3 Het verhevene
3.4 OVER HET VERHEVENE IN DE BIJBEL
Er is vaak beweerd dat verhevenheid een bijzondere eigenschap van de Hebreeuwse bijbel is, onbekend bij de Griekse klassieke schrijvers. Samuel Coleridge zei eens: 'Hebt u in de klassieke Griekse literatuur ooit iets verhevens in onze betekenis van het woord kunnen ontdekken? Verhevenheid is Hebreeuws van geboorte.' Zijn bewering spreekt aan maar is te absoluut. Je kan betogen dat voorbeelden van de hoogst mogelijke verhevenheid te vinden zijn bij Hebreeuwse schrijvers als Jesaja. Verder kan worden aangevoerd dat latere schrijvers zoals John Milton veel van hun verhevenheid direct of indirect aan Hebreeuwse bronnen te danken hebben. Maar aan de andere kant kunnen we die eigenschap - hoe krachtig onze omschrijving van haar ook moge zijn - moeilijk ontzeggen aan vroege Griekse schrijvers zoals Homerus of de Aeschylus († 456 v.c.) en aan de vroege fases van de modernere literatuur. 2 Het is evenwel duidelijk dat het besef van het verhevene als een bijzondere en geheimzinnige soort van schoonheid ontbreekt in de klassieke periode van de Griekse wijsbegeerte. Het Griekse woord voor 'verheven' als stijlbegrip is niet aanwijsbaar vóór de eerste eeuw van onze tijdrekening.3
De oudste verhandeling over het onderwerp, Longinus' Over het Verhevene, is waarschijnlijk na de dood van Augustinus geschreven. Hoewel het in de eerste plaats gaat over het verhevene als een eigenschap van de stijl, verwijst de schrijver ook naar de verhevenheid in de natuur buiten hem, en uit het menselijke vermogen om daarop te reageren leidt hij de innerlijke grootheid van de menselijke ziel af.
De natuur heeft in de menselijke ziel een onoverwinnelijke liefde voor de grootsheid geplant én een verlangen om alles wat het goddelijke dichter schijnt te naderen dan hijzelf voorbij te streven. 'Daarom is het ganse heelal niet voldoende voor het uitgestrekte arbeidsveld en de doordringende beschouwingen van het menselijke verstand. Het overschrijdt de grenzen van de stoffelijke wereld en verheft zich naar believen de eindeloze ruimte in.' De natuur spoort ons aan om niet een kleine rivier 'die aan onze behoeften tegemoetkomt' te bewonderen, maar de Nijl, de Donau en de Rijn; evenzo 'verrassen' ons de zon en de sterren en 'een vuurspuwende Etna dwingt onze bewondering af. 4
Om zijn theorie toe te lichten verwijst Longinus naar het boek Genesis. “De joodse wetgever, geen gewoon mens, omdat hij het vermogen had om de goddelijke macht op waardige wijze te ontvangen en door te geven, schrijft aan het begin van zijn wetgeving: ‘En God zeide...’ Wat was het dat God zei? ‘Er zij licht; en er was licht’, ‘Er zij land; en er was land’.” 5
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005