Deel 2 Openbaring

18 Het profetische understatement
 

18.1     DE IDEE, DE AANSPRAAK EN HET RESULTAAT
In het vorige hoofdstuk bespraken we de idee van de open­baring en de belangrijkste redenen van het verzet daartegen. We hebben geprobeerd het belang hiervan voor de menselijke situatie aan te geven en opperden dat het onmogelijk is om overtuigd te blijven van de onmogelijkheid van openbaring. Maar een idee hoeft, zelfs wanneer het aannemelijk blijkt te zijn, nog geen feit te zijn. Is het niet denkbaar dat God niet aan onze verwachting voldeed? Wat geeft ons de zekerheid dat ons geloof in de openba­ring niet een compromis met onze wensen is? Zouden we niet be­rusten in het geloof dat er een God is, maar zonder stem?

Een verheldering van deze vraag zal afhangen van de manier waarop we een andere vraag behandelen, namelijk waarom we ons tot de bijbel wenden bij ons zoeken naar de stem van God in de wereld. Dat is omdat de bijbel meer doet dan de gedachte of de mogelijkheid van openbaring te poneren. In de bijbel komen we te staan tegenover een bewering, tegenover profeten die beweren de wil van God over te brengen; een feit dat de geschiedenis van Is­raël beheerst heeft. Wanneer we de bijbel zo benaderen, bespre­ken we niet een beginsel, een algemene gedachte of een metafysi­sche mogelijkheid maar specifieke profetische daden die, vol­gens de bijbel, werden verricht te midden van het volk gedu­rende de periode van Mozes tot Maleachi.

Als de bijbel verloren zou zijn gegaan, de woorden van de pro­feten verdwenen zouden zijn en alleen een herinnering aan de mensen die beweerden profeten te zijn geweest, zou zijn overge­bleven, dan zou het enige voorwerp van onderzoek hun bewe­ring zijn. Maar de bijbel is tot op de dag van vandaag bij ons en we komen niet alleen mensen tegen die beweren buitengewone erva­ringen te hebben gehad, we komen ook buitengewone woorden tegen. Het is dus niet die bewering alleen en zelfs niet in de eerste plaats, die onze aandacht op de bijbel vestigt. Het zijn de woorden der profeten die voor ons leven, voor ons denken een uitdaging vormen en die ons voortdrijven in onze pogingen om de betekenis van die bewering te begrijpen.

Het is dus nodig om verschil te maken tussen drie aspecten van het vraagstuk van de openbaring: de idee, de aan­spraak en het resultaat. De idee van de openbaring bespraken we in het vorige hoofdstuk. We zullen nu naar de aanspraak kijken, voordat we de woorden of het resultaat bespreken.

In onze bespreking is niet alleen het geloof dat de wil van God tot het hart van de mens kan doordringen aan de orde, maar ook het aanvaarden dan wel verwerpen van de ontzagwekkende bijbelse pretentie dat God werkelijk is zoals de profeten hem verkondigen; dat zijn wil werkelijk is zoals de profeten bewe­ren.

2.    WAT IS PROFETISCHE INSPIRATIE?
Het bewustzijn van de profeten dat ze geïnspireerd werden, de rotsvaste overtuiging dat de boodschap die ze aan het volk brach­ten niet door hun eigen hart werd voortgebracht, is het uitgangs­punt van ons onderzoek.

In een ogenblik van crisis zet Mozes zijn hele gezag op het spel door te beweren dat hij door God geïnspireerd is.1 Op allerlei manieren houden de profeten vol dat hun woorden niet uit henzelf voortkwamen: Wee de verdwaasde profeten die hun eigen ingevingen volgen zonder iets te hebben gezien! (Ezechiël 13:3); dat hun profetieën ingevin­gen en geen uitvindingen waren. Dat het God was die hen tot het volk zond: God, de HEER, heeft mij gezonden, met zijn geest (Jesaja 48:16). Het is onze taak om twee vragen onder ogen te zien: wat is de betekenis van profetische inspiratie en wat is de waarheid over profetische inspiratie? De eerste vraag onderzoekt wat de aard is van het gebeuren dat wordt aange­duid als profetische inspiratie. De tweede vraag onderzoekt of het waar is, of het werkelijk gebeurde.

Ons onderzoek hoort met de eerste vraag te beginnen, want het is uiteraard noodzakelijk om te weten wat profetische inspira­tie is voordat we proberen aan te tonen dat een dergelijke inspi­ratie al dan niet heeft plaatsgevonden. Welk soort feit wordt door de term profetie beschreven? Wat duidt hij aan?

Het is voorstelbaar dat uitzendingen van de woorden van een grote redenaar ten slotte het brandpunt zou­den worden van de aandacht van de mensheid. Maar het gaat ons verbeeldingsvermogen te boven om ons een menselijk wezen voor te stellen dat het brandpunt zou kunnen worden van de aandacht van hemel en aarde en tot wie het heelal zich zou rich­ten. Zelfs wanneer we aannemen dat er een geest is die al het be­staande leven geeft, dan gaat zijn geheimzinnigheid het mense­lijk bevattingsvermogen naar zijn aard te boven. De ervaring te zijn toegesproken door hem die meer is dan hemel en aarde, heeft een grandeur waarbij alle woorden hun kracht verliezen. Een onderzoek van de geestelijke en historische omstandigheden zou weinig relevant zijn. Welk antwoord ook gevonden zou worden op de vraag: hoe kwam de profetie tot stand? Was het een innerlijke of een uitwendige ervaring? Wat was haar historische achtergrond? Het zou altijd draaien om bijzaken, net zoals een bespreking van dubbele punten en puntkomma’s de inhoud van een zin nauwelijks doet uitkomen. De woorden en hun betekenis moeten eerst begrepen worden.

Een zin kan alleen dan goed begrepen worden als hij de bedoe­ling van zijn schrijver juist weergeeft. Onze vraag luidt dan: wat bedoelde de profeet met de zin ‘God sprak’? Om de mededelin­gen van de profeet over zijn ervaring te begrijpen moeten we de volgende beginselen betreffende de aard van deze mededelingen in gedachten houden:

1. Dingen en woorden hebben vele betekenis­sen;

2. de mededelingen van de profeet zijn gematigd uitgedrukt;

3. de taal van de profeet is de taal van grandeur en mysterie;

4. er is een verschil tussen beschrijvende en aanduidende woorden;

5. de mededelingen van de profeten moeten als antwoord, als reactie begrepen worden.

3    WOORDEN HEBBEN VELE BETEKENISSEN
De beste manier om openbaring niet te begrijpen is haar let­terlijk te nemen, zich voor te stellen dat God de profeet via een telefoonverbinding toesprak. Toch raken de meesten van ons op die dwaalweg, omdat we vergeten dat de hoofdzonde bij het denken over de uiteindelijke vragen de letterlijke gezindheid is.

De vergissing van de letterlijke gezindheid is de veronderstel­ling dat dingen en woorden maar één betekenis hebben. In werke­lijkheid hebben dingen en woorden verschillende betekenissen in verschillende situaties. Goud betekent rijkdom voor de koopman, een sieraad voor de juwelier, ‘een niet roestend, smeedbaar, pletbaar metaal met een hoog soortelijk gewicht’ voor de technicus en vriendelijkheid voor de spreker (‘een hart van goud’). Licht is een vorm van energie voor de natuurkundige, een voertuig van liefelijkheid voor de kunstenaar, een uitdrukking van grootsheid in het eerste boek van de bijbel. Ruach, het Hebreeuwse woord voor geest, betekent ook adem, wind, richting. Als je al­leen aan adem denkt, ontgaat je de diepere betekenis van het woord. God wordt vader genoemd, maar hij die deze naam fysiologisch opvat, vertekent de betekenis van God.

De taal van het geloof gebruikt maar weinig woorden, die al­leen voor zijn gebied dienen; de meeste van zijn termen zijn ont­leend aan de algemene sfeer van menselijke ervaring en verrijkt met een nieuwe betekenis. Daardoor ontgaat ons wanneer we deze termen letterlijk opvatten, de unieke bijbetekenis die ze door het religieuze gebruik hebben aangenomen. In de we­tenschappelijke taal moet de betekenis van de woorden helder, bepaald en ondubbelzinnig zijn en moeten ze hetzelfde concept aan iedereen overbrengen. In de dichtkunst worden evenwel woorden die maar één betekenis hebben als vlak beschouwd. Het juiste woord is vaak het woord dat een veelheid van betekenissen oproept en op meer dan één niveau begrepen moet worden. Wat een deugd is in de wetenschappelijke taal, is een gebrek in het poëtisch uitdrukkingsvermogen.

Is het juist om erop te staan dat bijbelse woorden uitsluitend in één letterlijke betekenis moeten worden begrepen? Dikwijls lijkt het alsof de profeten het oogmerk hadden om niet begrepen te worden op één manier, op één niveau, maar op vele manieren, op vele niveaus naargelang van de omstandigheden waarin wij ons bevinden. En als dit hun oogmerk was, moeten wij ons begrijpen niet tot één betekenis beperken.

 

4    HET PROFETISCHE UNDERSTATEMENT
Gewoonlijk gaan we ervan uit dat de bijbelse schrijvers een voor­liefde hadden voor verheven, gezwollen taal, een voorkeur voor buitensporige overdrijving van hun uiteenzettingen. Wanneer we echter de grote lijnen overpeinzen van wat zij onder woorden probeerden te brengen, wordt het ons duidelijk dat het­geen ons als hoogdravende welsprekendheid in de oren klinkt, een zwakke afspiegeling is en ingetogenheid van uitdrukking. Hun woorden moeten inderdaad niet letterlijk worden opgevat, omdat het letterlijk nemen een gedeeltelijk, oppervlakkig begrijpen zou zijn; omdat de letterlijke betekenis maar een minimum betekenis is.2

‘God sprak.’ Moet dit symbolisch worden opgevat: Hij sprak niet, maar het was alsof Hij sprak? In werkelijkheid is dat wat voor ons letterlijk waar is, beeldspraak vergeleken bij wat bovenzintuiglijk werkelijk is voor God. Duizend jaren voor ons zijn een dag voor hem. En op hem toegepast zijn onze machtigste woorden zwak­ke understatements.

En toch is ‘God sprak’ geen symbool. Een symbool doet geen wereld ontstaan uit het niets. Ook roept een symbool geen bijbel in leven. Het spreken van God is niet minder maar meer dan letterlijk werkelijk.

5    DE TAAL VAN GRANDEUR EN MYSTERIE
Voor de hedendaagse mens die zich in de bijbel verdiept, is het verleidelijk om de bijbel uit te leggen in het licht van zijn we­reldbeschouwing. Om de eigenlijke bedoeling van de bijbel te begrijpen moeten we zijn grondconcept over de wereld voor ogen houden. De bijbelse mens richt zijn aandacht in de eerste plaats op het aspect van grootsheid, en zijn taal voor open­baring is die van grootsheid en mysterie.

Waarmee zou ‘Het woord van God’, ‘God sprak’ vergeleken kunnen worden? Zou het moeten worden vergeleken met de gearticuleerde uitspraak van een menselijk wezen? Nu moet het woord van God - wil het door de mens waargenomen worden ­door een stem worden overgebracht; maar om goddelijk te zijn moet ze overgebracht worden door iets wat veel groter is dan een stem. Er zijn veel stemmen in de wereld; wat was de goddelijke hoedanigheid van dat spreken? Als het God is die de wereld ge­schapen heeft, hoe kan zijn spreken dan vergeleken worden met een verschijnsel dat zelfs in de wereld zo weinig te betekenen heeft?

Het zou een onderwaardering zijn om te zeggen dat voor de bijbelse mens het woord van God even groot is als de kosmische kracht, als de kracht die de elementen en de machten bij elkaar houdt. Het woord van God is de kracht van de schepping. Hij zei Laat er zijn en het was.

Door het woord van de HEER is de hemel gemaakt,

door de adem van zijn mond het leger der sterren.

Want hij sprak en het was er,

hij gebood en daar stond het.                                       (Psalm 33:6, 9)

 

Verheven, luisterrijk is de wereld. Maar toch, zonder zijn woord zou er geen wereld zijn, geen verhevenheid en geen luister.

Wat betekent het woord van God voor de profeten? Een com­binatie van geluiden die een gebruikelijk denkbeeld overbren­gen, geschikt om te dienen als een deel van een zin?

Is mijn woord niet als een vuur,
als een hamer die een rots verbrijzelt?                         
(Jeremia 23:29)

De buitengewone kwaliteit van het goddelijke woord ligt in zijn mysterieuze almacht. Uit God kwam de geheimenis van Zijn uitspraak voort en een woord, een geluid, bereikte het oor van de mens. De spirit van zijn scheppende kracht bracht een stoffelijke wereld tot leven. De geest van zijn openbarende kracht bracht de bijbel tot leven.

6    BESCHRIJVENDE EN AANDUIDENDE WOORDEN
De menselijke geest is een schatkamer van verschillende denkbeelden waarvan sommige omlijnd en omschrijfbaar zijn, terwijl andere zich niet laten beschrijven en onuitsprekelijk blijven. In samenhang hiermee zijn er twee soorten van woor­den: beschrijvende woorden die in een vaste verhouding staan tot gebruikelijke en welomschreven betekenissen, zoals concrete zelfstandige naamwoorden, stoel, tafel, of de natuurwetenschap­pelijke termen; en aanduidende woorden die in een vloeiende ver­houding staan tot onuitsprekelijke betekenissen en die, in plaats van te beschrijven, alleen iets te kennen geven dat wij intuïtief aanvoelen maar niet helemaal kunnen begrijpen. De betekenis van woorden als God, tijd, schoonheid of eeuwigheid kunnen we ons niet nauwkeurig voorstellen of in onze gedachten weergeven. Toch dragen ze een rijkdom aan betekenis over aan onze zin voor het onuitsprekelijke. Het is niet hun taak om in ons gemoed een definitie op te roepen, maar om ons binnen te leiden in de werkelijkheid die zij aanduiden.

Het is de taak van beschrijvende woorden om een denkbeeld op te roepen dat we al hebben, om betekenissen op te roepen die ons al bekend zijn. Aanduidende woorden hebben een andere werking. Ze roepen niet zozeer een herinnering op als wel een reactie, onge­hoorde denkbeelden, betekenissen, die we tevoren niet volledig beseft hadden.

Een groot aantal woorden heeft zowel een beschrijvende als een aanduidende werking. Voor de kapitein van een schip heb­ben de woorden ‘wind’ en ‘dageraad’ een bepaalde betekenis: een massa lucht in beweging in een zekere richting met een zeke­re snelheid; een chronologisch omschrijfbaar ogenblik. Maar wanneer we in een gedicht lezen over ‘de wind die zucht vóór de dageraad’, proberen we dan nauwkeurig het ogenblik vast te stellen dat de dichter beoogde? Vragen we wat de richting en de snelheid van de wind was? En toch staat het vast dat de dichter dezelfde wind en dezelfde dageraad bedoelt als die waar de kapi­tein mee te maken heeft. Hij heeft een ander aspect van hetzelfde verschijnsel op het oog.

Het is ook waar dat iemand die leest over ‘de wind die zucht geen vragen zal stellen over de fysiologie van de wind die lucht in- en uitademt. En toch is er een soort lezer die wanneer men hem vertelt over de ladder van Jakob, naar het aantal sporten zou vragen.

 

7    RESPONSIEVE UITLEG
De wind in de hierboven geciteerde regel is geen beeldspraak. Als we dat woord figuurlijk opvatten, het beschouwen alsof het iets anders dan wind bedoelt, dan miskennen we de ervaring en de bedoeling van de dichter. Maar als we het letterlijk opvatten in de zin waarin de meteoroloog het kent, dan bevinden we ons op een niveau van betekenis dat niet het niveau is waarop de dichter het aanvoelde. Woorden in deze zin gebruikt, moeten niet letterlijk of figuurlijk worden opgevat maar als woorden om op te reageren.

Het letterlijk nemen van een woord betekent het reproduceren in onze geest van een denkbeeld dat het woord aanduidt en waar­mee het voorgoed in ons geheugen verbonden is. Het is duidelijk dat alleen beschrijvende woorden letterlijk kunnen worden opge­vat. Het als figuurlijk beschouwen van een beschrijvend woord houdt in dat men aanneemt dat de schrijver met twee tongen spreekt: hij zegt het ene maar bedoelt het andere. Het is duidelijk dat alleen als gelijkenis bedoelde uitdrukkingen figuurlijk dienen te worden opgevat. Aanduidende woorden moeten worden opge­vat als woorden om op te reageren. Om ze te begrijpen moeten we breken met vooraf bedachte betekenissen; clichés zijn waar­deloos. Die woorden zijn geen portretten maar aanwijzingen, die als gidsen dienen die een denkrichting in overweging geven.

Dit is in werkelijkheid onze situatie ten aanzien van een ver­klaring als ‘God sprak’. Dit verwijst naar een idee dat in de men­selijke geest niet thuis is en de enige manier om zijn betekenis te begrijpen is erop te reageren. We moeten onze geesten aanpas­sen aan een nooit eerder gehoorde betekenis. Het woord is niet meer dan een aanwijzing; de wezenlijke last om tot begrip te ko­men drukt op de geest en de ziel van de lezer.

8    NOTEN HIJ HOOFDSTUK 18

1Mozes zei: ‘Nu zult u inzien dat het de HEER is die mij gezonden heeft om alles te doen wat ik heb gedaan, en dat het niet uit mijzelf is voortgekomen.          (Numeri 16:28)

2 De profeten pasten hun woorden aan het menselijke bevattingsver­mogen aan; zie de Mechilta op Exodus 19:18; vergelijk de Mishnah van rabbi Eliezer, regel 14, ed. Enelow (New York 1933) p. 25.

 


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - € 29,90.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk

Prijs € 29,90