9.10 NOTEN BIJ HOOFDSTUK 9
1 Sophocles, Oedipus Tyrannus, 1424-1429; Electra, 86-95.
2 Hippolitus, Akte IV, 1116.
3 King Lear, Akte I, scène 2,1-2.
4 Cymbeline, Akte iii, scène 3,2-7.
5 Hij bracht me naar de binnenhof van de tempel van de HEER. Bij de ingang, tussen de voorhal en het altaar, stonden ongeveer vijfentwintig mannen. Ze stonden met hun rug naar de tempel, met hun gezicht naar het oosten, en ze bogen zich in aanbidding neer voor de zon (Ez. 8:16). Ze veronachtzaamden alle geboden van de HEER, hun God. Ze goten twee beelden in de vorm van een stierkalf en maakten een Asjerapaal. Ze aanbaden de hemellichamen en dienden Baäl (2 Kon. 17:16). Hij herstelde de offerplaatsen die zijn vader Hizkia verwijderd had, richtte nieuwe altaren op voor Baäl en maakte een nieuwe Asjerapaal, naar het voorbeeld van koning Achab van Israël. Hij aanbad de hemellichamen en diende die (2 Kon. 21:3).
6 G. Soutar, Nature in Greek Poetry (Londen 1939) pp. 178-191.
7 The Works of Francis Thompson, dl iii, pp. 80-81. Zie Will Herberg, Judaism and Modern Man (New York 1951) p. 34.
8 Diels, Die Fragmente der Vorsokratiker, Heracleitus, fragment 30.
9 Timaeus, slot.
10 Marcus Aurelius, Meditaties, IV, 23.
11 De zin in Sirach 40:1, die de aarde ‘de moeder van allen’ noemt, (Ieder mens zijn veel zorgen beschoren, de nakomelingen van Adam dragen een zwaar juk, vanaf de dag dat zij de moederschoot hebben verlaten tot op de dag dat zij naar hun aller moeder terugkeren.) is vaak verkeerd uitgelegd, namelijk als uitdrukking van voorstellingen van de aarde als moeder van de mens. Het komt ons voor dat de juiste betekenis een verwijzing is naar de uithoeken van de aarde als het gebied van het leven na de dood. Vergelijk Ez. 26:20: ...dan zal ik je doen afdalen naar hen die je zijn voorgegaan, naar het volk van weleer. Daar zul je wonen, in het land van de diepten, bij hen die zijn afgedaald in de afgrond, in de eeuwige ruïnes. Je zult niet langer in het land van de levenden wonen, daar zul je geen plek meer hebben. 32:32: Het land van de levenden heb ik vervuld van angst voor de farao, maar nu komt hij met zijn volk te liggen te midden van de onbesnedenen en de gesneuvelden – zo spreekt God, de HEER. Job 1:21: En hij zei: ‘Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen en naakt zal ik in haar schoot terugkeren. De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen.’ Ps. 116:9: Ik mag wandelen in het land van de levenden onder het oog van de HEER. Ps. 139:15 (Toen ik in het verborgene gemaakt werd, kunstig geweven in de schoot van de aarde, was mijn wezen voor u geen geheim.) verwijst niet naar de aarde maar naar de diepten van het aardrijk. God is Hij die de mens wrocht; de diepten van het aardrijk waren de plaats van dat werk. Vergelijk 4 Ezra 5:28: En nu Here, waarom hebt u dit enige volk aan velen over gegeven? en hebt boven die wortel andere bereid, en hebt het enige, dat uw is, onder velen verstrooid?
12 Elke gebeurtenis in de natuur werd beschouwd als een daad van de goddelijke Voorzienigheid; vergelijk Jes. 40:26: Kijk omhoog: wie heeft dit alles geschapen? Hij laat het leger sterren voltallig uitrukken, hij roept ze bij hun naam, een voor een; door zijn kracht en onmetelijke grootheid ontbreekt er niet één. Job 38:4-6: Waar was jij toen ik de aarde grondvestte? Vertel het me, als je zoveel weet. Wie stelde haar grenzen vast? Jij weet dat toch? Wie strekte het meetlint over haar uit? Waar zijn haar sokkels verankerd, wie heeft haar hoeksteen gelegd.
13 Vergelijk Abravanel, Mifalot Elohim, VII, 3. In het voetspoor van Saadia staaft Abravanel zijn stelling dat het heelal vernietigbaar is met verwijzingen naar de rabbijnse literatuur. Maimonides, The Guide of the Perplexed, ii, hfdst. 27 en 29; Gersonides, Milhamot Hashem, IV, 1.16 en in deze tijd Hermann Cohen, Ethik des reinen Willens, p. 387 e.v. houden vast aan de stelling van de onvernietigbaarheid.
14 Adventures of Ideas, p. 154.
15 Job 38:7: ...terwijl de morgensterren samen jubelden en Gods zonen het uitschreeuwden van vreugde. Ps. 114:4: de bergen schrokken op als rammen, als lammeren sprongen de heuvels op.
16 J. G. Frazer, The Dying God, p. 5.
17 Zie Louis Ginzberg, The Legends of the Jews, dl I, p. 44 en dl V, p. 60 n. 194.
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005