie van het leven of een gevoel van ontzag, verwondering en verbazing. De wortel van religie is de vraag wat te doen met het gevoel voor het mysterie van het leven, wat te doen met ontzag, verwondering en verbazing. Religie begint met een weten dat iets van ons wordt gevraagd. In dat gespannen, eeuwige vragen wordt de ziel gevangen en wordt aan de mens zijn antwoord ontlokt.
Iets wordt van ons gevraagd. Maar wat? De uiteindelijke vraag die onze ziel beweegt, is anoniem, geheimzinnig, krachtig, maar onuitsprekelijk. Wie zal de weg van God onder woorden brengen, wie leert ons de goddelijke weg? Hoe zullen we weten of de weg die we kozen, de weg is die hij ons wil laten gaan?
In ogenblikken van inzicht worden we tot terugkeer geroepen. Maar hoe keert men om? Wat is de weg naar hem? Wij allen voelen de grandeur en het mysterie. Maar wie zal ons vertellen hoe we op het mysterie moeten reageren? Wie zal ons vertellen hoe wij hebben te leven op een manier die aansluit bij de grootsheid, het mysterie en de hemelse glorie? Het enige wat we hebben is een voorstelling, maar geen woorden of daden om een reactie uit te drukken of te vormen.
De mens leeft niet door inzicht alleen. Er is een geloofsbelijdenis nodig, een dogma, een manier om zich te uiten, een levenswijze. Inzichten vormen geen veilig bezit. Ze zijn vaag en zeldzaam. Ze zijn als goddelijke vonken die voor ons oplichten en weer doven, en wij vallen terug in een duisternis ‘die bijna even zwart is als die waarin we tevoren waren’. Het probleem is: hoe verbinden we deze zeldzame ogenblikken met alle uren van ons leven? Hoe kunnen we intuïtie toevertrouwen aan concepten, het onuitsprekelijke aan woorden, inzicht aan verstandelijk begrip? Hoe moeten we onze inzichten aan anderen overbrengen en ons verenigen in een gemeenschap vol van vertrouwen?
Momenten van inzicht worden niet door iedereen intensief beleefd. Die vonken zijn krachtig genoeg om een ziel, maar niet om de wereld te verlichten. Heeft God niet ooit gezegd: Laat er licht zijn, zodat de hele wereld het zal zien? In momenten van inzicht richt God zich tot een enkele ziel. Heeft hij zich nooit gericht tot de wereld, een volk of een gemeenschap? Heeft hij zichzelf spoorloos laten verdwijnen in de geschiedenis ten behoeve van hen die de kracht missen om hem steeds opnieuw te zoeken?
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005
![]()