7 Ontzag

 

7.3    DE BETEKENIS VAN ONTZAG
Ontzag is een wijze van verstandhouding met het geheim van alle werkelijkheid. Het ontzag dat wij voelen of zouden be­horen te voelen in de aanwezigheid van een menselijk wezen, is een ogenblik van intuïtie voor de gelijkenis van God die in zijn wezen verborgen ligt. Niet alleen de mens, ook zielloze dingen hebben een relatie met de schepper. Het geheim van elk wezen is de goddelijke zorg en betrokkenheid die erin gelegd zijn. Bij elke gebeurtenis staat er iets heiligs op het spel.3

Ontzag is een intuïtie voor de waardigheid van al het geschapene en voor hun dierbaarheid voor God. Een besef dat din­gen niet alleen zijn wat ze zijn, maar ook - hoe ver verwijderd ook - staan voor iets absoluuts. Ontzag is een gevoel voor het transcendente, het bovennatuurlijke voor de overal voorkomende verwijzing naar hem die alle dingen te boven gaat. Het is een inzicht dat beter in gedrag dan in woorden kan worden overgedragen. Hoe vuriger wij het willen uitdrukken, hoe minder er van overblijft.

De bedoeling van ontzag is om te beseffen dat het leven zich voltrekt onder wijde horizonten, blikvelden die verder reiken dan een individueel leven of zelfs dan het leven van een volk, een geslacht of tijdperk. Ontzag stelt ons in staat om in de wereld aanduidingen van het goddelijke waar te nemen, om in kleine dingen het begin van een oneindige betekenis te voelen, om het hoogste te voelen in het alledaagse en het eenvoudige. Om in het ge­druis van alles wat voorbij gaat de stilte van het eeuwige te bespeu­ren.

Wanneer we een object analyseren of waarderen, denken en oordelen we vanuit een bepaald gezichtspunt. Al naar gelang onze achtergrond en opleiding schenken we aandacht aan verschillen­de aspecten van hetzelfde object. De beperking van de geest is zo dat hij nooit drie zijden van een gebouw tegelijk kan zien. Het gevaar begint wanneer wij vanuit één gezichtspunt, een gedeelte als het geheel proberen te beschou­wen. In de schemering van een dergelijk perspectivisch kijken wordt zelfs de aanblik van het deel vertekend. Wat we niet door analyse kunnen begrijpen, worden we ons bewust in ontzag. Wanneer we ‘stilstaan en overwegen’, aanschouwen we en zijn we getuige van wat niet vatbaar is voor analyse.

Kennis wordt door nieuwsgierigheid bevorderd en wijsheid wordt door ontzag bevorderd. Sommigen beschouwen wijsheid misschien als ‘een ongewone mate van gewoon verstand’. Voor ons is wijsheid het vermogen om alle dingen te beschouwen van­uit Gods gezichtspunt, meegevoel met het goddelijke pathos, de vereenzelviging van de wil met de wil van God. Dit zegt de HEER: De wijze moet zich niet beroemen op zijn wijsheid, de sterke niet op zijn kracht, de rijke niet op zijn rijkdom. Wil iemand zich op iets beroemen, laat hij zich erop beroemen dat hij mij kent, inziet dat ik, de HEER, dit land liefde schenk, rechtvaardigheid en recht, want daar schep ik behagen in – spreekt de HEER.                                        (Jeremia 9:23-24).

 

Natuurlijk zijn er momenten van een hogere of een lagere in­tensiteit van ontzag. Wanneer een mens het feit ontdekt dat God ‘de grote heerser is, de rots en het fundament van alle werelden, voor wie alle bestaande dingen als niets geacht worden, zoals er gezegd is, de mensen op aarde zijn slechts nietige wezens’ (Daniël 4:35),4 dan zal hij overweldigd worden door een gevoel van de heiligheid van God. Een dergelijk ontzag weerklinkt in de aan­sporing van de profeten: Verschuil je tussen de rotsen, verberg je onder de grond, vlucht voor de vreselijke macht van de HEER, voor zijn geduchte majesteit.                                      (Jesaja 2: 10).

Bij Maimonides vinden we een klassieke verklaring van de be­tekenis van ontzag en van de wijze waarop het zich uitdrukt:

 

“Wanneer een mens bij een machtige ko­ning is, zal hij niet zitten, bewegen en zich gedragen op dezelfde manier zoals hij bij zich thuis zou doen. Ook zal hij niet in de gehoorzaal van de koning op dezelfde ongedwongen wijze spreken zoals hij zou doen in zijn eigen gezin of bij zijn vrienden. Daarom moet elk mens die naar menselijke volmaaktheid ver­langt en een echte ‘mens van God’ wil worden, het feit ontdek­ken dat de grote Koning die hem voortdurend beschermt en na­bij is, machtiger is dan elk individu, zelfs als het David of Salomo zou zijn. Die Koning en voortdurende bewaarder is de geest die op ons is neergedaald en die de band vormt tussen ons en God. Zoals wij Hem waarnemen in het licht dat Hij op ons doet schij­nen - zoals er gezegd is: Door úw licht zien wij licht (Psalm 36:10) - zo ziet God op ons neer in datzelfde licht. Door dat licht is God altijd bij ons, uit de hoge op ons neerziend: Als iemand zich verbergt, zou ik hem dan niet zien? – spreekt de HEER.”(Jeremia 23:24)5

 

Ilya Schor