3.7 AFSCHUW EN VERRUKKING
Het verhevene veroorzaakt een gevoel van verbazing, die Burke omschrijft als 'die gemoedstoestand waarin al zijn reacties met een zekere mate van afschuw tot staan komen', waarin 'de geest zo volledig vervuld is van zijn object dat hij aan niets anders kan denken en dus ook niet over dat onderwerp dat de geest bezig houdt'. Daartegenover wordt de bijbelse mens die het verhevene bespeurt, meegesleurd door zijn hevige verlangen om de schepper van de wereld te loven en te prijzen.
Heel de aarde, juich voor God,
bezing de eer van zijn naam,
breng hem eer en lof.
Zeg tot God: ‘Hoe ontzagwekkend zijn uw daden,
uw vijanden kruipen voor u, zo groot is uw macht. Ps. 66:1-3
Tegenover bedreigende gebeurtenissen kon de bijbelse mens zeggen: Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees geen gevaar, want u bent bij mij (Ps. 23:4).
In nog een opzicht wijkt de ervaring van de bijbelse mens af van de esthetische ervaring van het verhevene. De meest verheven dingen zoals de hemel of de sterren en hijzelf hebben een mysterie gemeen: ze zijn allemaal voortdurend afhankelijk van de levende God. Daarom is de reactie op verheven objecten niet zomaar 'schrikwekkende verbazing' of 'de verdoving van de geest en het gevoel', zoals Burke schreef, maar verwondering en verbazing.
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005