8.6
BLINDHEID VOOR
HET WONDER
Het waarnemen van het numineuze is een zeldzame gebeurtenis in onze levens. We verwonderen ons niet, we reageren niet op de aanwezigheid. Dit is de tragedie van elke mens: ‘alle verwondering door onverschilligheid te ontluisteren.’ Leven is sleur en sleur is weerstand tegen verwondering. ‘Vervuld is de wereld met een geestelijke straling, vervuld met verheven en wonderbare geheimen. Maar een kleine hand voor het oog gehouden verbergt alles,’ zegt de Baäl Shem. ‘Zoals een kleine munt die voor het gezicht wordt gehouden, het zicht op een berg kan beletten, zo kunnen de futiliteiten van het leven het zicht beletten op het oneindige licht.’7
De wonderen zijn dagelijks bij ons (zie p. 72 e.v.), en toch wordt ‘het wonder door hem die het ondervindt, niet onderkend’.8 Het wonder begrijpen is geen kwestie van zintuiglijke waarneming. ‘Welk nut heeft een geopend oog als het hart blind is?’9 Men kan veel dingen zien zonder ze waar te nemen: Het ziet veel, maar onthoudt niets, het heeft zijn oren open, maar hoort niets.10
De HEER richtte zich tot mij: ‘Mensenkind, je woont te midden van een opstandig volk. Het heeft ogen om te kijken maar het ziet niets, en oren om te horen maar het luistert niet, opstandig als het is.’11
‘Te beklagen zijn de mensen die zien, maar niet weten wat ze zien, die staan, maar niet weten waar ze op staan.’12
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005