4 Verwondering

 

4.7    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 4

1          Charles S. Peirce, Collected Papers (Cambridge, Mass. 1935) dl V, p. 65.

2          J. Arthur Thomson, The system oj Inanimate Nature, p. 650.

3          A. N. Whitehead, Adventures of Ideas (New York 1933) p. 185.

4          Theaetetus, 15 5d .

5          Metaphysica, 12, 982b, 12.

6          'De bijzondere wijsgerige gezindheid bestaat voornamelijk hierin dat een mens in staat is om zich te verwonderen in een mate die de gewo­ne en dagelijkse verwondering overtreft... hoe lager een mens in ver­standelijk opzicht staat, hoe minder het bestaan zelf een probleem voor hem is; elk ding, hoe het is en dat het is, lijkt hem nogal vanzelf­sprekend.' Schopenhauer, Supplements to the World as Will and Idea, hfdst. XVII.

'Het gevoel van verwondering is de bron en de onuitputtelijke oor­sprong van het verlangen naar kennis (van het kind). Het drijft het kind onweerstaanbaar aan om het geheimenis op te lossen en als het bij zijn pogingen een oorzakelijk verband tegenkomt, zal het niet moe worden om hetzelfde experiment tien keer, honderd keer te her­halen om de sensatie van de ontdekking telkens opnieuw te onder­gaan... De reden dat de volwassene zich niet langer verwondert, is niet dat hij het raadsel van het leven heeft opgelost maar dat hij ge­wend is geraakt aan de wetten die zijn wereldbeeld bepalen. Maar 'waarom deze bijzondere wetten en geen andere gelden, blijft voor hem even verbazingwekkend en onverklaarbaar als voor het kind. Hij die deze stand van zaken niet begrijpt, miskent zijn diepe beteke­nis en hij die het stadium bereikt heeft dat hij zich over niets meer verbaast, toont alleen dat hij de kunst van bespiegelend redeneren verloren heeft.' Max Planck, Scientific Autobiography (New York 1949) pp.91-93.

7          Mechanica, 847a, 11.

B          Zie Man is Not Alone, pp. 11, 13 e.v.

9          God is Hij 'Die de regen zendt  die op aarde valt, hij laat het water over de akkers vloeien.

Onaanzienlijken brengt hij tot aanzien, treurenden geeft hij weer vertrouwen.

Hij doorkruist de listen van de sluwen, wat zij ondernemen zal mislukken.

De wijzen overtroeft hij in hun wijsheid, verraderlijke plannen lopen op niets uit.

Overdag stuiten ze op duisternis, ze tasten in de middag rond alsof het nacht is.

Maar de armen redt hij van de gesel van hun tong, hij redt hen uit de greep van de sterken.

Er is hoop voor de weerlozen – het kwaad wordt de mond gesnoerd.’                 (Job 5:10-16).

HEER, u bent mijn God.

Ik zal u hulde bewijzen, uw naam loven.

Want wonderbaarlijk zijn uw daden, u hebt uw beleid sinds mensenheugenis trouw en betrouwbaar uitgevoerd.

Hun stad hebt u tot een bouwval gemaakt, hun versterkte vesting tot een ruïne; het bolwerk van barbaren is geen stad meer.

Nooit zullen ze herbouwd worden.

Daarom zal het gewelddadige volk u eren, de stad van wrede volken ontzag voor u tonen.

U was een toevlucht voor de zwakken, een toevlucht voor de armen in hun nood (Jes. 25:1-4).

Zie Ps. 107:8, 15,21,31, 24;Jes. 40:26.

10        Ex. 3:20; 34:10;Joz. 3:5; Jer. 21:2; Micha 7:15; Ps. 72:18; 86:10; 98: 1; 106:22; 136:4; Job 9:10.

11        Hij laat het rollen langs de hele hemel, zijn schichten lichten tot het einde van de aarde.

Dan horen we zijn donder bulderen, zo is het geluid van zijn majesteitelijke stem, en doet hij eenmaal van zich spreken, dan laat hij steeds meer bliksems volgen.

God laat zijn donder wonderbaarlijk rollen, hij doet grote dingen die wij niet bevatten.

Hij beveelt de sneeuw: “Val op de aarde,” hij zegt de regenvloed: “Stort neer met al je kracht.”

Hij doet de hand van de mens verstarren, opdat ieder weet wat God vermag.

De wilde dieren gaan naar hun holen, ze blijven in hun leger.

Uit zijn kamers komt de storm te voorschijn, de noordelijke winden voeren koude aan.

Uit Gods adem vormt zich ijs en de uitgestrektheid van de zee bevriest.

Donkere wolken maakt hij zwaar van vocht, lichtend strekt het wolkendek zich uit.

Flitsen schieten heen en weer zoals hij het wil, om zijn bevelen uit te voeren, waar de mens ook leeft.

Of het nu is om de aarde te straffen of ten teken van liefde – hij laat het gebeuren.                  (Job 37:3-13).

12        'Hebt u mij niet als melk uitgegoten en als kaas doen stremmen?

Met vlees en huid ben ik door u bekleed, met botten en pezen hebt u mij samengeweven.

U schonk mij het leven en de liefde, uw zorg heeft mij bewaard.

Maar dit houdt u in uw hart verborgen, ik weet wat u met mij voorhebt’                        (Job 10:10-13).

13        Mechilta op Ex. 15:11.

14        Rabbi Samuel bar Nahmani zegt: 'Het verdienen van zijn brood is zelfs een groter wonder dan de verlossing, want de verlossing ge­schiedt door een engel en het brood verdienen wordt mogelijk ge­maakt door de Heilige, Hij zij geprezen. Met betrekking tot het eer­ste lezen wij: "De engel, die mij bevrijd heeft van alle onheil" (Gen. 48:16), terwijl we met betrekking tot het tweede lezen: "Gul is uw hand geopend, u vervult het verlangen van alles wat leeft". (Ps. 145: 16).' Rabbi Joshua ben Levi zegt: 'Het verdienen van brood is een groter wonder dan de splijting van de Rode Zee.' Genesis Rabba, hfdst. 20, 22. Zie Pesahim 118a.

15        Seder Eliyahu Rabba, hfdst. 2, ed. Friedmann, p. 8 (in Nahum N. Glatzer, In Time and Eternity, p. 22 e. v.): 'Zoals de Heilige, Hij zij ge­prezen vele wonderdaden heeft verricht om Israël uit Egypte te be­vrijden, zo doet Hij met een stuk brood dat een mens in zijn mond steekt.' Pesikta Rabbati, ed. M. Friedmann, hfdst. 33, p. 152a. 'Gro­ter is het wonder dat zich voltrekt wanneer een zieke mens ontkomt aan een gevaarlijke ziekte dan wat gebeurde toen Hananja, Misaël en Azarja ontsnapten uit de vurige oven. Want Hananja, Misaël en Azarja ontkwamen aan een door mensenhand ontstoken vuur, dat iedereen kan blussen, terwijl een zieke mens ontkomt aan een hemels vuur en wie kan dat blussen?' Nedarim, 41a.

16        Midrash Tehillim, 136,4. 'Wonderen gebeuren aldoor. Maar omdat ze tot ons komen niet omdat we verdienen gered te worden, maar dank zij Zijn grote barmhartigheid en genade, blijven ze onopge­merkt. Alleen een geslacht dat Hem van ganser harte dient, is waar­dig om de wonderen die het overkomen, te kennen.' Rabbi Eliezer van Tarnegrod, Amaroth Tehorot (Warschau 1838), op Ps. 136:4.

17        Nahmanides, Commentaar op Ex. 13: 16.

18        Kant, Critique of Practical Reason, vertaald door Abbott (Londen 1889) p.260.

 

 


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - Verschijnt hopelijk op termijn


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X
(ingenaaid), 480 pagina's, 3e druk

Prijs € 29,90