Deel 2 Openbaring

19 Het mysterie van de openbaring
 

19.1     OPENBARING EN DE ERVARING VAN OPENBARING
Als openbaring een ogenblik was waarin God erin slaagde de mens te bereiken, dan zou een poging om dit uitsluitend te beschrijven als een waarneming van de ogen of van het gehoor, of de vraag of het een visioen was dan wel een geluid en of het luid of zacht was, nog belangrijker zijn dan de vraag naar de snelheid van ‘de wind die zucht vóór de dageraad’. Zeker, de profeten beweerden gezien te hebben, gehoord te hebben. Maar die wijze van zien en horen kan niet worden onderworpen aan een psychologische of fy­siologische analyse. Een analyse van het vermogen van de dichter om de wind te horen zuchten zou van geen belang zijn voor ons begrip van het gedicht. Beweerde de profeet God ontmoet te heb­ben zoals hij een van zijn tijdgenoten tegenkwam of op de wijze waarop Aristoteles Alexander de Grote tegenkwam?

Als openbaring niet meer zou zijn dan een psychosomatische daad, dan zou het weinig meer zijn dan een menselijke ervaring, een gebeurtenis in het leven van de mens. Maar net zoals een beeldhouwwerk meer is dan de steen waar het uit gevormd is, is openbaring meer dan een menselijke ervaring. Toegegeven, een openbaring die niet door ervaring bekend zou worden, zou zijn als een gestalte gesneden uit de lucht. Toch is menselijke ervaring maar een deel van wat werkelijk gebeurt bij openbaring en daar­om moeten we de gebeurtenis van de openbaring niet gelijkstel­len met de menselijke ervaring van de openbaring.

19.2    HET MYSTERIE VAN DE OPENBARING
De aard van de openbaring, een gebeurtenis op het gebied van het onuitsprekelijke, is iets wat woorden niet kunnen bezweren en de menselijke taal nooit zal kunnen uitbeelden. Onze categorieën zijn niet toepasbaar op wat zich zowel binnen als buiten het gebied van materie en geest bevindt. Hoe beschrijvender de woorden bij het spreken over openbaring zijn, hoe gebrekkiger de beschrijving is. De woorden waarmee de profeten hun erva­ringen probeerden te vertellen waren geen foto’s maar illu­straties, geen beschrijvingen maar gezangen. Een psychologische reconstructie van de profetische daad is dus net zo min mogelijk als de poging om een fotografische gelijkenis van een gezicht te schil­deren op grond van een lied. Het woord ‘openbaring’ is als een uitroep; het is meer een aanduidend dan een beschrijvend woord. Zoals alle woorden die het hoogste uitdrukken, verwijst het meer naar zijn betekenis dan dat het die vertolkt. ‘Het is zeer moeilijk om een juiste voorstelling te hebben van de gebeurtenissen bij Sinaď, want zoiets is eerder nooit gebeurd en zal ook nooit meer gebeuren.’1 ‘Wij geloven,’ zegt Maimonides, ‘dat de thora van God Mozes bereikt heeft op een wijze die de bijbel fi­guurlijk beschrijft met de term “woord” en dat niemand ooit heeft geweten hoe dat plaatsvond behalve Mozes zelf die dat woord ontving.’2

We moeten niet proberen om de hoofdstukken van de bijbel die gaan over de gebeurtenis bij Sinaď, te lezen alsof ze tot de systema­tische theologie behoren. Het is zijn bedoeling om de geheimenis te vieren, om dit mysterie bij ons in te leiden en niet om erin door te dringen of het te verklaren. Als bericht over openbaring is de bijbel zelf een midrasj.

Om door te geven wat de profeten ervoeren, kon de bijbel beschrijvende of aanduidende woorden gebruiken. Iedere beschrijving van de daad van de openbaring in op ervaring steu­nende woorden, zou een karikatuur hebben opgeleverd. Daarom doet de bijbel niet meer dan te verklaren dat openbaring ge­schied is; hoe ze geschiedde, is iets wat alleen kon worden overgebracht met woorden die iets oproepen en aanduiden.

Een woord kan op verschillende manieren worden gebruikt. Het geluid is hetzelfde, maar de geest is anders. ‘En God zei: Er zij licht’ ademt een andere geest dan een verklaring als: ‘En Smith zei: Laten wij het licht aandoen.’ De tweede verklaring behelst een heldere betekenis; de eerste verklaring ontlokt een inner­lijke reactie op een onuitsprekelijke betekenis. De verklaring ‘de mens spreekt’ beschrijft een fysiologische en psychologische handeling; de verklaring ‘God spreekt’ behelst een mysterie. Ze roept ons vermogen tot verwondering en verbazing op om te rea­geren op een mysterie dat ons bevattingsvermogen te boven gaat.

Er bestaan geestelijke feiten die in het geheel niet onder woor­den gebracht kunnen worden en die zich volledig onttrekken aan verbeelding en omschrijving.

Het was niet noodzakelijk dat zijn wil werd doorgegeven door middel van geluid; het was noodzakelijk dat hij ons bekend werd gemaakt. Het geluid of de aanblik is voor een bovenzintuiglijke gebeurtenis wat een metafoor is voor een abstract beginsel.

19.3    DE NEGATIEVE THEOLOGIE VAN DE OPENBARING
Wanneer de profeten ter verantwoording werden geroepen, kon­den ze slechts ontkennen dat hun woorden uit henzelf voortkwa­men: Mozes zei: ‘Nu zult u inzien dat het de HEER is die mij gezonden heeft om alles te doen wat ik heb gedaan, en dat het niet uit mijzelf is voortgekomen’ (Numeri 16:28; vergelijk Ezechiël 13*). Openbaring kan alleen beschreven worden met behulp van ontken­ningen; we kunnen alleen zeggen wat zij niet is. Misschien is het oudste voorbeeld van negatieve theologie gebruikt om openba­ring te begrijpen. We lezen dat Elia de opdracht kreeg (1 Koningen 19:11-12):

‘Kom naar buiten,’ zei de HEER, ‘en treed hier op de berg voor mij aan.’ En daar kwam de HEER voorbij. Er ging een grote, krachtige windvlaag voor de HEER uit, die de bergen spleet en de rotsen aan stukken sloeg, maar de HEER bevond zich niet in die windvlaag. Na de windvlaag kwam er een aardbeving, maar de HEER bevond zich niet in die aardbeving. Na de aardbeving was er vuur, maar de HEER bevond zich niet in dat vuur. Na het vuur klonk het gefluister van een zachte bries.

Letterlijk: een stem van stilte. Pas toen hij het bijna onhoorbare hoorde, omwond de hartstochtelijke, vurige Elia zijn hoofd met zijn mantel; hij ging naar buiten en bleef in de ingang van de spelonk staan om naar de stem te luisteren. De stem die hij waar­nam, was bijna geluidloos.

 

19.4    ZICH VOORSTELLEN IS PERVERTEREN
Als we ons dus een voorstelling van openbaring maken, in het bijzonder haar opvatten als een geestelijk of lichamelijk proces, dan wenden wij haar wezen verkeerd aan en vernielen we haar mysterie. Het is even misplaatst om openbaring op te vatten als een geestelijk ­lichamelijke handeling als het is om God op te vatten als een li­chamelijk wezen. Weinigen van ons zijn in staat om te denken op een wijze die nooit wordt gekruist door het pad der verbeelding en het is gewoonlijk op de kruising van gedachte en verbeelding dat de vlucht der gedachten afwijken en terechtkomt in het slop van een gelijkenisachtig beeld.

Men vertelt dat een chassid, na geluisterd te hebben naar de verhandeling van iemand over het verheven concept van God volgens de filosofen, zei: ‘Als God was zoals jij je hem voorstelt, dan zou ik niet in hem geloven.’ Hoe subtiel en nobel onze concep­ten ook mogen zijn, zodra ze beschrijvend en vooral nauwkeurig worden, dan beperken ze hem en forceren ze hem in de alle­daagsheid van onze geesten. Nooit schiet onze geest meer te kort dan bij de poging om God te beschrijven. Hetzelfde geldt voor de idee van de openbaring. Afgebakend en omschreven ontgaat het ons volkomen.

19.5    HET ELIMINEREN VAN DE MENSVORMIGE GOD
Het is ontmoedigend om te zien hoe de waarheid wijkt als gevolg van gebrekkig formuleren; hoe veel van onze concepten van God en zijn daden hem dreigen te beperken en te vertekenen. We zijn geneigd God een menselijke gedaante toe te schrijven en om de profetie als een psychosomatische handeling te beschouwen. Toch is het axioma van het bijbelse denken dat God die de we­reld schiep anders is dan de wereld. Het vormen van een beeld van hem of van zijn daden is het ontkennen van zijn bestaan. Niet alle werkelijkheid is stoffelijk; niet alle werkelijke daden zijn waarneembaar voor onze lichamelijke zintuigen. Het is niet alleen met zijn oor dat de mens kan horen. Het is niet alleen het geluid in natuurkundige zin dat de geest van de mens kan bereiken.

De hoofdmomenten in het joodse denken sporen ons niet aan om ons voor te stellen dat God spreekt of dat hij een geluid maakt via van een spraakorgaan.

‘Waarneming door de zintuigen, vooral door horen en zien, is ons het meest vertrouwd; we hebben geen idee of notie van enige andere manier van omgang tussen de ziel van de ene mens en die van een ander dan door middel van de spraak, vooral door de geluiden voortgebracht door de lippen, de tong en andere spraakorganen. Wanneer ons daarom zal worden medegedeeld dat God dingen kent en dat hij mededelingen doet aan de profe­ten die ze aan ons doorgeven, stellen zij Hem aan ons voor... als sprekende, vooral dat mededelingen van hem de profeten bereiken.’3
Maar wanneer ons ‘verteld wordt dat God zich tot de profeten richtte en tot hen sprak, is het slechts de bedoeling dat onze geesten de indruk krijgen dat er een goddelijke kennis is die de profeten verwerven; ons moet de gedachte worden bijge­bracht dat de dingen die de profeten ons verkondigen, van God komen en niet in hun geheel uit hun eigen concepten en denkbeel­den voortkomen... We moeten ons niet voorstellen dat God een stem of een geluid gebruikte om te spreken.’4

‘Elk verstandig mens weet’ dat als de bijbel zegt dat het volk bij Sinaď de stem zag of hoorde, dit niet slaat op een ‘waarne­ming door het oog’ of een ‘waarneming door het oor’ maar op een geestelijke waarneming.5 ‘Er was geen fysieke stem of fysieke waarneming, maar meer een geestelijke stem... Is het denkbaar dat de woorden door God gesproken, ook maar zouden lijken op menselijke spraak? Deze woorden waren hoorbaar voor Mozes maar niet voor het volk. Is het natuurlijk dat één en dezelfde stem door de ene mens wél en door de andere niet gehoord zou kunnen worden?’6

19.6    ZOALS GEEN ANDERE GEBEURTENIS
Elke poging is zinloos om de verborgen omstandigheden waarin een woord van God de ziel van een profeet alarmeerde, te reconstrueren. Wie zou de goddelijke gegevens van Mozes kunnen onthullen of zijn vreemde gewaarwordingen aan­ elkaar kunnen flansen? De profeet liet geen inlichtingen achter. Al­les wat we hebben is de zekerheid van de profeet, zijn oneindige ontzag en oneindige waardering. Alles wat we hebben is een boek en alles wat we kunnen doen is proberen om het woordelo­ze dwars door de woorden heen te voelen.

Wat werkelijk doordringt, is voor ons even onvoorstelbaar als het ongelofelijk was voor hen die er getuigen van waren. We kunnen het niet begrijpen. We kunnen er alleen op reageren. Of weigeren erop te reageren.

Sommigen van ons benaderen de bijbel, schrijdend op de bombast van een definitie. Maar wie zijn wij om zonder kennis te spreken over het mysterie en om te verklaren wat het betekent dat zijn geest met kracht te voorschijn kwam uit zijn verborgen­heid? Wie heeft de diepte van de bijbel gepeild? Zijn wij de bron­nen van zijn wijsheid binnengegaan of hebben wij gewandeld in de schuilhoeken van zijn diepste betekenis? Zijn de poorten van zijn heiligheid ooit open voor ons geweest en hebben we ooit de uitgestrektheid van zijn woord begrepen? Waar waren wij toen het woord werd gesteld als een grens en God zei: Tot hiertoe en niet verder zal mijn wijsheid onthuld worden?

Zielen worden niet naar een bergketen geleid door middel van een definitie. Ons doel moet dus niet zijn om een definitie te vin­den, maar om te leren de wil van God in de woorden intuďtief te voelen. Het wezen van de intuďtie is niet om het beschrijfbare te vatten, maar om het onuitsprekelijke aan te voelen. Het doel is om het verstand te oefenen om wat het verstand te boven gaat, te waarderen. Alleen door ons besef van het onuitsprekelij­ke kunnen we het mysterie van de openbaring intuďtief gaan aan­voelen.

De dogmatische theoloog die de daad van openbaring tracht te begrijpen in de termen van zijn eigen algemeenheden, neemt zich­zelf te serieus en maakt zich schuldig aan verschralende versimpeling. Openbaring is een mysterie waarvoor het verstand geen concep­ten heeft. Het negeren van haar mysterieuze aard is een vergis­sing met fatale gevolgen. Uit de duisternis kwam de stem tot Mo­zes; en uit de duisternis komt het Woord tot ons. De gang van zaken is verbijsterend.

En als men vraagt: waar leek het op toen het volk bij Sinaď stond en Gods stem hoorde? dan moet het antwoord luiden: het leek op geen andere gebeurtenis in de geschiedenis van de mens. Er bestaan ontelbare legenden, mythen en verslagen, maar niet één vertelt van een heel volk dat getuige is van een gebeurtenis zoals bij Sinaď.

 

19.7    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 19

I. Maimonides, The Guide of the Perplexed, boek ii, hfdst. 33.

2. Inleiding op zijn Commentaar op Mishnah Sanhedrin, hfdst. X, regel 8.

3. Maimonides, The Guide of the Perplexed, i, 65.

4. Ibid., I, 41.

5. Rabbi Shlomo ibn Adret, ‘Maamar Al Ishmael’, in J. Perles, R. ,Salo­mo b. Abraham b. Aderath (Breslau 1863) (Hebreeuws) p. 12.

6. Rabbi Loew van Praag, Tiferet Israel, hfdst. 43.
 

* De HEER richtte zich tot mij: ‘Mensenkind, klaag alle profeten van Israël aan die het nog wagen te profeteren; zeg tegen de profeten die op eigen gezag spreken: “Luister naar de woorden van de HEER! Dit zegt God, de HEER: Wee de verdwaasde profeten die hun eigen ingevingen volgen zonder iets te hebben gezien! Israël, je profeten zijn als jakhalzen die leven tussen de ruďnes. Ze zijn niet in de bres gesprongen voor hun volk, ze hebben er geen muur omheen gebouwd waardoor het op de dag van de HEER in de strijd zou kunnen standhouden. Hun visioenen zijn bedrieglijk, hun voorspellingen zijn vals. Ze zeggen: ‘Zo spreekt de HEER ...,’ terwijl ze niet door de HEER gezonden zijn. En dan verwachten ze nog dat er iets van hun woorden bewaarheid wordt!

Is het niet zo – zegt God, de HEER – dat jullie visioenen bedrieglijk zijn en jullie voorspellingen vals? Jullie zeggen: ‘Zo spreekt de HEER ...,’ terwijl ik niets heb gezegd! Omdat jullie woorden bedrieglijk zijn en jullie visioenen vals, zal ik jullie straffen – spreekt God, de HEER.

Ik keer me tegen de profeten met hun bedrieglijke leugens en valse voorspellingen. Ze zullen uit de gemeenschap worden gestoten. Ze zullen niet meer ingeschreven staan in de boeken van het volk van Israël, en in het land van mijn volk zal geen plaats meer voor hen zijn. Dan zullen jullie inzien dat ik God, de HEER, ben. De profeten hebben mijn volk op een dwaalspoor gebracht toen ze zeiden dat het vrede zou blijven, en mijn volk bouwde muren die door de profeten met witkalk werden bepleisterd – maar het bleef geen vrede. Zeg daarom tegen die witkalkers dat hun muur zal instorten. Als er slagregens komen, als er hagelstenen neerkletteren, als er een stormwind losbreekt en de muren instorten, zal er dan niet worden gezegd: ‘Waar is jullie pleisterwerk gebleven?’ Daarom – zegt God, de HEER – zal ik in mijn woede een stormwind laten losbreken en slagregens doen neerslaan, ik zal hagelstenen laten neerkletteren in mijn alles verwoestende toorn. Ik haal de witgepleisterde muren omver, ze zullen instorten en hun fundamenten zullen bloot komen te liggen. De stad zal in puin vallen en jullie zullen omkomen. Jullie zullen weten dat ik de HEER ben. Ik zal mijn woede koelen op de muren en op de witkalkers, ik zeg jullie dat de muren zullen verdwijnen samen met hen die ze hebben bepleisterd: de profeten van Israël met hun profetieën over Jeruzalem, die visioenen hadden van vrede terwijl het geen vrede zou blijven – zo spreekt God, de HEER.”


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - € 29,90.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk

Prijs € 29,90