Deel 2 Openbaring

21 Een godsdienst van tijd
 

21.1     HET DENKEN EN DE TIJD

Zowel over het leven en het karakter van de Griekse wiskundige Euclides (ca. 300 vC.) als over de wij­ze waarop zijn Elementen tot stand kwamen is maar weinig opge­tekend of onthouden. De wetten van zijn meetkunde zijn tijdloos en het ogenblik waarop ze voor het eerst tot de menselijke geest doordrongen, lijkt geen verband te houden met hun betekenis en geldigheid. Tijd en denken, daad en inhoud, schrijver en on­derricht zijn niet aan elkaar verwant.

Hiertegenover zijn de woorden van de bijbel niet zwevende; ze bengelen niet in een sfeer van tijdloosheid. Hier zijn tijd en denken, daad en inhoud, schrijver en onderricht nauw aan el­kaar verwant.

De bijbel is niet alleen een systeem van normen, maar ook een verslag van historische gebeurtenissen. Inder­daad zouden sommige van de bijbelse spreuken en uitgangspunten ook ergens anders gevonden of onder woorden gebracht kunnen zijn. Zonder weerga zijn de gebeurtenissen waar de bijbel over spreekt en het feit dat deze gebeurtenissen worden opgevat als de ont­moetingsplaatsen van God en mens. Gebeurtenissen horen tot de fundamentele categorieën waardoor de bijbelse mens zich laat leiden. Ze zijn voor het bestaan wat axioma’s zijn voor meten en wegen.

Het jodendom is een godsdienst van de geschiedenis, een godsdienst van tijd. De God van Israël werd niet in de eerste plaats in na­tuurverschijnselen gevonden. Hij sprak door gebeurtenissen in de geschiedenis. Terwijl de godheden van andere volken verbon­den waren met plaatsen of dingen, was de God van de profeten de God van gebeurtenissen: de verlosser uit de slavernij, de onthuller van de thora, die zichzelf liever manifesteerde in gebeurtenissen dan in dingen of op plaatsen.1

De gebeurtenissen waar de religie van Israël uit is voort­gekomen, de bijzondere momenten in de tijd waarin God en mens elkaar ontmoetten, zijn voor het jodendom even funda­menteel als de eeuwigheid van de goddelijke gerechtigheid en het goddelijke mededogen en de algemene waarheid dat God en de mens altijd in relatie tot elkaar staan. Volhouden dat de uittocht uit Egypte niet meer is dan een symbool, dat de we­zenlijke strekking van het exodusverhaal de weergave van het algemene denkbeeld van de vrijheid is, gaat voorbij aan de kern van het joodse geloof.

Het jodendom verlangt de aanvaarding van enkele grondgedachten of normen alsook een band met enkele beslissende gebeurtenissen. Denkbeelden en gebeurte­nissen zijn hier onafscheidelijk met elkaar verbonden. De geest openbaart zich door Gods aanwezigheid in de geschiedenis en de ingrijpende manifestaties worden bekrachtigd door basisgedachten of richtsnoeren.
 

21.2    DE GOD VAN ABRAHAM
De uitdrukking ‘God van Abraham, Isaak en Jakob’ heeft een andere betekenis dan ‘de God van waar­heid, goedheid en schoonheid’. Abraham, Isaak en Jakob staan niet voor denkbeelden, beginselen of abstracte waarden. Even­min staan ze voor leraren of denkers, en de term mag niet te worden opgevat als die van ‘de God van de filosofen’, zoals Kant, Hegel en Schelling. Abraham, Isaak en Jakob zijn geen beginselen om te begrijpen maar levens die voortgezet moeten worden. Het leven dat zich voegt bij het verbond van Abraham, zet het leven van Abra­ham voort. Want het heden staat niet los van het verleden. Abraham bleef bij de HEER staan (Genesis 18:22). Abraham is blijvend, voor altijd. Wij zijn Abraham, Isaak en Jakob.
 

21.3    DE CATEGORIE VAN HET ONGEËVENAARDE
Voor velen is het denkbeeld van openbaring on­aanvaardbaar, niet omdat het niet kan worden bewezen of ver­klaard, maar omdat het zonder precedent is. We verwerpen het zelfs niet, het komt gewoon niet bij ons op. We bezitten geen vorm of categorie waar dat denkbeeld in zou kunnen passen. Geoefend als wij zijn in het zoeken naar verklaringen van alles wat gebeurt als de uiting van een algemene wet, elk verschijnsel als een voorbeeld van een type, vinden we het moeilijk om te ge­loven in het buitengewone, in het absoluut unieke. We vinden het moeilijk om te geloven dat een gebeurtenis die niet voortdurend of van tijd tot tijd plaatsvindt, slechts éénmaal, op één tijdstip zou heb­ben plaatsgevonden. In de wetenschap wordt aangenomen dat een proces dat zich eenmaal in het rijk van de ruimte heeft afge­speeld, zich steeds weer kan afspelen, maar we missen de denkkracht om in te zien dat bepaalde gebeurtenissen in het rijk van de tijd niet steeds opnieuw plaatsvinden. Openbaring nu, is een ge­beurtenis die niet aldoor plaatsvindt, maar op een bepaald tijd­stip, op een uniek tijdstip.

Geen ander tekort maakt de ziel onvruchtbaarder dan het ont­brekent van het gevoel voor het unieke. De creatieve mens ziet kans om het uitzonderlijke bliksemsnel te pakken voordat het in zijn geest bezinkt. In de taal van het creatieve denken is alles wat leeft uniek. En werkelijk inzicht is een ogenblik van waarneming van een situatie voordat ze stolt in de vergelijking met iets anders.

Je moet talent hebben om aan anderen het gevoel over te brengen van het onmiddellijke en unieke en toch kan de poëzie van alle tijden maar een fractie van de eindeloze muziek van het onvergelijkelijke vangen. Er wordt meer onder­scheid gemaakt in het aanvoelen van het onuitsprekelijke weergaloze van een gebeurtenis dan in de poging haar weg te redeneren met behulp van onze gebruikelijke twijfel.

Zoals er denkbeelden zijn die waar zijn, hoewel maar weinig mensen in staat zijn om ze te bevestigen of te toetsen, zo zijn er er­varingen die werkelijk zijn, hoewel maar weinig mensen in staat zijn om ze te doorvoelen. Tussen God en mens gebeuren veel dingen die aan de aandacht ontsnappen, zelfs van hen die ze overkomen.

 

21.4    DE UITVERKOREN DAG
Tenzij wij leren hoe we tijdstippen kunnen waarderen en on­derkennen, zoals we dat doen met dingen in de ruimte, tenzij we gevoelig worden voor het unieke van afzonderlijke gebeurte­nissen, zal de betekenis van de openbaring verborgen blijven. Het weergaloze is inderdaad een categorie die meer thuishoort in het rijk van de tijd dan in het rijk van de ruimte. Twee stenen, twee dingen in de ruimte kunnen gelijk zijn; twee uren in het le­ven van een mens of twee historische tijdperken zijn nooit gelijk. Wat eens gebeurde zal nooit opnieuw in dezelfde zin gebeuren. De tijd van de Atheense staatsman Pericles of de Renaissance hebben zich nooit herhaald. Onwetendheid over de tijd, de onopgemerkte diepte van gebeurtenissen leidt tot de be­wering dat de geschiedenis zich herhaalt. Een diep gevoel voor tijd stelde de bijbelse mens in staat om te begrijpen dat hij bij de Sinaï getuige was van een gebeurtenis zonder weerga in de ge­schiedenis.

Ga de hele geschiedenis maar eens na, vanaf de dag dat God de mens op aarde schiep, en doorkruis de hele wereld van het uiterste oosten tot het uiterste westen: is zoiets geweldigs ooit voorgekomen, heeft men ooit iets dergelijks vernomen? Is er ooit een volk geweest dat net als u vanuit een vuur de stem van een god heeft gehoord en dat heeft overleefd? Is er ooit een god geweest die het heeft aangedurfd zich een volk toe te eigenen waarover een ander volk macht uitoefende, en die dat deed met grootse daden, met tekenen en wonderen en felle strijd, met sterke hand en opgeheven arm, en op angstaanjagende wijze – zoals u met eigen ogen de HEER, uw God, in Egypte hebt zien doen?

Deut. 4:32-34

Belangrijk voor het bijbelse begrijpen van de geschiedenis is niet alleen het concept van een uitverkoren volk, maar ook het con­cept van een uitverkoren tijd, de verkiezing van een dag, niet alleen van een volk. Israël aanvaardde de soevereiniteit van dat verko­zen ogenblik. Dit ogenblik veranderde de wereld voor ons. Verwijzend naar dat ogenblik riep een talmoedische wijze uit: ‘Ware het niet omwille van die dag!’2

Er is veel gebeurd sedert de dag waarop een groep onbekende slaven uit Egypte trok. Grote rijken ontstonden; oorlogen woed­den die de wereld schokten; veroveringen, ontdekkingen, revolu­ties, rampen en overwinningen. Waarom zou de uittocht nog ge­vierd moeten worden? Waarom zou hij gedenkwaardiger zijn dan zelfs de Franse Revolutie?

‘Het lijkt onzinnig om de wijsbegeerte ondergeschikt te maken aan bepaalde historische gebeurtenissen in Palestina – meer en meer onzinniger lijkt me dit,’ riep de atheïst Sir Walter Raleigh († 1618), Engels zeevaarder en schrijver. En onzinnig moet het zijn voor al degenen die geen gevoel hebben voor het weergaloze in de tijd, voor het weergaloze van wat in de tijd gebeurt. Inder­daad, waarom zou een uur uit een eindeloos aantal uren van bij­zondere betekenis zijn voor de geschiedenis van de mens? Inder­daad, waarom zou de betekenis van de Sinaï het belang van alle latere gebeurtenissen te boven gaan?

Daartegenover had een profeet kunnen zeggen: ‘Het lijkt on­zinnig om de geschiedenis ondergeschikt te maken aan abstracte wetten – dit lijkt me steeds onzinniger.’

Het gebrek aan werkelijkheidszin, de nadruk op algemeenheden ten koste van een volstrekt negeren van het bijzondere en concre­te, was het profetische denken vreemd. Profeti­sche woorden staan nooit los van de concrete, historische situa­tie. Hun boodschap is niet tijdloos of abstract; zij heeft altijd betrekking op een bepaalde situatie. Het algemene is in het bij­zondere gegeven en de toetsing van het abstracte ligt in het con­crete.

Het jodendom probeert niet de wijsbegeerte ondergeschikt te ma­ken aan gebeurtenissen, tijdloze waarheden aan een bijzondere geschiedenis. Het wil wijzen naar een niveau van de werke­lijkheid waar de gebeurtenissen manifestaties zijn van goddelij­ke normen, waar geschiedenis wordt opgevat als de vervul­ling van de waarheid.

De betekenis van de geschiedenis gaat ons zeer ter harte. Het is moeilijk om ongevoelig te blijven voor de benauwende vraag waar we vandaan komen, waar we zijn en waar we heen gaan.

 

21.5    HET UNIEKE VAN DE GESCHIEDENIS
Het weergaloze van de geschiedenis is moeilijk te bevatten. Daarom passen wij vaak categorieën en methodes van de natuur­wetenschap toe om de gebeurtenis te begrijpen, zoals de oude theorie dat de geschiedenis aan dezelfde kringloopwet onderwor­pen is als de hemellichamen, zoals blijkt uit het beginsel van de eeuwige terugkeer van hetzelfde; of Oswald Spenglers
(† 1936) theorie dat elke beschaving dezelfde opeenvolging van tijdperken doormaakt als organisch leven in Untergang des Abendlandes. Deze theorieën behandelen gebeurtenissen alsof het processen zijn. Wij zien allemaal duidelijk de overeenkomsten van dingen, maar hebben een onderontwikkeld gevoel voor wat niet te vergelijken en eigen­aardig is. Unieke categorieën zijn nodig om de geschiedenis te begrijpen omdat wat bijzonder is, niet begrepen kan worden in algemene termen. De categorie van het algemene is de sleutel tot de kennis van de wereld van de ruimte. De categorie van het bijzondere is de sleutel tot het begrijpen van de wereld van de tijd.

’s Nachts lijken - in de ziel - alle momenten op elkaar. De meesten van ons waarderen en onderscheiden dingen en plaat­sen, maar zijn ongevoelig voor het unieke van de afzonder­lijke gebeurtenissen. Ook is het denkbeeld van de heilige plaats niet alleen onderdeel van bijna alle godsdien­sten, het heeft zijn aantrekkingskracht behouden voor mensen van alle leeftijden, godsdienstig, onkerkelijk of bijgelovig. We zijn allen bereid om te erkennen dat bepaalde dingen heilig zijn; niemand zou de ontheiliging van een nationaal of godsdienstig heiligdom vergeven. Iedereen zal toegeven dat de Grand Can­yon indrukwekkender is dan een greppel. Iedereen kent het ver­schil tussen een worm en een arend. Maar hoeveel van hebben hetzelfde onderscheidingsvermogen als het gaat om de ongelijkheid van de tijd? De historicus Leopold von Ranke († 1886) stelde dat elk tijdperk even dicht bij God is. Maar de joodse traditie stelt dat er een rangorde van momenten is in de tijd, dat de verschillende tijdperken niet gelijk zijn. De mens kan op elke plaats op dezelfde wijze tot God bidden, maar God spreekt niet tot de mens op elk ogenblik op dezelfde wijze. Op een bepaald moment verliet bij voorbeeld de geest der profetie Israël.3

 

21.6    ONTSNAPPING NAAR HET TIJDLOZE
Verachting voor de tijd lijkt bijna overal kenmerkend voor het men­selijke denken. Zowel voor de Indiase als voor de antieke Griekse geest lijkt tijd - in vergelijking met de eeuwigheid - leeg, zonder be­lang en wezenlijk onwerkelijk. Dingen die in de geschiedenis ge­beuren hebben weinig betekenis; alleen het tijdloze is werkelijk belangrijk. ‘De mahayana-volgeling wordt er voor gewaarschuwd – net als de vereerder van Krisjna erop wordt gewezen... dat de Krisjna lila* geen geschiedenis is, maar een proces voor altijd in gang gezet in het hart van de mens - dat historische feiten geen godsdienstige betekenis hebben.’
 De geschiedenis voltrekt zich in kringlopen zonder ooit te veranderen. Een kip kan worden omschreven als ‘een manier van een ei om een ander ei te maken’, en de geschie­denis kan worden opgevat als een handeling van Brahman, die ‘het heelal uitzendt, onderhoudt en terugneemt, kennelijk met geen andere reden dan om zich van overtollige energie te ont­doen’.4

Volgens Meister Eckhart: ‘Tijd is, wat het licht weerhoudt om ons te bereiken. Tijd is de grootste hindernis tussen God en ons. En niet alleen de tijd, maar ook de tijdelijke dingen en dat niet alleen, ook tijdelijke affecties; niet alleen tijdelijke affecties, maar de hele fleur en geur van de tijd.’5

[* De erotische avonturen of spelletjes (lila) van Krisjna met de herderinnetjes (gopi’s) in het plaatste Vrindavan.]

 

21.7    ZADEN VAN DE EEUWIGHEID
Het was de roem van Griekenland het denkbeeld van de kosmos, de wereld van de ruimte, te hebben ontdekt. Het was de verdien­ste van Israël de geschiedenis, de wereld van de tijd, te hebben ervaren. Het jodendom leert dat de tijd uitermate belangrijk is. Vluchtig als ze mag zijn, is zij zwanger van de zaden van de eeu­wigheid. Veelbetekenend voor God en beslissend voor de be­stemming van de mens zijn de zaken die zich afspelen in de tijd, in de geschiedenis. De bijbelse geschiedenis is de zegepraal over de tijd en de ruimte. Israël kwam niet tot leven door een op­eenvolging van toevalligheden. De natuur zelf kwam niet voort uit een proces, noodzakelijkerwijze; zij kwam tot leven door een gebeurtenis, een daad van God. De geschiedenis is Gods kroongetuige.

Dit was een nieuw inzicht. De niet-profetische, godsdienstige mens was onder de indruk van de processen in de natuur; daar voelde hij een goddelijk mysterie en daar vond hij reden voor eerbied en aanbidding. Gebeurtenissen hadden voor hem geen enkele duurzame religieuze betekenis en ze brachten hem even­min tot enige spirituele toewijding. Voor de niet-profetische mens is tijd de duistere vernietiger en is geschiedenis in de grond zinloos, een eentonige herhaling van haat, bloedvergieten en wa­penstilstand.

 

21.8    ONGEVOELIG VOOR WANHOOP
In het licht van de bijbel is de gebeurtenis niet louter een opeen­volging van voldongen feiten, gedane zaken, niet meer waard om over te redetwisten. Hoewel de gebeurtenissen zich niet voltrek­ken in overeenstemming met een voorbeschikt plan en hoewel het uiteinde­lijke doel nooit omschreven kan worden in één woord, of beter: helemaal niet in woorden, geloven wij dat de geschiedenis in haar geheel een betekenis heeft die de betekenis van haar onderdelen overtreft. Wij moeten voor ogen houden dat God betrokken is in ons doen en laten, dat betekenis niet alleen in het tijdloze, maar voornamelijk in het tijdelijke is gegeven, in de hier en nu opgeleg­de taak. Groot zijn de mogelijkheden van de mens. Want tijd is maar weinig minder dan eeuwigheid en de gebeurtenis is een dra­ma waarin zowel de mens als God een aandeel heeft. In haar gebeurtenissen horen we zowel de stem als het zwijgen van God.

 

21.9    EVOLUTIE EN OPENBARING
Er is een aspect van de profetische ervaring dat verband houdt met een universeel probleem van de filosofie, namelijk: of alle denkbeelden, visioenen en ambities van de geest in de ziel van de mens ontspruiten of dat ze uiteindelijk voortkomen uit een bron buiten de mens.

We hebben een vaag bewustzijn de teugels van onze geesten in handen te hebben. Maar hoe kwamen we aan de teugels en aan de geest? Voor het blote oog lijkt denken een zuiver menselijke aangelegenheid, uit zichzelf op gang gekomen zonder waar­neembare oorzaak. Toch zou deze waarneming kunnen zijn als het blauw van de lucht, niet echt, maar een illusie. Hoe bedreven we ook zijn in het putten uit de bron van het denken, de bron zelf zijn we zeker niet. We weten niet waar de kracht van het denken vandaan komt, wat zich achter alle zekerheid bevindt. De geest kan alleen begrijpen wat tot een geestelijk object herleidbaar is. De geest kan niet boven zichzelf uitreiken en de oorsprong bespeuren. Altijd in beweging zou hij tot stilstand moeten komen om te be­grijpen wat hem in beweging heeft gebracht. In het profetische handelen begint een nieuwe beweging en de mens wordt ge­plaatst aan de bron van alle denken.

Onze hedendaagse denkwijze brengt met zich mee dat we ons de oorsprong der dingen voorstellen als een ontwikkeling van lieverlede en dat we het vermogen missen om onverhoedsheid, voorvallen zonder meer en scheppingsdrang te bevatten. Daardoor zijn zelfs zij die beweren dat het menselijke bewustzijn in zijn wezen teruggaat op een universeel bewustzijn, geneigd om zich een dergelijke herkomst als een evolutie voor te stellen.

De bijbel verklaart dat de mens zichzelf noch zijn bestaan, noch zijn wijsheid gegeven heeft, beide zijn voortgekomen uit de wil van God. Bepaalde inzichten ko­men tot ons, niet door het langzame proces van de evolutie, maar als Gods directe, plotselinge toenadering.

Niet alle mentale verschijnselen zijn afgeleid van primitieve­re, instinctieve verschijnselen, hoe zeer ze ook gekleurd en gevormd mogen zijn in hun opkomst en richting door instinctieve functies. Het menselijke leven is ondenkbaar zonder geestelijke drive.

De veronderstelling dat er een stuwkracht in de ziel is om op zoek te gaan naar een morele en geestelijke wijze van leven, sluit in dat we een dergelijke drive bezitten zonder dat we ons van haar oorsprong bewust zijn. De profetie verkondigt het geloof in een bijzondere, daadwerkelijke mededeling - die niet buiten, maar binnen het bewustzijn van de mens plaatsvond, niet voorafgaand aan maar binnen het gebied van zijn histori­sche bestaan - die ons leert waarnaar te verlangen, waarmee dóór te gaan, wat te verwachten.

 

21.10    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 21

1          A. J. Heschel, The Sabbath (New York 1951) p. 7 e.v. 2. Pesahim, 68b.

3          The Sabbath, p. 96.

4          De Sri Lankaanse godsdiensthistoricus Ananda K. Coomaraswamy († 1947), geciteerd door Aldous Huxley, The Pe­rennial Philosophy (New York 1945, ’s-Gravenhage 1950) p. 51. Vergelijk p. 53: ‘Het grote aantal Boeddha’s en Bodhisattva’s (heilige wezens, tot verlichting bestemd), waar de mahayana-theologen over spreken, is in overeenstemming met de omvang van hun kosmologie. Tijd is voor hen zonder begin en de ontelbare hemelruimtes, die alle be­wuste wezens in alle mogelijke soorten onderhouden, worden gebo­ren, ontwikkelen zich, raken in verval en sterven, alleen om dezelfde kringloop te herhalen - nog eens en nog eens tot de laatste onvoorstel­baar verre voltooiing, wanneer alle bewuste wezens in alle werel­den de verlossing zullen hebben verworven uit de tijd, komende in het eeuwige Zelf of Boeddhaschap.’

5          Geciteerd door Huxley, ibid., p. 189. [Zie in dit verband ook: Rudolf Otto Die Gnadenreligion Indiens und das Christentum (Gotha 1930, Amsterdam 2005) en West-Östliche Mystiek; Vergleich und Unterscheidung zur wesensdeutung uit 1926. (vert.)]

 

 


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - € 29,90.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk

Prijs € 29,90