8.5 DE KENNIS VAN HET MAJESTUEUZE
Is de hemelse gelukzaligheid iets wat wordt gezien, gehoord of duidelijk beseft? In het visioen waarin de alomtegenwoordigheid van de glorie aan Jesaja wordt geopenbaard, wordt de verzuimde gevoeligheid van de mens aangeduid:
‘Ga en profeteer het volgende tegen dit volk: “Luister goed, maar begrijpen zul je het niet; kijk goed, maar inzien zul je het niet.” Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht. Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren, en tot hun hart zal het niet doordringen. Ze zullen niet naar mij terugkeren en geen herstel vinden.’ (Jes. 6:9-10)
De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol, maar we bespeuren haar niet; ze is binnen ons bereik, maar gaat ons begrip te boven.
Hij gaat mij voorbij en ik zie hem niet,
hij glipt langs mij heen en ik merk het niet. Job 9:11
De aarde is vol van zijn glorie; zij is niet vol van de kennis van de glorie. In de komende wereld zal de aarde vol kennis van de grootheid van de HEER zijn, zoals de zee vol water is (Habakuk 2:14). Nu is het majestueuze verborgen; in de komende wereld ‘zal de luister van de HEER zich openbaren voor het oog van al wat leeft (Jes. 40:5). In Messiaanse zin bidt de psalmist: ‘Geprezen zij zijn luisterrijke naam, voor eeuwig. Moge zijn luister heel de aarde vervullen. Amen, amen! (72:19).5 En toch is de glorie ons niet geheel onbekend. Dat niet alleen de hemelen in staat zijn om ervan te vertellen, blijkt uit het feit dat wij allen worden opgeroepen: Maak aan alle volken zijn majesteit bekend, aan alle naties zijn wonderdaden (1 Kronieken 16:24). Laten zij spreken over de glorie van uw majesteit, ook ik wil uw wonderen bekendmaken. (Ps. 145:5). We hebben geen woorden om de majesteit te beschrijven; we hebben geen juiste manier om haar te kennen. Maar het is niet van beslissende betekenis dat wij haar kennen, maar wel ons besef door haar gekend te worden.
U weet het als ik zit of sta,
u doorziet van verre mijn gedachten,
ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op,
met al mijn wegen bent u vertrouwd.
Geen woord ligt op mijn tong,
of u, HEER, kent het ten volle.
Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen,
hoe aan uw blikken ontkomen?
Klom ik op naar de hemel – u tref ik daar aan,
lag ik neer in het dodenrijk – u bent daar.
Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad,
al ging ik wonen voorbij de verste zee,
ook daar zou uw hand mij leiden,
zou uw rechterhand mij vasthouden.
Al zei ik: ‘Laat het duister mij opslokken,
het licht om mij heen veranderen in nacht,’
ook dan zou het duister voor u niet donker zijn –
de nacht zou oplichten als de dag,
het duister helder zijn als het licht. Ps. 139:2-4, 7-12.
Oog in oog met de wereld, bespeuren we vaak een geest die ons begripsvermogen te boven gaat. De wereld is te veel voor ons. Zij is één en al wonder. De glorie is geen uitzondering maar een glans die ligt op al het zijnde, een geestelijke omlijsting van de werkelijkheid.
Voor de gelovige lijkt het alsof de dingen met hun achterkant naar hem gekeerd staan, hun gezichten gekeerd naar God, alsof de glorie van de dingen daarin bestond dat ze het voorwerp zijn van goddelijke aandacht.6
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005