6 Het mysterie is niet opgelost
6.1 GOD VERTOEFT IN ‘DONKERE WOLKEN’
Het geheim van God blijft altijd voor de mens verzegeld. Mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan mij zien en in leven blijven. Zelfs de serafs bedekken in de aanwezigheid van God hun gezichten met hun vleugels (Jesaja 6:2). Salomo, die de grote tempel in Jeruzalem bouwde, wist dat de Heer, die de zon in de hemel plaatste, besloten had ‘in een donkere wolk te willen wonen’ (‘arafel) (1 Koningen 8:12).1
Hij maakte van het donker zijn schuilplaats (Psalm 18:12). ‘Zie hoe groot God is, buiten elk begrip’ (Job 36:26). ‘God laat zijn donder wonderbaarlijk rollen, hij doet grote dingen die wij niet bevatten.’ (Job 37:5). Niet alleen zijn wezen; zijn wegen zijn diep, geheimzinnig, ondoorgrondelijk. Zijn gerechtigheid, ‘als de machtige bergen’, gaat ons begrip te boven en zijn rechtvaardigheid is een wijde oceaan (Ps. 36:7). Mijn plannen zijn niet jullie plannen, en jullie wegen zijn niet mijn wegen – spreekt de HEER. Want zo hoog als de hemel is boven de aarde, zo ver gaan mijn wegen jullie wegen te boven, en mijn plannen jullie plannen (Jesaja 55:8-9).
De geheimen van de natuur en de geschiedenis daagden de bijbelse mens uit en doen hem vaak opschrikken. Maar hij wist dat hij niet in staat was om ze te doorgronden. Wat verborgen is, behoort de HEER, onze God, toe (Deuteronomium 29:28). God is in de hemel en jij bent op aarde, dus moet je spaarzaam met je woorden zijn (Prediker 5:1).
We hebben niet meer dan een besef van de aanwezigheid van het mysterie, maar het is een aanwezigheid die de geest nooit kan doorgronden. Deze houding staat in tegenstelling tot Hegels beschrijving van de overgang van de Egyptische naar de Griekse godsdienst. ‘Het raadsel is opgelost; de Egyptische sfinx is volgens een zeer diepzinnige en bewonderenswaardige mythe door een Griek verslagen en zo werd het raadsel opgelost.’2
Voor de joodse geest blijven de ultieme raadsels ondoorgrondelijk. Eer aan God, omdat hij dingen verbergt (Spreuken 25:2). Het is een koninklijk voorrecht van de mens om de wereld van tijd en ruimte te onderzoeken, maar het is een onmogelijke opdracht om te onderzoeken wat zich buiten de wereld van tijd en ruimte bevindt. ‘Voor hem die zijn geest richt op vier dingen, ware het beter geweest als hij niet op de wereld gekomen zou zijn: wat is boven? wat is beneden? wat was vroeger? en wat zal hierna zijn?’3 ‘Zoek niet wat te wonderlijk voor je is en speur niet naar wat voor jou verborgen is. Peins over wat je is toegestaan. Laat je niet in met geheimen.’4 Occultisme is aanmatiging. Magie, waarzeggerij en dodenbezwering zijn door de goddelijke wet verboden. Wat verborgen is, behoort de HEER, onze God, toe en alleen van hem moet de kennis en het antwoord komen.
Er zijn mensen geweest die, zoals de schrijver van de middeleeuwse Lofprijzing, beleden: ‘Mijn ziel verlangde in Uw schuilplaats al Uw mysterie te kennen.’ Toch zegt de psalmist: ‘Ik ben stil geworden, ik heb mijn ziel tot rust gebracht. Als een kind op de arm van zijn moeder. HEER, niet trots is mijn hart, niet hoogmoedig mijn blik, ik zoek niet wat te groot is voor mij en te hoog gegrepen (Ps. 131:1-2).
Met vrees en beven moeten de priesters en de Levieten ‘de allerheiligste dingen naderen’. Aäron en zijn zonen komen bij hen en wijzen ieder van hen toe wat hij moet dragen. Zelf mogen ze het heilige niet binnengaan, want als ze er ook maar een glimp van zouden opvangen, zouden ze sterven. (Numeri 4:19-20).5
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005