9.1 DE AANBIDDING VAN DE NATUUR
Niemand is zonder een gevoel van ontzag, een behoefte om te vereren, een drang om te aanbidden. De vraag is alleen wat te vereren, of meer in het bijzonder: welk object is onze aanbidding waard. ‘De met sterren bezaaide hemelen... vervullen de geest met altijd nieuwe en groeiende bewondering en eerbied.’ Het is inderdaad moeilijk om te leven onder een hemel vol sterren en niet geraakt te worden door zijn mysterie. De zon is begiftigd met kracht en schoonheid, zichtbaar voor alle ogen. Wie zou zich kunnen onthouden van het prijzen van zijn grootheid? Wie zou verder kunnen komen dan het besef: de natuur is het uiteindelijke mysterie; en het mysterie is het laatste?
De Grieken beschouwden de elementaire krachten van de natuur als heilig. Uitdrukkingen als ‘de heilige regen’ of ‘het heilige licht’ zijn tekenend voor hun houding.1 ‘0 Natuur, hoezeer aanbidden we je zelfs tegen onze wil,’ bekent Seneca.2 In King Lear roept Edmund uit: ‘Jij, Natuur, bent mijn godin; jouw wet bepaald mijn diensten.’3 Belarius zegt: ‘Buigen, jongens: deze poort leert jullie hoe de hemelen te aanbidden en leert jullie te buigen tot een heilige morgendienst.’4
De natuurgodsdienst, de aanbidding van de grootsheid van het gegevene, heeft altijd zijn aanhangers gehad. Ondanks het gebod ‘als u omhoog kijkt en de zon, de maan en de sterren ziet, al die lichten aan de hemel, laat u er dan niet toe verleiden daarvoor neer te knielen en te vereren wat de HEER, uw God, voor de andere volken op aarde heeft bestemd.’ (Deuteronomium 4:19), waren er, zelfs ten tijde van de Babylonische ballingschap, die hun gezichten naar het oosten keerden en de zon aanbaden.5
De pracht van de natuur kan inderdaad een bedreiging vormen voor ons godsdienstig begrip; er is een dodelijk gevaar om door haar kracht betoverd te worden.
Keek ik ooit
naar de zon,
haar stralende
licht,
naar de maan in
haar wassende
pracht,
terwijl mijn
hart zich
heimelijk liet
lokken
en ik in
verering mijn
mond op mijn
hand drukte?
Ook dat zou een
misdrijf zijn
dat bestraft
moet worden,
want dan zou ik
God daar boven
verloochend
hebben.
Job 31:26-28
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005