9.8 EEN DING DOOR GOD
Volgens de bijbel is het ‘innerlijke’ leven van de natuur voor de mens een gesloten boek. De bijbel zegt niet dat de dingen tot de mens spreken; hij leert slechts dat de dingen tot God spreken. Levenloze voorwerpen zijn dood met betrekking tot de mens; zij zijn levend met betrekking tot God. Ze zingen voor God. De bergen smelten als was voor de HEER (Ps. 97:5). Toen het water u zag, o God, toen het water u zag, begon het te beven, een huivering trok door de oceanen (77:17). Voor het aanschijn van de Heer, – beef, aarde! – voor het aanschijn van de God van Jakob (Ps. 114:7).
Wiens oor heeft de bomen God horen bezingen? Heeft ons verstand ooit bedacht om de zon op te roepen om de heer te prijzen? En toch, wat het oor niet kan waarnemen, wat het verstand niet kan bevatten, dat maakt de bijbel ons duidelijk. Het is een hogere waarheid, door de geest te bevatten.
De moderne mens weidt uit over de orde en de kracht van de natuur; de profeten weiden uit over de grootsheid en de schepping van de natuur. De eerste richt zijn aandacht op het exploiteerbare en begrijpelijke aspect van het heelal; de laatste op het mysterie en het wonder van het heelal. Wat de profeten in de natuur voelen, is niet een afspiegeling van God, maar een verwijzing naar hem. De natuur is niet een deel van God, maar meer een vervulling van zijn wil.
Heft uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen? Er is een hogere vorm van zien. We moeten leren om onze ogen op te heffen om te zien dat de wereld meer een vraag dan een antwoord is. De schoonheid en de kracht van de wereld zijn als niets bij hem vergeleken. De grootsheid van de natuur is alleen maar een begin. Voorbij de grootsheid is God.
De bijbelse mens ziet de natuur niet los van maar in relatie tot God. ‘In den beginne schiep God den hemel en de aarde’: deze weinige woorden vermelden de onzelfstandigheid en de volstrekte afhankelijkheid van alle werkelijkheid. Wat is dan de werkelijkheid? Voor de westerse mens is zij iets in zichzelf. Voor de bijbelse mens is ze een ding door God. Kijkend naar een ding zien zijn ogen niet zozeer vorm, kleur, kracht en beweging als wel een daad van God. De wereld is een poort, geen muur.
Abraham Joshua Heschel:
God zoekt de mens
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005